Dansen met bakboter

Verhaal door René van DensenZe kookt niet. Nee, ze danst met bakboter. Fladderend van aanrechthoek naar aanrechthoek, opgewerkt smakkend voorproevend met haar pink. Haar kont schudt. Ik kan aanbieden te helpen, of ik kan toekijken. Stil drink ik dus mijn biertje. Buiten het appartement worden ongetwijfeld mensen doodgeschoten en platgereden. Dat ik een paar paprika’s niet snijd, is niet het ergste dat gebeurt in de wereld.

Er salto’t een kleurrijke keur aan vers voedsel boven de pan, en landt sissend terug in de bubbelende boterbrij. En ze danst vrolijk verder, potjes met smaakjes uit haar kast plukkend. Ik ben niet van de smaakjes en sissende pannen. Ik ben van de piepende knopjes en dzjjjjj-pingg-maaltijden. Stilletjes laat ik mijn neus verder onder de boekrand wegzakken en neem een zo vermoeid ogende banklighouding aan.

Maar kijken, dat doe ik stiekem nog steeds. Kijken hoe ze danst. Danst met haar bakboter. Ik hoor enkel sissen, tjoppen, prakken en deurtjes dichtslaan. Maar zij hoort blijkbaar muziek. Alsof je naar een stille film kijkt, niks hoort, maar wel begrijpt wat er aan de hand is. Onopvallend sla ik de bladzijde om, zodat ik niet op niet lezen betrapt kan worden.

Inbox (3)

Verhaal door René van DensenNa veel gesmeek neemt ze me terug. Mijn vriendin. Niet de literatuur. De literatuur is een absolute cock tease. Wel de volle aandacht willen, maar iets opleveren, ho maar. Mijn vriendin heeft een voorwaarde: ik moet niet meer zoveel zweten.

Ik zweet erg veel. Ik zweet ’s ochtends bij de koffie. Bij elke koffie meer. Ik zweet voor ik op de fiets stap en na ik er vanaf stap. Ik zweet in de trein. Ik zweet lopend naar mijn werk. De hele werkdag zweet ik, de terugweg zweet ik en in bed zweet ik. Daar hoef ik niks voor te doen. Voor wie dat dacht bij mijn eerdere opmerking.

Als men een karikatuur van mij tekent, is dat meestal een zwetend mannetje. Dus ik weet heus wel dat ik zweet. Maar dat moet dus minder. Alsof ik het bewust doe. Ik kan natuurlijk op gaan zoeken waar het zweten door zou kunnen komen. En dat dan minder doen, als dat kan. Maar ik weet nu al wat ik zou lezen. Ongetwijfeld zal het wel weer drank en sigaretten zijn. Drank en sigaretten krijgen van alles de schuld. Ik vind het zielig voor drank en sigaretten. Drank en sigaretten zijn mijn vrienden en ik steun ze door dik en dun.

Met een beetje logisch nadenken komt het zweten minstens zoveel door water, vind ik. Dat is immers wat je uitzweet: water. Maar daar hoor je niemand over. Want water, dat is leven, dat is alles, dat is verdomme het heilige boontje van de vloeistoffenklas. Nou, mooi niet. Dus besluit ik te stoppen met water drinken.

Het doet wonderen, zo blijkt al snel. Ik bestond eerst nog voor twee derde uit water. Maar al snel besta ik veel minder. De kilo’s en het bestaan vliegen er van af. Elke dag besta ik iets minder. Tevreden sta ik op de weegschaal en constateer dat het bestaan alweer wat verlicht is. Ik knipoog naar de waterkraan waar een dikke laag stof op slaapt. Boef, denk ik, jij boef. Hoe je mijn bestaan jarenlang ondraaglijk verlengde. Daar kraan je dan, waterkraan. Daar kraan je dan.

Voor ik het door heb is er een goede week vervlogen. Mijn bestaan is bijna op het nulpunt. Ik ben enkel nog een concept. Met dikke letters probeer ik de aandacht van mijn vriendin te trekken, maar die let niet op concepten. Zelfs niet in haar mailbox. Ik probeer het nog eens met een (3) erachter, ook in dikgedrukte tekens. Niks. Geen klik. Narrig sijpel ik haar inbox in. Daar zweef ik wat ijl rond, maar ik vind geen houvast.

De metalen klemmen in mijn benen die me naar de folder Ongewenst trekken. Die voel ik nog. Daarna vraag ik me af hoe verdampt water zich toch telkens herpakt.

Inbox (2)

Verhaal door René van DensenIn de straten zwalmt de geur van opgedroogd riool. Een man met reusachtig dikke tong stopt met zijn fiets en vraagt of ik een flesje cola heb. De vraag is zo specifiek dat ik verrast nee antwoord, me pas daarna bedenkend dat de bidon water in mijn rugzak nog twee slokken bevat. Maar ik koester de twee slokken, ik moet nog een eindje en wil onderweg niet verschrompelen tot een krent.

Het water staat op rantsoen. Plots versterkt de geur van niet doorgespoelde riolering de wildgeplaste urine die, veilig van wegspoelende regendruppels, ambitieus zijn aroma verspreidt. Zijn ? Urine is toch hopelijk wel mannelijk ? Ik denk aan haar. Niet aan harén, die van mij bungelen plakkerig en vettig langs mijn hoofd en weinig overige kapsels op straat ontsnappen hetzelfde lot. Misschien valt het mee hoe ik ruik wanneer ik aankom waar ik per se door dit helse weer naartoe moet. Deodorant volente.

In de schaduw bel ik even met de literatuur. Overlegje. De literatuur kan dan wel eisen dat ik zomaar mijn relatie afbreek, maar zelf vind ik het helemaal niet zo oke. Had ik me natuurlijk eerder kunnen bedenken, zegt de literatuur. De literatuur zegt dat zij eerst was, de vriendin pas later. Of ik, kortom, anders maar gewoon een keus maak. De literatuur of mijn vriendin. De timing van dit gesprek is lastig. Ik ben knorrig. Dit weer en ik zijn niet voor elkaar geschapen.

Verderop zit een groep buitenlandse expats. Er zit onvermijdelijk een gitaarautist bij. Terwijl de rest praat en drinkt en lol probeert te hebben, zit de aandachttrekker – uiteraard een met wilde mediterrane krullen die ongewassen bungelend dansen bij zijn theatrale snaargeroffel – met zijn hoofd te schudden en goedkeuring af te dwingen. De praters proberen hem te overstemmen, maar zijn klankkast geeft geen decibel toe.

Er zit een knaap in het groepje met een trommel aan zijn voeten. Altijd hetzelfde. Als er zo’n akoestische snaarmongool bij zit, moet de trommelaar wijken. Vermoedelijk heeft hij het eventjes geprobeerd. Meetrommelen. Dat de gitaarautist natuurlijk bewust met ritme ging afwijken om de trommelaar te ontmoedigen. Nu zit de trommelaar een sigaret te rollen. Geïrriteerd. De gitaarautist monopoliseert het muziekmaken.

De literatuur roept vanalles in mijn oor. Ik hang op. Blijf nog even in de schaduw zitten. Ik hoop zo dat de wereld binnenkort weer ophoudt met schreeuwen.

Inbox (1)

Verhaal door René van DensenOp het heetst van de dag klinkt er een ploepk uit de laptopspeaker. En daar staat het dan. Inbox (1). Ik besluit het te negeren. Zo goed het gaat concentreer ik me op wat ik aan het doen was. Ventilator een standje harder.

Maar mijn oog blijft terugdwalen. Wat ik ook probeer, zelfs de zinnen uit de tekst die ik door probeer te werken één voor één hardop in mijn zin uitspreken, steeds weer lonkt de Inbox (1). Met een zucht klik ik er op.

Mailtje van een collega schrijver. Boze onderwerpregel. Hoofdletters. Dat begint niet goed. Uitroeptekens zelfs. Met wat verdwaalde 1-en erin. Ik vraag me even af of ik hem wel moet lezen. Toch bizar, probeert mijn hoofd de situatie te relativeren.

Als er een brief op de mat ligt, loop ik er gerust twintig keer voorbij. Zeker als de envelop een minder prettige zaken voorspellende uitstraling heeft. Rekeningen. Belastingen. Reclame. Zelden valt er eigenlijk iets anders op de mat. Dus als ik Deurmat (1) zou doorkrijgen, zou ik die plompweg negeren. En zeker als ik al ongeveer kan zien dat het geen goed nieuws is.

Ik klik de Inbox (1) van de bevriende schrijver toch open. Ik ben een digitaal kind. Hij is lang van stof. Met mijn kin op mijn vuist lees ik zijn woorden. Dat hij lang heeft geduld dat ik in staccato zinnen schrijf. Zoals hij. Doet. Al lang. Al twee boeken vol. Met zulke zinnen. Geschreven en gepubliceerd. Hij heeft een punt. Beetje. Toch wel. Enfin.

Dat ik nu een vriendin heb. Dat lijkt het euvel. Hij heeft ook een vriendin. Ik schrijf sinds kort over mijn sinds kort vriendin. Hij schrijft al lang over zijn al lang vriendin. Plagiaat. Kort gezegd. Door hem. Plagiateur. Ik. Sommatie. Per direct. Stop. Ophouden. Stop. Kappen. Stop. In naam van de literatuur. Nederlands taalgebied te klein voor twee. Zegt hij. Stop. Zegt hij.

Daar zit je dan, als je mij bent. Ik krab even op mijn achterhoofd. Dan pak ik mijn mobiele telefoon. Ik ben een digitaal kind. Recente nummers. Allemaal mijn vriendin. Ik luister terwijl de telefoon een signaal geeft dat hij belt. Ze neemt op met een verwonderd: “Hallo ?”

Ik leg de situatie maar zo goed mogelijk uit. Dat het niet aan haar ligt. Ook niet aan mij. Dat het de schuld is van de literatuur. Er hangt een ijzig ongelovige stilte op de lijn. Even vraag ik me af of mijn bereik wel goed is. Kijken naar de streepjes. Nee, dat zit wel goed. Ik luister nog eens. Dan hoor ik zacht snikken. En dan niks. Ik kijk. Verbroken. Maar wel vijf blokjes. Dus opgehangen.

Ik zit me even af te vragen wat nu. Dan schrijf ik dit verhaal. Ik geef er als titel aan: Inbox (1). Mensen die het openen maar ondertussen iets in een andere tab proberen te lezen, klikken telkens terug. Ze worden er gek van. En het is een vrij lang verhaal voor mijn doen. Boos klimmen ze in de digitale pen en schrijven me haatmails.

Ik lees gelaten elke mail. Dan zit er plots weer een van de schrijfvriend tussen. Hij zegt dat ik niet op zijn eerdere mail moet letten. Zijn vriendin was geïrriteerd door het weer. Daardoor was hij geïrriteerd en ik de klos. Ik klik mijn hele mailbox dicht en staar naar mijn telefoon. Daar zit je dan, mompel ik. Met je literatuur.

Spuitbus

Verhaal door René van DensenMijn vriendin doet allemaal dingen terwijl ik naar een volledig illegaal gedownloade TV-serie kijk op mijn laptop. Ze krijgt voor die dingen betaald. Als ik zo zou rondrennen zoals mijn vriendin rondrent, zou ik mezelf onderbetaald vinden. Gelukkig hoef ik enkel stil te zitten en mijn serie te kijken. Weliswaar krijg ik daarvoor niét betaald, maar dat neem ik op de koop toe.

Ze rent voorbij en zegt van alles. Ik doe of ik het niet hoor. Ik heb oortelefoontjes in voor het geluid. Ik hoor haar wel gewoon, maar dat hoeft ze niet te weten. Als ze weer voorbij rent zegt ze dat ik wel een biertje mag pakken uit de koelkast, ze is nog wel even bezig. Ik sta op, pluk de oortelefoontjes uit mijn hoofd en sjok naar de koelkastdeur. Met een lekker koud biertje ga ik terug zitten.

Amper heb ik de koptelefoontjes terug in mijn oren of mijn vriendin doet iets op haar balkon. Met een spuitbus. Dan rent ze met de spuitbus en wat ze aan het doen was weer ergens anders heen. Ik concentreer me op mijn serie en wil net een lekkere slok koud bier nemen. Dan dringt de penetrante geur mijn neus binnen. Van de spuitbus. Het verpest onmiddellijk de smaak van het nog niet genuttigde bier.

Ik zucht en zet mijn bier weer weg. De geur onderga ik. Ik neem me voor vannacht haar bed helemaal kletsnat te zweten. Het zal haar leren. Met haar spuitbus.

Lift

Verhaal door René van DensenEr hangt geen spiegel. Dat is wel zo prettig. Spiegels in liften mogen mij niet zo. Het is wederzijds. Natuurlijk had de bekleding wel iets leuker gekund. Mocht zeker weer niks kosten. Ik weet ook niet goed waarom ik de lift neem. Eigenlijk hoef ik maar twee trappen hoog. Makkelijk te lopen. Maar ja. Makkelijker in te drukken.

De lift stopt op haar verdieping. Zo vaak heb ik deze lift nog niet genomen, maar ik sta nu al routineus bij de deur. Met een schok zet de lift zich vast en de deur klikt los. Bij het schuiven gaat het mis. De deur opent tien centimeter en stopt.

Ik wacht even. Ik wacht altijd even. Geduld is mijn nieuwe natuur. Dan druk ik nog eens op het knopje. Niks gebeurt. Ik probeer voorzichtig of de deur niet met enig duwen tot openen aan te sporen valt. Mooi niet. De deur heeft gesproken. Ik blijf in de lift. Vertwijfeld vraag ik me af wat te doen.

Ik kan naar beneden gaan en dan de trap nemen. Maar ook het knopje omlaag doet niks. De lift gaat ook niet dicht. Ik ben een beetje buiten en binnen de lift. En mijn situatie gaat voorlopig niet veranderen, zo te zien. Daarom stuur ik haar een sms, dat ik vast zit. Ze opent haar deur en al snel staat ze hoofdschuddend in de deuropening te kijken. Want ik heb ook altijd wat.

Ik haal schaapachtig mijn schouders op. Eigenlijk heb ik enorme zin in een sigaret. Even rondkijken: ik zie geen opvallende sensoren. Of blussproeiers. Dus steek ik een sigaret aan. Er gaat geen alarm af. Zij is ondertussen even weg. Gelukkig heb ik een boek op zak. Tegenwoordig heb ik altijd een boek op zak. In de ene zak een leesboek, in de andere zak een schrijfboek. De lift vult zich met sigarettenrook.

Haar stem meldt door de liftopening dat de reparateur gebeld is. Maar het kan even duren want het is al laat. Ze ziet mijn boek en vraagt wat ik lees. Ik zeg dat ik dit boek gekocht heb omdat de auteur bij een presentatie in het publiek zat en daarna mee bier dronk. Gemiddeld koop ik na zes biertjes minimaal één boek van andere aanwezige auteurs. Vaak is het een miskoop. Van dit boek weet ik het nog niet.

Wegens gebrek aan interessantere gespreksstof vraag ik hoe haar dag was. Ze zegt dat dit het spannendste is dat er gebeurd was, maar dat de rest van de dag ook raar was. Ik hoor de verhalen aan en steek nog een sigaret op. Even is ze stil. Ik hoor haar weglopen. Zou ze geschrokken zijn van hoeveel ik rook ? Het is niet alsof ik in haar woning rook. Dit is een lift. En zolang ik er niet uit kan, is het mijn lift. Hier woon ik. De sigaret blijft gewoon aan.

Dan reikt haar hand me door de opening een biertje aan. Koud. Ze klinkt met haar eigen biertje en we drinken. Als ik wil, zegt ze, mag ik wel een boek van haar lenen als dit tegenvalt. Ik drink bier. Aan weerszijden van de liftdeur zitten we met de ruggen tegen elkaar. Wel gezellig dit, zegt ze. Als mijn bier op is, zegt ze, dan heeft ze nog wel meer. Ik antwoord dat dit een prima date is, zo.

Erbij geweest

Verhaal door René van DensenZe wil met me pronken en ik heb maar ja gezegd. Zo gaat het immers meestal. En dus ben ik nu op dit feestje. Ik klots wat met mijn biertje en trek een gezicht alsof ik heel diepe gedachten heb. Hopelijk raak ik niet in teveel gesprekken betrokken.

Het ligt niet aan de mensen. Die zijn vermoedelijk prima. Het ligt aan de feestjes. Deze feestjes zijn verzamelplekken voor mensen waarvan de meeste deelnemers een gedeelde geschiedenis hebben. Ze zijn erbij geweest toen dit of dat. En die verhalen worden weer opgerakeld. Het publiek bestaat uit mensen die erbij zijn geweest, en soms enkelen die er niet bij zijn geweest.

Ik ben er waarschijnlijk niet bij geweest. En ik ben uiteraard een meesterverteller, dus wil ik geen slechte verhalen horen over iets waar ik niet bij ben geweest. Zeker niet als andere mensen dan meelachen van oh, ja, en toen, en dan delen van het verhaal meevertellen of tegenspreken. Vertel verdomme het verhaal gewoon van A naar B, pakkend, met een goed getimede plottwist, een beetje vlot taalgebruik. Maak het interessant voor mensen die er niet bij waren.

Op sommige feestjes ga ik daarom heel storend naar onnozele details hengelen. Had je toen zo’nzelfde jas of paar schoenen aan, wat voor weer was het, wacht, wie was er toen ook alweer premier ? Welk bier dronken jullie dan terwijl dat gebeurde ? Allemaal hetzelfde bier ? Nee, wat dronk jij dan ? Interessant, hoezo dronk je niet met de rest mee ?

Als we wat later met z’n tweeën door de nacht lopen, is het heel stil. Als ik er echt zin in heb om het nog erger te maken, merk ik nog wel eens op: “dat was nog best een leuk feestje.” De volgende keer gaat ze bijna gegarandeerd zonder mij.