Ik zie de stad wegtrekken. De betonnen torens, als grauwe klauwen in een grijze lucht, weerspiegelen op de rails. Ik ga terug. Ik was er, en nu ben ik er niet meer. Dag, mensen die ik ooit kende, het was tof jullie weer te zien. Als een geïnformeerde tourist die zijn vakantiehuisje weer verruilt voor waar thuis is. We hebben bijgepraat en moeten zeker eens afspreken binnenkort.
De meute was zo vriendelijk om me naar het station te brengen. Ik moest beloven nooit meer over Prozacstad te schrijven. Ik beloofde dit, want beloftes onder bedreiging tellen niet. Zo kwam ik met slechts enkele kleerscheuren de stad weer uit.
Het is goed om te gaan. Even komen, dan weer terug. Hoewel de stad altijd een deeltje van me zal blijven, ben ik nu van elders. Niet meer van hier. Bezoeker in oude woonst.
Ik verveel me in de coupé. Er is hier natuurlijk geen Opperpater. Geen Willem met WK trauma’s. Geen Starfucker. Zelfs geen terrasbioloog. De trein zit vol met treinmensen die nu even treinen en dan straks ergens een ander zijn Opperpater, Willem of Terrasbioloog zijn. Gelukkig heb ik de nummers van iedereen.
Het is wanneer ik mijn vrienden voor de grap wil SMSen dat ze hun GSM zijn vergeten, dat ik merk dat ik mijn GSM ben vergeten. Even later zie ik de stad heropduiken. De grauwe klauwen graaien me toe.

