Altijd jagen machten
Groter dan wij
Naar de wortel
Ja
Ze zoeken en wroeten
Maaien hakken betasten belasten
In heilige overtuiging dat
zij de uitkomst biedt
Nee
Laat de worm toch graven
Zijn onbenullig gangenstelsel daar beneden
In zijn onnavolgbare eigen richtinkjes
Zonder dat vogel en visser
Op zijn vege lijf jagen
Want ongeacht of zij nu ooit een uitkomst vinden,
Jachtig en onverstoorbaar ongenadig ploegend door materie en organisme,
In het oneindig aanzien van het onweerstaanbaar uitgestrekte universum,
Waardoor het universele van het belang begint te wankelen.
Het allesverstorende relativisme steekt, gretig ontwaakt, de kop op.
En werpt in één flukse, rigoreuze beweging alles ondersteboven
Waardoor ideologieën ineenstorten, dromen verpulveren en zelfs een individu
Verwonderd de ogen wrijft, maar al snel de verandering
Hoe drastisch ook, accepteert als de nieuwe feitelijke werkelijkheid.
En zo gaat
telkens de cirkel
rond en rond.
Dit gedicht verscheen in
“U Mag Mij Wegstemmen”
In een reeks dichtbundels moet er altijd één het debuut zijn, en René van Densen besloot meteen van wal te steken met een titel die ironisch en zelfrelativerend is. Het is niet eens zijn dichtbundel maar een duo-dichtbundel samen met Bob ‘Bobadas’ Minne, die met zijn zevende dichtbundel al fors de diepgang in ging. De afbeeldingen op beide kaften tonen dan ook de stationstrap in Roosendaal – tussen Gent en Tilburg de halfweghalte – waar Bobadas’ kaft van boven naar beneden ‘kijkt’ en Van Densen’s kaft van onderaan naar boven.
Maar René had al een flink arsenaal aan podiumteksten en daar zitten achteraf nog best een paar aardige teksten bij, die de tand des tijds aardig doorstonden.


