Festivalding (3)


Verhaal door René van DensenOveral zijn mensen, overal zijn ogen. Met gescheurde, vieze lappen stof aan ons lijf en vegen in ons gezicht bewegen ik en mijn geliefde ons behoedzaam door het kamp. Het is puur overleven geworden, proberen de volgende dag ook te halen. Rond ons heen loerend zitten we samen de wacht op ons kleine hoekje in deze wildernis. Vaag herinneren we ons de beschaafde wereld van weleer. Andere tijden. Morgen is de nieuwe horizon.

We communiceren met grommende, algemene geluiden. Taal zijn we vergeten. Als iemand ons kampement nadert, krijsen we luid alarm. Gehurkt en geschrokken wacht de indringer af. We staan schouder aan schouder voor onze voorraad. Aarzelend graait hij in zijn modderige lompen. Ik ben klaar om in actie te springen als hij een wapen trekt.

Het is een stuk fruit. Voorzichtig toont hij het ons. Verbaasd inspecteren we het nader. Fruit ! Echt, heus fruit ! Zoals vroeger ! We leven al zo lang op zompige happen en kunstmatig voedsel dat we ons amper voor de geest kunnen halen hoe vitaminen smaakten. Voorzichtig ruiken we. Heerlijk. Demonstratief heft de indringer het fruit achter zijn hoofd. Poppetje gezien, maar niks is gratis ! Vervaarlijk grommen we hem samen toe. Hij gromt terug, een zakelijke, waarschuwende keelbrom.

Nors hmpfend reiken we gespannen in ons vieze, gescheurde kampwoninkje. Ik trek een blik tevoorschijn. De bezoeker zet grote ogen op. Ik laat het logo op het blik zien, om te bevestigen dat het echt is. De bezoeker lacht enthousiast. Ik werp hem het blik toe, hij ons het fruit. Samen storten we ons op het verse voedsel, terwijl onze visite zich uit de voeten maakt. Trots en blij, met een blikje bier dat géén Heineken is.

Het is puur overleven geworden. Proberen de volgende dag ook te halen. Morgen is de nieuwe horizon.

Festivalding (2)


Verhaal door René van DensenOp het festivalding zijn heel veel optredens en andere gekke activiteiten te bezoeken. Teveel om allemaal te zien en te horen. Daarom rennen de lokale campingkindjes rond en jengelen rond me als ik katerig naar het toilethok sjok. Ze bieden aan om dingen voor me te bezoeken en te beluisteren. Voor een klein bedrag kunnen ze zeker zes bands voor me gaan luisteren, of een workshop bergklimmen in de sauna volgen, wat ik maar wil.

Ik sta stil. Het is eigenlijk pas dag een van het festivalding en ik heb nu al geen zin meer. De kindjes roepen nog wat extra aanmoedigingen. Ze hebben honger naar geld. De deal klinkt me niet gek in de oren. Mijn vriendin is ergens zich al uitgebreid in het feestgedruis aan het storten. Ik ben nog lang niet zo ver. Als de campingkindjes alles voor me bezoeken, kan ik lekker bij de tent een boek lezen en een biertje drinken. Of toch in de tent, want het regent verdomme alwéér. Ach. Slechte ogen heb ik al.

Ik ben blij met de regen. In de zomer loop ik erbij als een wildeman. Waanzin in de ogen, zweet in gutsen langs mijn kaken, strompelend als een zombie. Warm weer en ik boteren niet. Althans, warm weer trekt zich natuurlijk weinig van mij aan, maar andersom ik wel. De regen is welkom dus. Maar de tent lekt. Al vier van de negen boeken die ik meegenomen heb, zijn nu onleesbaar door de lekkage. Ik heb zes pagina’s gelezen sinds ik hier ben. Van twee verschillende boeken.

Terwijl de campingkinderen verdwaald lopen in reusachtige massa’s voor de luidruchtige podia, luister ik naar de vogeltjes die de regen fluitend trotseren. Ritmisch tikt het tentlek mee op pagina dertien. Tik, tik, tik. Veertien.

Festivalding (1)


Verhaal door René van DensenZe is nogal eigenwijs, dus dat ik zeg dat ik niet van feestjes en festivals ben, wil er niet in. Ik moet mee. Naar een festival dat door gigantische hoeveelheden mensen bezocht wordt. Ik word al zenuwachtig in een kleine bruine kroeg zonder lege stoelen. Dus dit gaat goed aflopen.

We zitten in een volgepropt oud Lelijk Eendje en denderen over modderige wegen. Het regent. Op dit festival schijnt het altijd te regenen. Hittegolf ? Zolang dit festivalding er middenin valt, valt het wel mee. Het voorwiel van ons Eendje glibbert in een slijkput. Geen cliché blijft me bespaard, bedenk ik me, als ik achter de wagen sta te duwen en de modder zich spattend op mijn kleren slingert.

We laten de auto ergens achter waar andere vierwielers ook droevig en eenzaam voor zich uit staren. Natuurlijk is er geen praktische ingang. Het is nog een flink eind stappen. En dan volgt er een controlepost waar we moeten wachten terwijl alles gecontroleerd wordt. Want het festivalding heeft tachtigmiljard regels voor wat wel of niet mag. We hebben overal rekening mee gehouden maar gaan er toch maar van uit dat we een grootse controle krijgen. Ik heb schijnbaar een drugssmoel.

We sjokken vooralsnog door een onherbergzaam modderig woesternijlandschap. Beiden zwaar bepakt, al ben ik iets zwaarder bepakt. Met mijn grote voeten plomp ik me vooruit in de dras. Ik kan enkel denken dat ik nu warm op de bank zou kunnen liggen. Met de kat op schoot. Een biertje op tafel. Mijn vriendin vermeldt dat, trouwens, het bier op dit festival sinds dit jaar Heineken is.

Ik sta stil. De regen striemt mijn gezicht, mijn haren, de bagage. Verbaasd kijkt ze me aan. Ik kijk om. De terugweg is lang. Maar het overwegen waard. Zo sta ik er minstens vijf minuten voor ze me verder doorgesleurd krijgt. Plomp, plomp. Ik hoop dat mijn kat lekker ligt. Op die warme bank.

Scheef


Verhaal door René van DensenDe dag start scheef. Ik haat het wanneer dat gebeurt. Dan sta ik bijvoorbeeld vroeg op, maar bij het douchen moet er iets gerepareerd worden en dat lukt natuurlijk niet en gefrustreerd blijf ik ermee doorgaan en voor ik het weet loop ik achter op schema. Slaapdronken én voor niks. Dan is heel de dag eigenlijk al kapot.

Een verstandig man kruipt dan terug in bed en ziet morgen wel weer. Ik ben geen verstandig man. Of liever, dat hebben de mensen liever niet van me. Mensen houden niet van verstandige mannen. Mensen willen mannen die zich grijs en vermoeid in treinen hijsen en over trottoirs voortslepen naar een geestdodende baan van negen tot zes. Die bammetjes eten in de lunch en vergeten zijn te vragen waar hun leven heen is verdwenen.

Als compromis pak ik mijn dekbed mee onder mijn arm de trein in. Ik zoek een vierplekkenbank uit en strek mijn benen. Dan wapper ik de deken uit over de vier zetels. Mijn jas is een prima hoofdkussen. Ik slaap. De hele coupé kijkt ongetwijfeld toe. Maar mijn dag is toch al scheef.

Wijsje

Mijn neus doet
een wijsje
naar de buitenwereld

en gedwee
open ik
de deur.

Buiten is alles
een beetje meer dood
dan gisteren

Regen wast,
maar spoelt de
resten van zomergenot
niet weg

En dan nog
alles, echt alles
dat ruit.

Als nu eens
uit de veren
nieuwe vogels
zouden groeien ?

In mijn gedachten
vreet het afval
al het leven kaal

En voor ik het weet
fluit ik
een wijsje.

De wolken


Verhaal door René van DensenBuiten huilen de wolken. Ze zijn op bezoek gekomen om te zien hoe het gaat. Ik zeg dat de wolken lang niet zijn geweest, en in schaamte hangen ze hun gelaten. Ik vraag of de wolken misschien koffie willen. Zwart, zeggen de wolken.

Als ik met de koffie terug buiten loop, zijn de wolken in de tuin aan het ravotten. Ze rennen rondjes rond de tafel en spelen verstoppertje in de moestuin. Ik ga met een zucht zitten, zet de koffie op tafel en drink mijn eigen kop. Nauwlettend hou ik in de gaten of de wolken de koffie niet omstoten. Straks brandt er zich nog eentje.

Als ze in het blauw drijven, kan ik uren naar de wolken kijken. Zelfs als het er veel zijn. Of te veel. Ze mogen ook regenen. Allemaal niet erg. Fijn dat er wolken zijn, en dat ze er blijven zijn. Maar zo in je tuin krijg ik toch bedenkingen. Éën wolk verplettert een pompoen, een andere prakt de muntplanten. Ik vraag me af of ik de wolken heb uitgenodigd, of dat ze zelf langs zijn gekomen. Ja hoor: daar ging één van de koppen koffie. Als ik ze uitgenodigd zou hebben, vraag ik me af wat me bezield heeft.

Ik zeg tegen de wolken dat het nu wel weer welletjes is, dat ze terug naar het luchtruim moeten. Maar er volgt ferm protest. Ik sputter eventjes, want ho eens even. Maar de conflictontwijker in mij geeft zich snel gewonnen. Ik zeg dat ik even sigaretten ga halen, maar de wolken doen of ze me niet horen en spelen door.

Stilletjes kruip ik het luchtruim in. Ik strek me uit. Lekker veel ruimte hier.

Dansen met bakboter


Verhaal door René van DensenZe kookt niet. Nee, ze danst met bakboter. Fladderend van aanrechthoek naar aanrechthoek, opgewerkt smakkend voorproevend met haar pink. Haar kont schudt. Ik kan aanbieden te helpen, of ik kan toekijken. Stil drink ik dus mijn biertje. Buiten het appartement worden ongetwijfeld mensen doodgeschoten en platgereden. Dat ik een paar paprika’s niet snijd, is niet het ergste dat gebeurt in de wereld.

Er salto’t een kleurrijke keur aan vers voedsel boven de pan, en landt sissend terug in de bubbelende boterbrij. En ze danst vrolijk verder, potjes met smaakjes uit haar kast plukkend. Ik ben niet van de smaakjes en sissende pannen. Ik ben van de piepende knopjes en dzjjjjj-pingg-maaltijden. Stilletjes laat ik mijn neus verder onder de boekrand wegzakken en neem een zo vermoeid ogende banklighouding aan.

Maar kijken, dat doe ik stiekem nog steeds. Kijken hoe ze danst. Danst met haar bakboter. Ik hoor enkel sissen, tjoppen, prakken en deurtjes dichtslaan. Maar zij hoort blijkbaar muziek. Alsof je naar een stille film kijkt, niks hoort, maar wel begrijpt wat er aan de hand is. Onopvallend sla ik de bladzijde om, zodat ik niet op niet lezen betrapt kan worden.

Vind ik niet leuk


Verhaal door René van DensenDe Opperpater zit sinds een tijdje op Facebook. Daar heeft hij inmiddels de vindikleuk-functie ontdekt. Eerst klikte hij overal op vindikleuk. Iemand heeft 11 km gerend. Vindikleuk. Een plaatje dat roept dat ‘ze’ van ‘mijn’ pensioen af moeten blijven. Vindikleuk. Weer iemand anders meldt, tranen in de ogen, dat diens vader overleden is. Vindikleuk. Je kunt met recht spreken van de korte maar consistente Vindikleuk-periode in de ontwikkeling van de Opperpater.

Maar toen bedacht hij zich dat hij niet alles leuk hoeft te vinden. Dus reageert hij nu overal onder ‘Vind ik niet leuk’. Bij alles en bij iedereen. Vind ik niet leuk, vind ik niet leuk. De mensen zijn het aardig beu inmiddels, maar dat weerhoudt dat natuurfenomeen genaamd De Opperpater niet. Niets weerhoudt De Opperpater van de doelen die hij zichzelf stelt, en als hij als missie aanneemt dat hij alles in de hele wereld moet vindiknietleuken, dan zal hij alles in de wereld vindiknietleuken.

Maar eerst moet De Opperpater langs De Supermarkt. In de supermarkt is het bier weer een beetje duurder. Vind ik niet leuk, roept De Opperpater. Het bier blijft even duur, maar het is mooi wel gezegd. De Opperpater bromt tevreden. Er is wel goedkoper bier, maar dat is niet te zuipen, knikker. Vind ik niet leuk ! Hij roept het zo hard, dat een gang verder een jonge vrouw geschrokken omkijkt. Om vervolgens de verpakking theezakjes verder uit te lezen.

Bij de kassa is het totaalbedrag iets meer dan waar De Opperpater op gerekend had. Vind ik niet leuk, brult hij naar de geïntimideerde caissière, die bang naar achteren hangt. Er vliegen spuugdruppeltjes in haar gezicht. De Opperpater geeft haar een vuile blik, knalt zijn muntgeld op haar toonbankje, grist zijn bier mee. Brommend loopt hij de deur uit, die niet snel genoeg open gaat naar zijn zin. Vind ik niet leuk !

Ook de groep donker geklede mannen die hem buiten omsingelt, vindt hij niet leuk. En dat brult hij ze volmondig toe. En dat mes, dat er één trekt, dat vindt hij ook al niet leuk ! Boos steekt hij een omlaagstekende duim uit. Daar hebben ze niet van terug, het schorriemorrie. Want De Opperpater vindt het niet leuk, zo ! Verbaasd doen ze een stap achteruit, naar zijn duim starend. De Opperpater loopt er met krachtige maar haastige stap vandoor. Hij moet op tijd thuis komen, want anders mist hij Eastenders. En dat vindt hij niet leuk !

Anteapocalypse


Verhaal door René van DensenHet wrangste was dat iedereen deed alsof ze van niets wisten. Iedereen wist hoe laat het was. De treinmachinist die te laat het station in reed. De rijen automobilisten die deze file voor hadden willen blijven. De vogels, die steeds meer twijfelden aan de zin om nog naar het Zuiden te trekken.

In dikke drommen bevonden zich de mensen op de weg. Een kluwen van lichaamsvocht, emotie, van taal als wapen waar je de slag niet mee zou winnen. Met botte, roestige woorden sloegen gefrustreerde, afgestompte semianarchisten rond zich heen. En als er niemand was om naar te schreeuwen, dan sprongen ze vlug even het internet op en deden het daar.

Ik sjok zoveel mogelijk in de schaduw en zie platgestampte slakken, sleetgereden vogelresten, en ertussen de dieren die van andermans dood hun brood proberen te maken. De zon en de natuur waren aan de verliezende hand, maar ze waren er nog. Ik kon niet wachten tot het eind van de anteapocalypse. Stil vroeg ik me af of de postapocalypse een einde zou hebben. Hopen. Van niet.

En ik schreef


Verhaal door René van DensenEn ik zag weer dingen en schreef weer dingen maar geen woord op papier want niet alles is voor uw ogen. Ik hoorde en rook dingen en deed mijn gebruikelijke best ze te negeren. Ik hou mijn bui liefst stabiel. Er schuilt woede in mijn hart, maar het mag er niet zomaar meer uit.

Af en toe breng ik de woede een glas water of een kop thee. Dan babbelen we wat. De woede zegt dat hij eenzaam is. Ik zeg dat de woede mij eenzaam maakt. We drinken dan samen ons water of onze thee. En ik schreef. Ik schrijf niet, ik schreef. Nooit schrijf ik in het heden. Je zet woorden op papier, maar je schrijft niet meer. Zodra de woorden komen, ben je aan het schreven.

De woede zegt dat hij me mist. Ik zeg dat hij het goed voor elkaar heeft. Warm bloed, een pompend ritme. Omhelsd door liefhebbende aderen. De woede zegt dat hij zich gekooid voelt. Ik zeg dat het niet de tijd is voor de woede. Hij moet geduld hebben. Traag drinkt de woede van zijn thee en vraagt wanneer hij eruit mag.

Ik zie dingen en ik ruik dingen en ik hoor dingen. Maar ik schreef. En kalm drink ik iets van een doodslaand bier. De zon prikt lijnen in mijn ogen en ik snak naar de rust van de nacht. Zo gaat de zon ten onder in oranje gloed, wanhopig naar mijn pupil reikend. Maar de zon komt niet zomaar meer binnen.

Ik loop over de straten. De mensen die niet van onrust houden, liggen op hun oren en achterhoofden. Sommigen liggen met hun snoet in hun kussens te kwijlen. Morgen mogen ze de dag weer hebben, nu is hij van mij. Mijn zolen ketsen echo’s tegen de donkere huisgevels. En ik schreef.