In een film is alles mooier. En ook alle vervelende dingen zijn uiteindelijk niet écht. Geloofwaardig, af en toe, maar niet echt. Daarom besloot ik van mijn leven maar een film te maken. Kijken of het daar leuker van wordt. Wie weet zou het nog wat opleveren ook. Aan een film valt geld te verdienen. Ja, hoe meer ik erover dacht, hoe meer ik het zag zitten. Dit kon niet misgaan. Natuurlijk kon het wel misgaan. Alles wat ik onderneem kan misgaan. Maar als dit misgaat, dan gaat het meteen ook niet helemaal echt mis. Net als in de film.
Maar ja, wordt maar eens een film. Ik begon, zoals dat bij mijn generatie hoort, met voornamelijk eerst heel hard een film te zitten te willen zijn. Als je iets maar hard genoeg wil, namelijk, zo is me altijd geleerd, dan gaat het wel lukken. En willen, dat kan mijn generatie wel. Ik heb er wat meer moeite mee, maar hier heb ik het wel voor over. Dus zit ik me kapot te willen op mijn bank. Van ‘s ochtends tot ‘s avonds wou ik er wild op los. Ik ging er eigenlijk wel van uit dat dat genoeg zou zijn. Maar ik werd geen film. Het was heel vreemd. Ik heb toch vooral keihard gewild. Net als in de film.
Misschien was ik postmodern of zo, anders. Of hoe die films ook heten waarin de dingen juist helemaal niet lukken. Waarin alles naar de verdoemenis gaat. Dat zijn stomme films. Het moet juist goed gaan. Mijn dagen moeten allemaal cliché-eindes krijgen. En dan, als ik in slaap val, bloepers en outteeks. Ik wil geen realisme. De echte wereld is helemaal niet leuk. De echte wereld is stom. Niemand wil zich met de echte wereld bezig hoeven houden. Ik wil een luchtig, vrolijk liedje zijn. Zo eentje die je neuriet. En niet meer uit je kop krijgt, de hele dag. Net als in de film.

