Ogen, overal ogen


Verhaal door René van DensenSecuur, zou ik het noemen. Zelfs letterlijk met het puntje van de tong rechts uit de mond. Het zwart maakte hij ook echt diepzwart. Toen hij een stap achteruit deed om het resultaat te bewonderen, zag ik het ook – hij had een oog geschilderd. Tevreden schudde hij nog even met zijn spuitbusje en stak die behendig terug in zijn jaszak. Vervolgens maakte hij zich haastig uit de voeten.

Mensen liepen massaal voorbij zonder één blik op het oog te werpen. Maar ik werd er nieuwsgierig van. Gehurkt inspecteerde ik de afbeelding grondig. Er was absoluut iets mee, maar geen idee wat. Ik hurkte andersom en volgde de zichtlijn van het getekend oog. Daar zag ik enkel een vertrapt frisdrankflesje. Even bleef ik zitten want misschien zag ik het fout, maar er was niets bijzonders. Het oog was op een kapot flesje gericht. Beteuterd stond ik op en liep door.

Enkele straten verder zag ik nog een oog. Op een schuingereden paaltje. Wederom bekeek het ogenschijnlijk niets bijzonders. Een hondendrol, met een uitgestreken voetafdruk erin. Straat verder, weer een oog. Blik op een platgewalst muntje op een tramrail. Een oog verderop bestudeert aandachtig een propje papier. Ik vouwde het open: boodschappenlijstje met enkel ‘brood’ en ‘fruit’ erop. Terwijl ik de boodschap probeer te ontcijferen, komt de knaap woedend aangelopen. Hij grist het papiertje uit mijn handen, frommelt het terug op, en plaatst het zorgvuldig in het zicht van het oog. Om dan de straat weer uit te struinen. Ik knipper even met mijn ogen en dan ga ik toch nieuwsgierig achter hem aanstappen.

De hoek om blijkt hij spoorloos verdwenen. Maar in alle richtingen zie ik ze. Ogen, overal ogen. Ze staren naar elke onbenulligheid die er in de straat te vinden is. Opzettelijk. Ik ga leunend tegen een muur zitten en staar naar een veertje waar een ander oog diepzinnig naar aan het staren is. Soms kun je maar het beste meedoen.

Feestjes


Verhaal door René van DensenJe hebt van die mensen die als ze een boek hebben uitgelezen, dat in een kast bewaren, als een trofee van de afgelegde route, en zo hun huis volbouwen met uitgelezen boeken die ze daarna nooit meer aanraken. Helaas voor mijn boekverkoop ken ik dergelijke mensen te weinig. Met statistische inschatting en logisch redeneren concludeer ik echter dat ik dergelijke mensen minstens in een fors aantal in mijn leven heb gekend. Ik heb veel mensen gekend en daarna ongekend, dus daar moeten mensen tussen zitten die hun boekenkasten volbouwen met leestrofeeën.

Dat schiet door mijn hoofd als een oudklasgenoot mij een uitnodiging stuurt voor een reünie. De reünie is niet enkel met haarzelf. Dat zou mijn lief vermoedelijk raar vinden, ikzelf trouwens ook. De oudklasgenoot is iemand die ik heel goed ongekend heb, beduidend beter dan dat ik die gekend heb. Ze doet leuke dingen tegenwoordig, vertellen de sociale media mij, dus dat valt dan weer mee. Altijd leuk als oudklasgenoten zich ontwikkelen tot echte mensen in het leven.

De reünie is van mijn oude school, en niet eens enkel voor de schoolgaande mensen van mijn schooltijd, maar voor alle afstudeerjaren. De oude school pakt groot uit met een all-inclusive reünie. Iedereen bijeenbrengen, is het concept. Ik ga nooit naar reünies. Ik vlucht vooruit in het leven en keer nooit heen waar ik vast om een goede reden van ben weggegaan. Wat ik me van school herinner bovendien is dat ik iedereen stom vond, statistisch tenminste. Uitzonderingen maken het je overal lastig te generaliseren. Of bijna toch.

Wat ik wel doe, is gaan naar reünies van scholen of werkgevers of verenigingen waar ik nooit deel van uitgemaakt heb. Daar struin ik het internet voor af tot ik er een vind die niet al te lastig reizen is. Ik trek een kostuum aan waarvan ik inschat dat ik goed in het gezelschap ga passen – een dierenartsreünie is toch anders dan die van een djembé-ensemble en kantenklossers kleden zich anders dan bankdirecteuren – en ga me daar voordoen als een collega of vriend of verenigingslid die zich de anderen nog levendig herinnert. Zij voelen zich dan enorm schuldig dat ze mij niet herkennen, waarop ik passief-agressief zeg dat het wel oke is. Als ze dan, zich opgelaten voelend, vragen wat ik tegenwoordig doe, breng ik het gesprek op mijn schrijversschap en zo verkoop ik nog af en toe eens een boek.

Dat is eigenlijk de enige reden dat ik wel eens op een feestje kom. Om boeken te verkopen aan mensen die mijn werk nog niet kennen en dus geen geldige reden hebben om geen boek aan te schaffen. Voor de rest heb ik op feestjes meestal bar weinig te zoeken. Daar heb ik nu zelfs een boek over geschreven, over feestjes waar ik bar weinig te zoeken heb. En ik organiseer als presentatie van dat boek een feestje, waarop een boel mensen zich zullen afvragen wat ze er te zoeken hebben. En met wat geluk verkoop ik aan die mensen een boek. Dat ze thuis in de trofeeënkast kunnen plaatsen.

Ik mail de klasgenoot dat ik nog niet weet of ik kom en loop naar mijn eigen boekenkast. Behalve stapels onverkochte boeken staat er een boek in van Joubert Pignon. Ik had er twee maar laatst ging ik naar een feestje. Ik bedacht me op het laatst dat ik geen cadeau had, en als je zonder cadeau aankomt vinden mensen het toch minder leuk, dat je aan de gasten je boeken gaat lopen verkopen.

Dingen kunnen


Verhaal door René van DensenBronstig zingen powertools enkele huizen verderop hun productieve paringsliederen terwijl ik weer eens, met een koffie in de hand en pantoffels aan de voeten, over het pleintje voor mijn huis staar. Aan de andere kant van mijn straat zingen politie- en brandweersirenes hun repliek. Het is een kakafonie van menselijk kunnen en ze kunnen er wat van.

Ik ben vandaag niet zo zeker van de dingen die ik denk te kunnen. Dat kan gebeuren. Zo ben ik veel dagen best vaardig in het uit elkaar houden van mijn extreem eenkennige poes en de hondsbrutale, speelse jonge kater van mijn buurman, die haar tegen beter weten in de ganse dag hallo komt zeggen. Rennend, paniek zaaiend bij mijn gillende kat. Vandaag trekt hij zich niets van mij aan, ben ik duidelijk niet imposant. Kunst, met al dat lawaai in de buurt kan ik er moeiteloos nog bij.

Concentreren kan ik me vandaag ook al niet. Ik sluit de deur en strek me uit op het tweepersoonsbankje in mijn woonkamer. De kat springt direct op schoot. Ze herkent wanneer ik het allemaal even iets minder aan kan. Ik spreek tegen haar: “Ik kan het heus wel hoor, poes.” Ze knikt niet maar oogt toch beamend. “Als mensen me nu iets minder lastig vielen met die onpraktisch praktische zaken en ik me gewoon kon richten op de dingen die ik kan, dan zou ik ze misschien nog beter leren kunnen.” Poes knijpt de ogen eens bijeen. Ze spint. Dat betekent dat ik gelijk heb.

Plots zwijgen de powertools en begint een man luid te schreeuwen. Het lokt de sirenes aan. Oorverdovend jagen ze door mijn straat en ik vergeet wat ik ook alweer aan het denken was. Een slok koffie dan maar. En zo weer verder. We doen wat we kunnen, immers.

Pet


Verhaal door René van DensenIk leg een pet voor mij op het trottoir en ga gehurkt zitten. Dan kraak ik mijn knokkels en begin te schrijven. De mensen lopen door, naar hun werk, druk in de weer met prikplankjes voor hun neus. Sommigen praten tegen de prikplankjes, vertikaal op hun hand. Niemand beweert dat wat ik doe geen werken is, maar hun wegkijken spreekt boekdelen.

Al dagen achtereen schrijf ik me hier suf, maar de opbrengsten vallen tegen. Een zeldzame lezer gooit soms net genoeg in mijn pet dat ik ergens een bescheiden broodje kan halen, daar houdt het mee op. Toch zit ik hier flinke werkdagen te schrijven. Sommige mensen stoppen en kijken even toe, mompelen dan dat hun zoontje van acht dit ook kan schrijven en lopen door. Ze lopen opvallend vaak een friettent twee deuren verderop binnen en komen dan met een frietje met mayonaise naar buiten. Ik vraag me af of hun zoontje van acht ook een frietje mayo kan maken.

Een heel blije man komt een euro in mijn pet gooien. Ik knik dankjewel en schrijf verder. Maar zo makkelijk kom ik er niet vanaf. Hij vraagt of ik ook verzoekjes schrijf. Iets van Kluun of zo. Of Joubert Pignon. Of Toon Hermans. Ken ik Toon, vraagt hij. Ik knik maar zeg dat ik alleen mijn eigen verhaaltjes en gedichten kan schrijven. Hij snoeft. Dan pakt hij zijn euro uit mijn pet en stampt verontwaardigd weg. Hij roept tegen voorbijgangers dat ze mij geen geld moeten geven, dat ik een charlatan ben, dat ik mijn beloften niet nakom. Dan loopt ook hij de friettent in.

Een man in stropdas kijkt toe. Hij werpt een schaduw over mijn schrijven wanneer hij mij ongevraagd advies toebromt. De man blijkt bij de NS te werken. Hij ging over de omroepen. De man zegt dat hij het woordje ‘en’ geautomatiseerd heeft. Dus als u hoort: “De trein naar Breda en Rotterdam Centraal en Den Haag Centraal,” dan was hij verantwoordelijk voor het woordje en. De man klinkt erg trots. Hij zegt dat hij de Spoorwegen minstens achtendertig miljoen euro bespaard heeft met de automatisering van het woordje en.
Hij schraapt zijn keel en kijkt me aan. Ik kijk terug. De man zucht even en zegt dat ik misschien ook aan automatiseren moet denken. Dat ik daar enorm kostenbesparend mee kan werken. Als ik bijvoorbeeld alleen het woordje en al automatiseer, zegt de man, zou ik schrikken van de hoeveelheid geld die me dat uitspaart.

Ik geef niet automatisch antwoord.

Schouderophalend loopt de man ook naar de friettent. Even later stapt hij weg met een frikadel speciaal.

De dag zit er weer op. Ik pak mijn pet op en stof hem af. Twee euro veertien cent. Voor elf uur schrijven. Ik heb slechtere dagen.

Als ik weg wil lopen, tikt iemand op mijn schouder. Een gitarist. Lang haar. Hij wil weten wat ik voor mijn pet wil. Hij biedt tien euro.

Ik twijfel. Eventjes. Dan geef ik de gitarist een en, knik hem vriendelijk aan, zet mijn pet op. De zon schijnt nog net als ik huiswaarts slenter.

Dingen doen


Verhaal door René van DensenIk moet dingen doen, zeg ik tegen het spiegelbeeld. Dat krijgt spontaan grijze haren van alle dingen die ik moet doen. Ik slurp koffie en de spiegel slurpt mee. Buiten twijfelt het weer er ook op los.

Mijn kat weet het allemaal wel. Dat ik dingen moet doen, en zij vooral niet. Het fijnst is als ik bij de dingen die ik moet doen, toevallig op de bank lig. Dan kan ik multitasken als kattenbed en Persoon Die Dingen Doet. Dat tweede stoort haar dan veel minder. Zonder zelfwarmend kattenbed bied ik haar niet de ultieme Nietsdoen ervaring. Dat laat ze dan merken. In zekere zin is ze dan, miauwend, ook Dingen Aan Het Doen. Zo houden we elkaar bezig.

Ik til mijn shirt op en controleer mijn borsthaar. Er zijn weer nieuwe grijze en witte bij. De jeugd verlaat mijn lijf. De jeugd waarin je onbezorgd Dingen Doet En Laat. Alles is belangrijk en niets is belangrijk in je jeugd. Plots ben je ouder en heb je grijze en witte borstharen en Moet Je Dingen Doen die je steeds minder belangrijk vindt. Misschien word ik een kat. Langzaam maar mogelijk.

Ik miauw tegen mijn kat. Het klinkt verrassend geloofwaardig. De kat kijkt verschrikt rond. Een andere kat, in een ruimte waar er zojuist nog geen was, dat verstoort ook al haar Nietsdoen. Ik probeer geruststellend te spinnen. Dat gaat nog niet geloofwaardig. De kat kijkt me geschrokken aan, sist, en rent de trap op.
Ik strek mijn benen uit. Dat het spinnen nog niet lukt is niet erg. Ik hoef niet inééns een kat te worden. Rustig aan. Dan hou ik nog wat te Doen over.

Zin


Verhaal door René van DensenOok vanavond heb ik weer eens een schrijver te logeren, die bevriend is, een bevriende schrijver zogezegd of zogeschreven, zoals er de laatste maanden wel meer in mijn logeerbed verbleven hebben, waarbij mij altijd een beetje de twijfel bekruipt of ze hun schrijvende vriend komen bezoeken of de mooie en interessante stad waar hij woont waar toevallig iemand met een relatief goede inborst hen wel een gratis slaapplek verstrekt, maar dat zou te toevallig zijn aangezien de bevriende schrijvers van zeer verschillende karakters en stijlen zijn, zoals de ene schrijvende vriend die ik laatst op bezoek had die alles wat er gezegd en gedaan werd, in een zakboekje noteerde, en een andere vriend die heel vaak vind dat ik veel te veel woorden gebruik als ik iets wil zeggen, dat mijn zinnen vaak ook te lang worden, waar ik zelf niet zo veel van merk maar misschien verklaart het waarom ik relatief weinig lezers heb, en dat soort gesprekken en overpeinzingen leiden er dan weer toe dat ik uiteindelijk over schrijven ga schrijven, een fout die veel schrijvers maken en die ik zelf ook verfoei maar als je zoveel met schrijven bezig bent in je hoofd hou je weinig anders om over te schrijven dus dan schrijf je over schrijven en niet over niet-schrijven, dat schrijf ik je op een briefje, al probeer ik best nog wel eens in de gesprekken met bezoekende schrijvers het gesprek over een andere boeg te gooien, maar ook zij zijn de ganse dag met schrijven bezig natuurlijk, dus die boegen niet zelden doodleuk het gesprek weer terug, waarop ik hen meestal dan maar bier aanbiedt om hen te doen zwijgen, want al dat spreken over schrijven, daar wordt een mens ook niet gelukkiger van, meen ik toch, en dat spreek ik heel af en toe ook wel eens uit, mogelijk zelfs vanavond, tegen de schrijver die komt logeren, waar ik nog ooit eens briefwisselingen mee schreef over een keer dat ik bij zijn editie van De Sprekende Ezels zou gaan optreden als dichter, in zijn stad, en nu is hij in mijn stad, om hier bij De Sprekende Ezels te gaan optreden, en hij zal waarschijnlijk verwachten dat ik wel mee ga, maar eigenlijk zie ik hem nooit bij mijn optredens dus ik twijfel nog enorm, en om de twijfel weg te nemen kijk ik of andere vrienden van me misschien mee willen, vrienden die niet de ganse avond over schrijven gaan praten, maar met wat rondvragen blijken bijna al mijn vrienden schrijvers te zijn, wat wellicht ook verklaart waarom ik zoveel schrijvers te logeren krijg, en ik moet dus mijn vriend, de schrijver, teleurstellen zodra hij aan mijn poort staat en vraagt of ik mee ga.
Ik zeg dat ik geen zin heb.

Fostia


Verhaal door René van DensenIk kus mijn vriendin. Ze zegt “sst,” want ze zit helemaal in de film die we kijken. Ik kijk de film mee en zeg: “O, dit is die Duitse film, Fostia.” Boos kijkt ze me aan en zegt: “Nee, dit is die Amerikaanse film Fostia.” Ik twijfel even welke Fostia we aan het kijken zijn. Dan bedenk ik me dat we in bed liggen. Nooit, nooit kijken we films in bed. “Oh nee he,” tetter ik boven het geluid van één van de twee Fostia’s heen. “Wat is er ?” vraagt mijn vriendin. “We zitten in een droom,” mompel ik. “Echt ??” vraagt mijn vriendin. Ik knik en sta op. Met een haastig aangetrokken broek en T-shirt loop ik het huis uit.

Op de stoep roep ik tegen passanten dat we in een droom zitten. De mensen lopen met een boog om me heen. Ze vinden me raar, sommigen zelfs gevaarlijk. Het kan me niet schelen, zolang ze maar weten dat we in een droom zitten, potdorie. Om de hoek loop ik mijn vriend Robbbert tegen het lijf. Robbbert is kunstenaar. Hij kijkt me wazig aan en vraagt wat er is. Ik zeg dat we in een droom zitten, “O, interessant,” zegt Robbbert. “Kom, vertel me er alles over. Maar eerst heb ik een vriendendienst van je nodig.”
Robbbert is een goede vriend die eigenlijk nooit iets al te onredelijks vraagt. Vaak vind ik het eigenlijk best grappig. “Voor jou alles, Robbbert,” zeg ik. “Maar we zitten wel in een droom, dus pas op.” Robbbert zegt dat hij zal oppassen. Onderweg naar zijn atelier vraag ik of hij de Fostia heeft gezien. “Ja,” zegt Robbbert. “Gewéldige Franse film was dat.”

In zijn studio wijst hij me op een gebouwde kooi. De kooi is klein, één bij één, met een stoeltje erin. Hij zegt dat hij bezig is met een kunstwerk waar steeds een vriend een dag lang met bijna niks in de kooi gaat zitten. En dan komen mensen kijken. “Het mag ook een uur zijn, het is in ieder geval niet lang,” haast hij zich te zeggen. Maar mij is het prima, ik wil best eens proberen of ik een hele dag zou kunnen.
Ik vraag wat er wel en niet de kooi mee in mag. “Geen eten, dat krijg je,” zegt Robbbert. “En bijna geen spullen, gewoon een beetje kleren. Je moet je eigenlijk weer een beetje voelen alsof je in het wild aan het overleven bent, dus geen telefoon, geen portemonnee, geen sleutels, geen gereedschappen, geen schoenen.”
“Ik vind het een raar kunstwerk Robbbert,” zeg ik tegen Robbbert. Robbbert knikt. “Ik ook eigenlijk wel een beetje,” zegt hij weifelend.

We gaan eerst naar een ander kunstwerk dat nog in de maak is kijken, in een ander deel van het atelier. Daar zijn heel veel kunstenaars druk dingen aan het maken. Ze zien er allemaal hongerig uit. Tegen elke kunstenaar zeg ik dat we in een droom zitten. Ze lachen en kloppen op mijn schouder, gaan dan hoofdschuddend verder. Robbbert prutst wat aan zijn nieuwe kunstwerk, een soort papier maché kubus. Het duurt mij erg lang. Ik zeg dat ik wel moet gaan straks. Robbbert zegt, “oh, dat is goed, dan gaan we naar de kooi.”
Een vriend die onlangs kwam logeren en verhalen schrijft, komt toevallig net door het atelier gelopen. Gehaast begroet hij ons, hij moet een lezing geven. “Even,” zegt hij. Hij hoort dat we naar Robbbert’s atelier gaan en zegt dat hij dan zo ook wel even langs komt. “Gezellig,” zegt hij, “dan drinken we een biertje of zo.” Robbbert kijkt bedenkelijk: en zijn kunstwerk dan ? Ik ben het er ook niet mee eens, alles voor de kunst. Terwijl de vriend zich haast lopen we daarom stevig door.

Ik werp ferm al mijn bezittingen af en doe mijn schoenen uit. Ik ga de kooi in, klaar om het kunstwerk serieus te nemen. Een dag in een kooi van één bij één kan echter wel koud worden, denk ik. Ik vraag of ik de slaapzak uit de hoek van het atelier mee mag pakken. Robbbert twijfelt maar zegt, “als je dat wilt, moet je het doen. Ik zou het niet doen,” zegt Robbbert,” maar het is nu eventjes jouw kunstwerk, dus doe maar.” Ik besluit de slaapzak mee te nemen en sla hem in de kleine kooi om me heen.
Dan zie ik dat ik het fout heb begrepen. Ik begrijp eigenlijk alles altijd fout. Aan de kooi grenst een grotere kooi. Ik zal daar wel moeten zijn, denk ik, en laat de slaapzak achter. Er liggen grote brokken piepschuim als apenrotsen verspreid. Ik verstop me even achter één rots om rustig rond te kijken. Voor hetzelfde geld heeft Robbbert bedacht dat dit wel een heel leuk kunstwerk is als hij mij en een tijger samen in een kooi stopt. Je weet het nooit helemaal met Robbbert.

Middenin de kooi zit een oudere vrouw. Ze kijkt verward rond.

Ik uit een rare oerschreeuw en verstop me direct weer. Haar ogen schieten rond maar ze ziet mij niet. Dan klinkt er uit de andere hoek ook een gil, en een jongere vrouw, zonder schoenen, springt tevoorschijn. Ze danst als een wilde aap rond de bange vrouw, de echter blij kirt. “Oh, wat goed,” roept de vrouw uit. Ik snap de bedoeling even helemaal niet meer, dus kijk ik wat rond.
Er is al bezoek rond de kooi aan het kijken. Robbbert kijkt, temidden van het publiek, geconcentreerd naar de voorstelling. Hij heeft zijn handen gekruist. Iemand verliest zijn flyer van de voorstelling in de wind en die waait de kooi in. Het ding wappert naast de twee vrouwen, de een nog steeds zwaaiend en huppelend rond de kirrende vrouw. Ik snaai de flyer uit de lucht en lees even.

Er staat op de flyer dat de voorstelling als een droom aanvoelt. En rondom het oergevoel draait, dat het publiek als het ware moet krijgen. Ik denk, “oke,” en werp me vol in het spel. De jonge vrouw en ik gooien poep naar elkaar en gillen wat af. De oudere vrouw klapt in haar handen en loopt de kooi uit, waarna een man met een stropdas de kooi in mag. Wij apen lustig voort.
Zo lustig zelfs dat ik op een bepaald moment verbaasd kijk naar het rotsblok waar ik achter zat. Mensen hebben het rotsblok omgekeerd en zijn die als tafel aan het gebruiken. Er staat drank, er zijn drukke gesprekken over de betekenis van het kunstwerk, de gestegen olieprijzen en de nieuwe Pokémons bezig, en niemand let meer op mijn apengedrag. Robbert staat nu naar de mensen aan tafel te kijken. Buiten de kooi komt mijn schrijvende vriend staan, maar die is iets aan het teksten op zijn telefoon en kijkt niet op.

Ik besluit dat ik genoeg gekunstwerkt heb als het toch niemand interesseert. Stil trek ik mijn schoenen weer aan en doe ik mijn andere spullen in mijn broek. Ik laat het geroezemoes achter en loop het atelier uit. Even kijk ik om. Niemand volgt. De hele straat is leeg. Uit het atelier klinkt lawaai alsof er al honderden mensen bijeen zitten. Ze hebben het supergezellig.

Ik slenter naar huis door stille wijken en loop het huis van mijn vriendin terug binnen. Teder kus ik haar schouder. “Net op tijd,” zegt ze. Ze had besloten toch die andere Fostia maar te gaan kijken, het Japanse origineel dus, en de film begon net. “Mooi,” zeg ik. “Zolang je zometeen maar niet vergeet op te staan.” Dat vindt ze acceptabel.

El Cappo


Verhaal door René van DensenMijn vriendin kijkt geamuseerd naar haar prikplankje. “Ik weet nooit waar ze wonen,” begint ze.
Ik vraag wie er waar wonen.
“Ja nou, die mensen op Facebook,” vervolgt ze.
Die wonen allemaal bij elkaar in één reusachtig studentenhuis, vertel ik. Ze lacht wat schamper en vervolgt.

“Maar deze man hier dus he, die heeft nu dus een selfie van zichzelf op de bank. En altijd met een cappuccino. Dus nu met zijn vrouw en kinderen, ‘het is Cappuccino Time ! Bam.’ En dat zegt hij dus elke keer.”
Elke keer ? Vraag ik verbaasd.
“Ja, kijk, hier is hij bij het zwembad, Cappuccino Time, Bam. Bij de garage met zijn auto, Cappuccino Time, Bam. Net uit bed, Cappuccino Bam.”
Ik grinnik wat. Spelt hij cappuccino wel juist, vraag ik.
Ooit had ik een lief die er een hekel aan had als mensen cappuccino fout spelden. Dus sindsdien let ik automatisch overal op of cappuccino goed gespeld is.
“Twee cees, twee pees,” zegt mijn lief. Ik knik goedkeurend.
Ik besluit dat de man vanaf nu El Cappo heet.
“Maar ook steeds dat Bam ! erbij,” vervolgt ze onverstoorbaar. “Waarom doet hij dat ?”
Ik zeg dat hij het waarschijnlijk expresso schrijft. Ze lult er over heen.
“Hier ook, Kerst, Cappuccino Time, Bam. En honderdachtendertig mensen vinden dit leuk. Waarom vinden mensen dit leuk ?”
Ik zeg dat het geruststellend is. Om de tijd te weten. Blijkbaar is het Cappuccino Time. Ik zie al voor me dat wanneer de man een belangrijke verjaardag viert, aankomt met een speciaal boek, getiteld Cappuccino Time, met al die selfies ingebonden.

Mijn vriendin begint grapjes mee te maken. Maar ineens luister ik niet meer. Ik wil nu dat boek. Ik wil het boek Cappuccino Time, selfies met Cappucino. Bam, op mijn koffietafel. Van El Cappo.
En ik heb zin in koffie om kwart over elf ’s avonds.

Pen


Verhaal door René van DensenIk heb een bevriende schrijver te logeren. Hij is meer dan een vriend, ik beschouw hem als een broer. Bijna. Hij mij iets minder, maar hij vindt het oke dat ik dat vind. Dat scheelt enorm.

Hij schrijft alles op wat er gebeurt. Ik moet geheim houden dat hij met een dagboek bezig is dat gepubliceerd gaat worden. Ik beloof niets. Niet voor niets type ik nu deze woorden. U weet er alvast van. Bofkont dat u bent.

De bevriende schrijfbroer heeft prachtige fictie geschreven, maar voor zijn dagboek wordt serieus geld neergeteld. Mensen willen geen verzinsels meer. Er is een president in America die daar langzaam het monopolie op heeft. Binnenkort wordt zijn patentaanvraag op fictie goedgekeurd. Mensen willen waarheid, zelfs verzonnen. Van bijna naakte mensen op een eiland. Of van mensen samen in een huis. Dat willen de mensen. Geen verhalen meer.

Hij schrijft heel veel wat ik zeg, op. Ik zeg iets, hij schrijft. Ik zeg nog iets, hij schrijft iets dat veel langer is dan wat ik zei. Ik raak aan de praat met een Brit en vertel hem van mijn optreden vanavond. De Brit wil er wel heen. Ik zeg dat ik hem wel instructies geef naar de locatie en voel mijn zakken. Ik heb geen pen.

Ik vraag mijn vriend om zijn pen en schrijf de instructies op. Mijn vriend kijkt beteuterd. Ontmand. Hij kan nu niets schrijven. Hij moet alles onthouden tot hij weer kan schrijven. Ik zet tergend langzaam alle woorden op het bierviltje en maak de richtingaanwijzingen zo gedetailleerd mogelijk. Het bierviltje heeft vrij veel ruimte.

Mompelend gaat mijn vriend een biertje bestellen.