Ze is beeldschoon en feeëriek. Hij wil niet staren maar doet het toch. Zeker als ze, zich onbewust van haar toeschouwer, lacht. Haar lach maakt hem keer op keer weerloos. Alsof ze met een toverstaf zwaait en hem verlamt. Dan de vleugels spreiden zal en hoog en fier boven hem zal uitstijgen. Hij slobbert uit zijn bierglas.

In de duistere cafés zien ze het meestal minder duidelijk dan in goed verlichte ruimtes. Daarom komt hij hier graag. En de meeste avonden is dat voldoende: wat zitten, drinken, observeren, zich inbeelden dat hij erbij hoort, meedoet.

Soms lacht hij stilletjes mee met grapjes die gemaakt worden. Hij weet dat het lachende gezelschap direct zou stilvallen, als hij zich zou aansluiten en mee zou lachen. Als een zeepbel die plopt. Dus lacht hij stilletjes en in de schaduwen. Soms heeft hij de grap niet eens gehoord, maar lacht hij omdat het hem heerlijk lijkt om eens samen met anderen te mogen lachen.

Het kijken doet pijn maar hij kan het niet laten. Keer op keer probeert hij zijn blik door het café te laten dwalen, onmiddellijk missen zijn ogen haar. Wat zou ze nu aan het doen zijn – mis ik een lach ? En zijn blik priemt zich terug. Ze strijkt haar engelachtige krullen achter haar oren.

Hij doet zijn best om zich in te beelden dat ze waarschijnlijk óók maar een stom wijf is. Dat dingen doet of zegt die haar volslagen niet feeëriek maken. Dat ze wel eens aan haar billen krabt of dat ze luid kan vloeken tot zes huizen verderop. Dat ze naar wanstaltige films kijkt of dat ze juist té netjes, té proper is. Dat haar huis als een fragiele poppenkast is ingericht en ze het liefst een Ken in een kastje zou hebben, enkel om eruit te halen wanneer het haar uitkomt, om hem vervolgens te kleden zoals het haar goeddunkt.

Dat lachen. Hij weet dat, ondanks zijn halfduistere schuilplaats, de jongeren ook om hém lachen. Hij vindt het niet erg. Ze lachen uit opluchting: dat zij er niet zoals hij uitzien. Dat zij zich in de openlucht kunnen begeven, zonder nagekeken en nagelachen te worden. Dat zij een respectabele baan en een evolutionair passende partner kunnen vinden. Zij lachen ook omdat de jeugd aan hun zijde is. Nu nog wel.

Laat ze dus lachen.

Als de fee samen met haar gezelschap vertrekt, blijft enkel de wens nog achter, om eens samen met een ander te kunnen lachen.

Dit ZKV verscheen in
“Prozacstad: Je bent er”

In 2014 bracht René van Densen zijn collectie ZKV’s (of Zeer Korte Verhalen) in een ZDB (of Zeer Dun Boekje) uit dat NZD (Niet Zeer Duur) was. Hierin las je de eerste avonturen van de bewoners van het misschien niet super fictieve stadje Prozacstad, waar de Opperpater altijd stabiel en soepel blijft en een vrouw met een brief in één hand en de rode draad in haar andere, van de eerste tot de laatste pagina het boek doorkruist. Het boekje verscheen slechts in een beperkte oplage (50 ex) in eigen beheer en is allang uitverkocht, maar op Google Play kun je het nog als ebook kopen en lezen. Dan begrijp je misschien ook beter waar het verhaal hierboven op sloeg. Tenzij je het koopt en niet leest, natuurlijk. Dat mag op zich ook prima, ook die centjes zijn gewoon welkom, daar doe ik niet kinderachtig over.


Share Button

Door Rene van Densen

Schrijver, dichter en mafkees René van Densen publiceert niet alleen op internet. Er zijn ook boekjes van hem te koop in zeer gelimiteerde oplagen (en hij doet niet aan tweede drukken).

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *