Ze kookt niet. Nee, ze danst met bakboter. Fladderend van aanrechthoek naar aanrechthoek, opgewerkt smakkend voorproevend met haar pink. Haar kont schudt. Ik kan aanbieden te helpen, of ik kan toekijken. Stil drink ik dus mijn biertje. Buiten het appartement worden ongetwijfeld mensen doodgeschoten en platgereden. Dat ik een paar paprika’s niet snijd, is niet het ergste dat gebeurt in de wereld.
Er salto’t een kleurrijke keur aan vers voedsel boven de pan, en landt sissend terug in de bubbelende boterbrij. En ze danst vrolijk verder, potjes met smaakjes uit haar kast plukkend. Ik ben niet van de smaakjes en sissende pannen. Ik ben van de piepende knopjes en dzjjjjj-pingg-maaltijden. Stilletjes laat ik mijn neus verder onder de boekrand wegzakken en neem een zo vermoeid ogende banklighouding aan.
Maar kijken, dat doe ik stiekem nog steeds. Kijken hoe ze danst. Danst met haar bakboter. Ik hoor enkel sissen, tjoppen, prakken en deurtjes dichtslaan. Maar zij hoort blijkbaar muziek. Alsof je naar een stille film kijkt, niks hoort, maar wel begrijpt wat er aan de hand is. Onopvallend sla ik de bladzijde om, zodat ik niet op niet lezen betrapt kan worden.
Dit ZKV verscheen in
“Prozacstad 2: Het houdt niet op”
Tien jaar na het eerste deel van Prozacstad, dat niet speciaal supergoed verkocht en geen rimpels veroorzaakte, vond René van Densen het ineens nodig om een vervolg te publiceren, en er zelfs twee keer zoveel verhalen in te steken. Niemand vroeg daarom, het kwam er toch. Nieuwe avonturen met de Opperpater en andere kleurrijke karakters in het stadje Prozacstad dat eerder een way of life is (alhoewel) dan een fysieke plaats.

