Ik heb een kutdag.
Ik ben ongelukkig.
Het mag niet van de mensen.
Mijn ongeluk moet
met hand en tand
bestreden worden.
Ik moet lachen en
fluiten en
werken en
eten en
slapen en
ik moet neuken, neuken,
maar dan het liefst
op de dagen en plaatsen en tijdstippen
die men als beschaafd beschouwt
en ik moet leven baren
leven dat moet lachen en
fluiten en
werken en
eten en
slapen en
neuken en
Het mag niet ongelukkig zijn
van de mensen
want dan ben ik schuldig.
Tijdens de lockdown leest dichter René van Densen elke dag een gedicht voor uit zijn dichtbundels. In navolging van Gert Vanlerberghe’s Balkonnenvrees heeft hij deze reeks Keukenvrees gedoopt. Op deze manier kunnen blinden en slechtzienden ook wat van zijn poëzie meekrijgen en hebben het bijkomende voordeel dat ze René zelf niet kunnen zien. De bofferds.
Dit gedicht verscheen in
“U Mag Mij Wegstemmen”
In een reeks dichtbundels moet er altijd één het debuut zijn, en René van Densen besloot meteen van wal te steken met een titel die ironisch en zelfrelativerend is. Het is niet eens zijn dichtbundel maar een duo-dichtbundel samen met Bob ‘Bobadas’ Minne, die met zijn zevende dichtbundel al fors de diepgang in ging. De afbeeldingen op beide kaften tonen dan ook de stationstrap in Roosendaal – tussen Gent en Tilburg de halfweghalte – waar Bobadas’ kaft van boven naar beneden ‘kijkt’ en Van Densen’s kaft van onderaan naar boven.
Maar René had al een flink arsenaal aan podiumteksten en daar zitten achteraf nog best een paar aardige teksten bij, die de tand des tijds aardig doorstonden.

