Ik had niets en zij had schulden. Maar we hadden elkaar en de droom. Ergens haat ik het om zoiets privés als dit uit te schrijven, maar we droomden beiden van wapperende gordijnen en schrijven. En voor de rest, verzonken in elkander, naar de kloten gaan. Soms ontmoet je zo iemand en denk je enkel, ja, als mijn leven toch moet ophouden, dan maar zo. En even zag ik in haar prachtige ogen hetzelfde. Maar toen gebeurde wat altijd gebeurt: de realiteit. Wie ik ben, wat ik uiteindelijk doe, waar we uiteindelijk zijn. Voor mij is dat punt een verrrukkellijke, symfonische wake up call. Voor haar was het een schreeuwend, zeurend wekkergeluid.
En daar was ik weer. En natuurlijk ontmoette ik weer iemand. En die was nog erger. Alle clichés waren van toepassing. Ze wou me veranderen. Ze wou mij ketenen. Ze wou mij in andere kleding en met ander haar. Ze wou mij in een betere baan. Ze wou mij zoals ze altijd gedroomd had dat de, dé kerel was. En ik wou haar. Dat was mijn grootste fout. Ik wou haar meer dan de vrouw die me niét wou veranderen. Het is een liedje zoals een bluesschema: niks verandert.
En toen was er niks. Dat is niet waar. Toen was er een kat. Ze was ooit een kleine kitten. En toen was ze een dame. En zelfs katers in de buurt kwamen haar aanbidden, medische ingreep of niet. Allebei. Elke avond nog jankt hij aan mijn woonkamerraam. Ik wil hem zelfs een kans gunnen. Hij was zo schattig dat hij zelfs al meerdere dode muizen is komen brengen. Niet om mij, maar om mijn meisje. En zij moet hem niet. Ik zou haar haast willen slaan. En hem ook. Besef een keer waar je mee bezig bent, vertel ik haar elke ochtend.
En dan realiseer ik me weer wat ik allemaal aan het verknallen ben. Meestal begin ik daar de alcoholconsumptie van de dag. Want ik wil vergeten. Ik wil vergeten wat ik had, wat niet paste, wat misschien nooit meer op mijn pad komt. Ik wil vergeten hoe ik fout ben voor iedereen. En al drinkende, word ik fouter. Het is ook een manier van bestaan. Spreek me maar eens tegen. Ondertussen drink ik me dieper mijn dal in. Soms vraag ik me af wie harder gered moet worden: de prinsessen die wachten op hun prins, of de verloren kerels die hopen op één touw in het drijfzand. Het ergst zijn zij die hun drijfzand boven alles verkiezen. En dan durven klagen over het uitzicht. Waren er boven maar wapperende gordijnen. De inkleuring telt ook.

