Mijn lief zegt dat haar zoontje ooit stellig zei dat chips ook belangrijk zijn. Hij vindt chips nog steeds belangrijk. Ze vertelt nog meer mooie verhaaltjes over haar zoontje met een lieve gloed in haar ogen. Ik zeg dat ze mooie verhalen vertelt en ze zou moeten opschrijven. Ze lacht en ik zie dat ze dit niet gaat doen. Even vraag ik me af of ik haar verhaaltjes anders niet zou moeten opschrijven. Schrijvers zijn eksters. Zelf heb ik alleen collega’s om over te vertellen. Ik zit nog ver van mijn pensioen. Haar zoontje is zeven en superschattig. Het is nu of nooit. Maar we knuffelen op de zetel. Dat is ook belangrijk.
Ze zegt dat ik de ideale matras ben. Zacht en warm en ik kan mezelf gewoon met haar mee overal heen verplaatsen. Ik zeg dat zij, dat wij, ja zijn. Op het plafond projecteert de zon plots het woord “ja”. Het universum moet de fantasie altijd even een loef afsteken.
Ze gaat haar zoontje van school halen. Ik zie mezelf in haar spiegel. Ik zie een gelukkig lachende, mooie matras met blije ogen. Ik leg me terug op haar zetel maar zonder haar is het toch anders. Er staat geen “ja” meer op het plafond. Ik schrijf het allemaal op. Schrijvers zijn eksters.
Dit ZKV verscheen in
“Prozacstad 2: Het houdt niet op”
Tien jaar na het eerste deel van Prozacstad, dat niet speciaal supergoed verkocht en geen rimpels veroorzaakte, vond René van Densen het ineens nodig om een vervolg te publiceren, en er zelfs twee keer zoveel verhalen in te steken. Niemand vroeg daarom, het kwam er toch. Nieuwe avonturen met de Opperpater en andere kleurrijke karakters in het stadje Prozacstad dat eerder een way of life is (alhoewel) dan een fysieke plaats.

