Alleen een drol


Verhaal door René van DensenIk staar naar het plafond terwijl ongetwijfeld een mijt of mug of vlo me leegzuigt. Mijn kat spint op schoot. Je wil in feite enkel van een drol echt weten hoe die gemaakt is. Al de rest, elk ander ding, is leuker in je verbeelding.

Misschien is dit plafond niet gewoon suf gemetseld, maar uitgestoken uit een plafondenveld. Een grote betonnen vlakte waar noeste vrouwen – mannen kunnen nooit zo’n verfijnd plafond produceren – zorgvuldig de gepaste plafondvakken uithakken. En dan hop, op de wagen en bovenop mijn zichtveld. Zo staar je naar de sterren, zo observeer je een plots plafond.

Ik vraag de poes of ze vandaag een drol heeft gemaakt. Ze spint. Ik neem maar aan van yes. Ik vraag haar hoe ze de drol heeft gemaakt. Met dichtgeknepen ogen staart ze me dolgelukkig aan. Goed hoor, lijkt ze te willen antwoorden. Goed hoor. Geen problemen. Op de ruit striemen herfstige regenstreepjes.

Soms moet je de magie gewoon niet willen verstoren.

Kaas nummeren


Verhaal door René van DensenHet kilgele koelkastlicht spat in mijn gezicht. Slaperig zoek ik even, maar ik kan toch echt maar drie soorten vinden. Met vermoeide nijlpaardogen spied ik over het aanrecht, maar daar ligt ook geen vierde soort kaas. Met mijn vingers woel ik wakkerdronken door mijn haardos.

Ze zei het echt. Mijn wekker ging af, want ik kan op werkdagen niet tot ’s ochtends blijven slapen. Als ik niet vanuit mijn eigen bed opsta, loopt heel de ochtend in de soep. Ik drukte de wekker op snoezelen, ze nestelde zich tegen me aan en zei: “Lieverd, je moet zo niet vergeten de kaas te nummeren.”

Ik moet haar aangekeken hebben met die blik die ik trek wanneer ik bluf dat ik nog weet waar we eerder over gesproken hebben. Of dat ik heus niet vergeten ben wat we afgesproken hebben. Dus ik knik. Stellig vervolgt ze: “Vooral de vierde kaas is heel belangrijk.”

Zou het nog uitmaken welke kaas kaas één is ? Zelf zou ik voor die frisse jonge Goudse gaan op de bovenste koelkastplank. Maar die is natuurlijk wel heel alledaags. Zij gaat denk ik meer voor de blauwe stinkkaas bijna onderin. Dat is echt haar kaasje.

Of toch de knoflookkaas. Ik twijfel. Even wil ik terug de gang in lopen, naar de slaapkamer. Vragen welke kaas nu kaas 1, kaas 2 en kaas 3 is. En waar die kaas 4 dan is. Die zo belangrijk moet zijn.

Dan sluit ik de koelkastdeur. Ik besluit dat zij en ik allebei nog dromen. Even lach ik. Kaas nummeren. Dwaze meid. Zometeen gaat de wekker. Dan ploffen er weer bommen, zinken er weer boten en hebben er weer vliegenkindjes geen eten. Laat staan genoeg kaas om te nummeren.

Schouderhaar

Schouder haar
schouderhaar
het weegt haar
te zwaar

Schouder naar
alles klaar
schouderhaar raar
’t is toch waar

Schouder haar
de lucht in
strelend de wolken
vingertoppen strek

en kietelend
in de benen
van je
schouderhaar

Bubbel

De bubbel die glanst
met dansende zwakte
en een tollige druppel

De wind die likt
met rauwzacht strelen
en scherp stof

Duizend ogen in het
groen, in het zwart,
staren, schatten in

Staren naar
de druppel

waar het de bubbel
zelf
geen moment
om ging.

Schrijvermoe


Verhaal door René van DensenNee, ik ging niet ‘ook iets doen’, verzekerde ik mijn gezelschap. Niet op dit festival. Ik heb schrijversvrij. Dat komt goed uit, want ik ben een beetje schrijvermoe. Ook zou later mijn laptop overlijden. Maar dat wist ik op dat moment nog niet.

Nee, ik was er om te komen luisteren naar schrijversvriendjes. Of blijkbaar: om bezweet aan te komen op een fiets met slappe banden, precies nadat ze klaar zijn met optreden. Om dan in ieder geval pintjes te drinken. Veel pintjes, want de schrijversvriendjes komen met schrijverhoeveelheden schrijverpintjes aanzetten. Een schrijvermens zou er nog schrijvermoe van worden.

Er is iemand in het programma uitgevallen, of ik niet wil invallen. Nee, zeg ik, echt niet. Er zijn ook vrijwilligers tekort op het festival, zegt een ander, dus of ik misschien daar bij zou willen springen. Ik zeg dat ik hier ben als betalende bezoeker, dat het festival die ook nodig heeft. Dat is dan ook weer zo, geven ze toe.

Na een aantal pintjes word ik een hok in gesleept. Een gordijn wordt opengetrokken en er zit afwachtend publiek naar me te staren. Microfoon voor mijn neus. Op de eerste rij zitten kindjes, allemaal keurig geïndoctrineerd om naar kijkhokjes te staren.

Ik vertel een mop. Een racistische piemelmop. Aan de kindjes. Het bierzweet gustst langs mijn slapen. Ik vraag me af of mijn schrijversmoeder trots op me is.

Wie denk je dat je bent


Verhaal door René van DensenDit is gewoon mijn week niet, denk ik berustend terwijl zijn hand mijn keel grijpt. Zo sta je in een lange rij voor de geldautomaat, zo staat er een groep opgefokte kindjes – jongeren mag dit groepje amper heten – oorlogsverklaringen naar je te brullen. Omdat ze zelf voordrongen en jij het lef had er iets van te zeggen.

“Wie denk je dat je bent,” spuugt hij in mijn gezicht, dreigend zijn kop voor de mijne. Ik hou mijn rug recht en zeg kalm terug dat ik denk dat ik iemand ben die in de – hij onderbreekt me en schreeuwt wie ik denk dat ik ben, alsof ik zijn vraag niet gehoord heb. Ik verlies iets van mijn resterende kalmte en brul: Ik denk dat ik iemand ben die gewoon net als iederéén in de rij stond, lul !

Als hij de rij nu niet had gezien of het gewoon niet begreep, dat was één ding. Ik zei toen hij ineens naast de rij vooraan ging staan, kerel, het zijn geen twee rijen, er is maar één automaat. Omdat hij deed alsof hij me niet gehoord had, tikte ik hem op de schouder, waarop hij me ongeïnteresseerd aanstaarde en ik mijn verhaal herhaalde. “Bemoei je met je eigen, loser,” was zijn antwoord en hij draaide zijn rug naar mij terug.

Ik geef toe dat ik hem toen bij zijn middel heb gegrepen en achteraan de rij heb gesleurd. Dat was niet netjes, maar leek op dat moment de enige manier om de rechtvaardigheid van de rij te herstellen. Nu sta ik hier met een hand op mijn keel, geschreeuw vanuit vijf richtingen, en twee omstanders die enthousiast het voorval met hun smartphone filmen.

Ik vraag me af of ik oud ben geworden. Voor mij valt een ander lid van de rij me bij en begint te roepen dat ze moeten dimmen anders belt hij even en staan er zo nog vier mensen bij. Meisjes gillen onverstaanbaar hysterische kreten. De klanken van de jongens versmelten tot een soort wilde apengeluiden.

Ik denk aan liggen in het gras, ver weg van alles en iedereen, met wat wolkjes kalm aan het zonnig blauwe firmament. Misschien een verkennend fladderend vlindertje, ergens nabij. Zo’n dorst had ik eigenlijk ook weer niet.

Opnieuw proberen


Verhaal door René van DensenJe weet dat het foute boel is, zodra de bakstenen uit de huizen naast het spoor de lucht in gerukt worden. Zelfs als je tot dan toe niet zag hoe donker het werd buiten. Als een dreigende mensenmassa dromt een duistere wolkengroep zich boven de coupé. Toch maar even één oortje uit je oor plukken en luisteren of er iets omgeroepen wordt.

Gekraak uit de speakers. Aan weerszijden van de trein vliegen nu ook de huizendaken de lucht in. Hele bovenverdiepingen worden aan stukken gereten en vallen tegen de zwaartekracht in. Met een voorzichtige blik probeer ik te zien waar de restanten van de bouwwerken zoal heen vliegen, maar het is vooral erg donker. Het is dwarrelende stenen en gruis en huisraad, en dan dikke lagen aquarelzwart.

Nog altijd geen omroepstem. De coupé zit niet vol, en ik heb volgens mij als enige door wat er gebeurt. Verderop zit een klein jongetje met zijn neus tegen de ruit te kwijlen. Hij kijkt alsof er buiten slechts een spannende film afspeelt. Mamma is iets aan het prikken op haar telefoonplaatje. De dikke zakenman aan de andere kant van het gangpad ligt te snurken. Zijn stropdas is lichtjes gekreukeld.

Ik klap mijn laptop open. Behoefte aan informatie. Is de wereld eraan aan het gaan soms ? Of is dit gewoon weer zo’n plaatselijke onheilsbui ? De coupéspeaker zegt nog altijd niet veel maar de trein raast voort. Ik probeer de treinwifi te bereiken. De connectie kan niet gemaakt worden. Nog eens. De connectie kan niet gemaakt worden.

Dan hoeft het eind van de wereld ook niet voor mij, besluit ik. Ik klap het laptopscherm dicht en open mijn gratis treinkrantje. Even de sudoku oplossen. Daarna kunnen we de vernietiging van het bestaan eventueel opnieuw proberen. Ik ga er niet aan zonder internetverbinding. Kom nou.

Halloweenbundel

Uitgeverij Heimdall | Allerheiligen, Bezeten WoordenIk meld het wat later dan sommige andere auteurs, maar nog ruim voor het boek uitkomt: althans, hij staat blijkbaar gepland op 15 september a.s. Dan verschijnt “Allerheiligen, bezeten woorden” bij Uitgeverij Heimdall (Allerheiligen, Bezeten Woorden | Uitgeverij Heimdall | 15 september 2015). Zaterdag 3 oktober wordt hij gepresenteerd. Alles ruim voor Halloween oftwel 31 oktober. Griezelig ruim op tijd. Zeg maar zo ruim op tijd dat je er makkelijk achtendertig zombies, zeventien glitterende vampieren, drie ruiende weerwolven en een obees Monster van Frankenstein tussen zou kunnen passen. Met ruimte voor broodjes kaas en koffie. Enfin.

Er zitten 21 zeer verschillende dichters in de bundel, waaronder ondergetekende. De twintig andere auteurs zijn Michelle Andon, Bianca Hazenberg en Gehrard Burgers, Jack van Hoek, Nanna Dillen (tevens voorwoord en redactie), Wouter van Heiningen, Hans F. Marijnissen, Liesbeth de Blécourt, Richard Laan, Magda Thomas, Rick van der Made, Mattie Goedegebuur, Gerhard te Winkel, Ilse Vandenbussche, A.H. van der Elst, Martijn Adelmund, Daan Taks, Ruud Broekhuizen, Vincent Jongman en Derrel Niemeijer. Een uiteenlopend gezelschap, zacht gezegd, voor de nederlandstalige-huidige-poëzieliefhebbers. De bundel richt zich op een jonger publiek middels het Halloween-thema en er staat dus een gedicht van mijn hand in. Enkele exemplaren van dit boekje zullen te zijner tijd ook via mijzelf te bestellen zijn, als daar behoefte aan is. Snel bij zijn, ik zal er maar een paar van de uitgever opgestuurd krijgen, daarna moet u gewoon bij voorgenoemde uitgever zelf zijn. Het is geen heel griezelige man. Op zich is dat dan weer jammer.

Oh ja, om teleurstelling te voorkomen: er staat nogmaals maar één gedicht van mijn hand in dit boekje. En het is ook niet mijn eerste bloemlezing of zo. Hier ziet u een soort van overzichtje.

De tijd kruipt

De tijd
kruipt
als een kind
onbeholpen

Of als roep
in de woestijn
klauwend zand
zonder graven

De tijd grijpt
De tijd stort
De tijd keilt
De tijd trekt

De tijd stuit
en herbegint.

Festivalding (slot)


Verhaal door René van DensenAngstig zit ik verscholen, tot het geluid van de bevrijding zal klinken. Krampachtig klem ik mijn bezittingen tegen mijn borst. Zo dicht voor het einde, zullen ze mij niet te pakken krijgen. Ik zal het verdomme overleven. Het moet. Ik ben zó ver gekomen, nu zal ik niet sneuvelen.

Er klinkt rumoer om me heen. Mensen beginnen met hun tenten te slepen. Ik twijfel nog. Stel dat ze te vroeg zijn. Dat het nog niet voorbij is. De ongelukkigen. Maar het ongeduld wint het toch van de twijfeling. Ik pak haastig mijn spullen en mijn schuilplaats bijeen. Een mok valt in de dikke modder. Verloren, besluit ik. Aan de andere kant, in de vrijheid, daar zal ik een nieuwe mok kopen. Het zal de eerste mok zijn na deze beproeving. Een mok om te vieren. Een mok waaruit koffie nooit meer hetzelfde zal smaken. Stil groet ik de verloren mok en hoop dat die ook nog ooit een nieuwe eigenaar zal vinden.

Armen vol en in euforische stemming sjok ik naast mijn vriendin door de modder. Onderweg naar de auto. Mijn vriendin zegt dat ik altijd zo overdrijf. Maar ik luister niet. De vrijheid is in zicht. Het is voorbij ! De ellende is voorbij ! We mogen naar huis ! Ik zou iedereen wel kunnen zoenen. Stiekem kus ik even de lucht. De lucht van een nieuwe toekomst.