Naartoe

Verhaal door René van DensenOp de ochtenden dat de koffie klotst en duister in mijn kleding trekt, stel ik u toch de vraag der vragen: waar gaat u eigenlijk naartoe ?

Gaat u ergens vandaan ? Gaat u ergens op een bepaald moment niet meer naartoe ? Of wil u op termijn samen met iemand ergens heen ? Meerdere iemanden ? En komt u terug ? Het zijn wat veel vragen voor de maandagochtend, maar u staat daar te staan op zo’n perron en ik zie u. En ik vraag het me toch af.

Uw haren wapperen in de wind. Stug werkt u door. Maar werkt u echt ergens naartoe ? Wat ligt er aan die horizon ? Waardoor houdt u het vol, houdt u vast, zet u door ? Wat gaat het worden of zijn ? Of bent u juist iets kwijt en moet het terug ? Of moeten uw kinderen iets terug ? Of iets meer dan u ?

U staat er toch maar mooi. Niet ziekgemeld. Onderweg. Naar ergens. En vanavond waarschijnlijk weer terug. We doen het samen, goed ? Even diep inademen. Voor de geest halen waar we naartoe gaan. En dan zult u zien: daar komt de trein al aan.

Als een waas

Verhaal door René van DensenAls een waas, zo verloopt mijn maandag. Ik vloei mezelf de dag door maar het glipt door mijn vingers alsof ik beter in bed was gebleven. Verhalen. Verhalen bij de koffieautomaat. Hoe iedereens weekend was. Ik blaas stilletjes mijn koffie koud en grinnik onopvallend mee. Wanneer mensen vragen naar mijn weekend, doe ik vaag. En zo waas ik mijn dag door.

Als een waas, zo eet en drink ik dingen. Koffie. Brood. Een appel. Allemaal prima. Iets van pasta ’s avonds. We wazen de dag wel weer door. Melk. Water. Hoeveel glazen water zou ik gedronken hebben in mijn leven ? Ik staar naar de blauwe lucht buiten. Wat ik hier doe. Waarom ik niet lekker buiten. In de zon. En ik blik weer terug naar mijn beeldscherm.

’s Avonds trein ik naar huis. Niemand aanspreken. Oortjes in. Muziekje op. Blik vooruit. Als er gekke dingen gebeuren: negeren. Vandaag is geen dag voor belevenissen. Treinconducteur vraagt om mijn kaartje. Uitstappen. Uitchecken. Naar huis.

Thuis kijkt mijn kat me in mijn ogen. Ik kijk terug. Ze heeft prachtige ogen. En ze miauwt want ze wil iets. Even, heel even, leef ik niet als een waas.

Typisch

Verhaal door René van DensenAlsof het bestaat, een typische ochtend, zo typisch gedroeg deze zich. Natuurlijk werd cliché na cliché afgevinkt. Half net-wel-net-niet verslapen. In ondergoed, met één sok aan en een klotsende mok koffie, door het huis hoppen. Een minimum van één kat die halverwege de trap plots stilstaat, de trede over de lengte blokkeert en mij, al struikelend, verwachtingsvol en half bedelend aankijkt om wat aandacht. Het viel me nog reuze mee dat ik geen lekke band had.

Rennen door de regen met gevaarlijke glibbergang. Net op het fluitsignaal tussen treindeuren doorglippen. Tegenover een knul zitten met een hoog voorhoofd, omlijstende wenkbrauwen en witte draadjes naar zijn oren, die naar buiten kijkt alsof hij meer geleden heeft dan Jezus. Een jengelend kind dat haar poppetje wil – bijzonder: het poppetje heeft bruin haar. En natuurlijk minimaal één persoon die geïrriteerd kijkt omdat mijn vingers zo luidruchtig op het toetsenbord ratelen.

Ik heb geen koffie op mezelf gemorst. Dat mag ik zien als atypisch. Ik ben niet omgereden door een even haastige automobilist. Ik ben wél tussen de sluitende treindeuren door geglipt. Er stonden geen beppende Beppen het stoplicht te blokkeren. Ik werd ook alleen wakker, dus hoefde me geen zorgen te maken of ik wel gastvrij genoeg was naar iemand die mee tussen mijn lakens was beland. En geen van de dingen die mijn lezers mij toewensen – geef het maar toe – kwam uit. Maar het allerbelangrijkste: ik heb geen koffie op mezelf gemorst. Het is dus toch geen typische ochtend. Maar het kan nog. Alles kan nog.

Nieuwe vriendjes

Verhaal door René van DensenOmdat het veel goedkoper reist en omdat ik geen ochtendmens ben, reis ik inmiddels met de Latere Trein. Mijn Treinvriendjes van gisteren zijn nu de Halfuureerdermensen geworden. Of, zoals iemand fijntjes opmerkte: ik reis nu met de Directeurstrein.

Er is weinig van te merken. Ook op dit tijdstip kijken de perronbevolkers niet blij. Met als verschil dat er studentjongeren bij zijn. Die waren er op de eerdere tijdstippen niet. Of misschien waren ze er wel, maar niet vocaal. Deze kwetteren er lustig op los. Ik luister een beetje mee, of ik tegen beter weten in iets interessants hoor.

Ondertussen miss ik mijn Treinvriendjes. Het was toch wel fijn een paar bekende gezichten te zien voordat de reis aanving. Voorzichtig gluur ik om me heen of ik misschien geen nieuwe vriendjes kan opdoen. Dit is voor langere tijd mijn vertrektijdstip dus als ik er niet in slaag Treinvriendjes te maken, ben ik verstoken van bekende gezichten. Dan worden de treinreisjes toch wat vervelender. Voor een sociale einzelganger als ik, toch.

Misschien dat mooie meisje daar wel. Ach nee, haal je niks in je kop. Die gaat eenmalig met deze trein en zie je nooit meer terug. En zelfs al stond ze hier elke dag, ze is veel mooier dan jij. Bij gebrek aan bekenden moet je het toch meer in je eigen klasse zoeken. Alleen iedereen in mijn klasse is grauw, bedrukt en stil. Het zijn wachtende standbeelden, murw geslagen door het onderweg zijn.

Met een onderdrukte zucht kijk ik omhoog. Er zweven wolken in het prille blauw. Ik vraag de wolken of ze mijn vrienden willen zijn. De wolken zeggen dat ze niet weten waar ze morgen zullen zijn, maar dat ze nu mijn vrienden wel willen zijn. Blij met mijn nieuwe vrienden zie ik de trein aankomen. Maar zodra ik ingestapt ben en goed en wel zit, merk ik dat de wolken in het blauw zijn achtergebleven. Terwijl de trein het station verlaat, zwaaien ze nog een keer en drijven dan verder.

In het raam kijkt mijn spiegelbeeld terug. Hij ziet er een tikje grauw uit.

Vinden

Verhaal door René van DensenUit het niets staat hij voor mijn deur wanneer ik opendoe. Ik weet niet goed meer waarom ik de deur open. De bel had, dacht ik, niet gerinkeld. Daar staat hij, en hij kijkt me strak aan. Meteen begint hij al: “U ziet er niet bijster wakker uit, meneer.”

Ik denk nog even dat de man een verkooppraatje komt houden. Daar houd ik van, dus open ik de deur iets wijder. Hij glipt direct naar binnen. “Uw gang kan wel een extra laagje witte verf gebruiken,” klinkt het achter me terwijl de man hoorbaar doodloopt naar de woonkamer. Alsof hij hier al jaren woont.

De man komt hier het een en ander vinden, meldt hij me wanneer ik hem zijn koffie aanreik. De koffie is trouwens erg warm en had in een appetijtelijkere mok gemogen. Aldus de Dingenvinder. Ik vraag hem verbaasd of daar geld in te verdienen is. Bij mensen als u niet, kijkt hij met een zuinig mondje in het rond. Ik voel me direct schuldig over mijn schampere inkomen.

De man zegt dat hij erg weinig tijd heeft. Hij moet de hele straat nog afvinden. Ik zeg dat dat niet geeft, dat hij alle tijd van de wereld mag nemen. Hij kijkt nog één keer rond: “Ik vind dat u wel eens mag schoonmaken.”

Ik schud de Dingenvinder z’n hand. Hij schudt hem schuchter terug. Dan drebbelt hij mijn straat af, naar de volgende deur. Voor hij aanbelt, kijkt hij vijftien seconden naar de deurbel en het naambordje van de buren. Volgens mij vindt hij nu al iets.

Aan / uit

Verhaal door René van DensenNog in het duister gaat de wekker aan. De hele dag door gaan er dingen doorlopend aan, en dan weer uit. De waterkoker klikt aan, en als het water klaar is voor koffie, klikt hij uit. Beschaafde mensen doen ’s ochtends hun kleren aan, en ’s avonds weer uit. De vuilnisbak moet deze ochtend aan de straat. Vanavond moet hij de straat weer uit. Structuur is een lastig euvel om mee te leren leven.

Mijn woning ligt vol oplaadbare batterijen en andere dingen die steeds weer aan het stroom moeten. Ik vergeet ze er altijd uit te halen. Hetzelfde met mijn telefoon en mijn laptop en zo kan ik er nog wel meer bedenken. Levensgevaarlijk, al die oplaadbare shit aan mijn huishoudelijke kwaliteiten overlaten. Zodra de vuilnisbak aan straat staat, ren ik terug in mijn woning. Ik ben mijn muziekspeelding vergeten. Dat had ik nochtans speciaal aan de kant gelegd. Ik weet niet meer waarom. Maakt niet uit.

Geld nodig. Prutsen bij de automaat. Ik neem mijn pas uit en mijn geld aan. Ook mijn treinpas moet ik eerst aanpiepen. Ik zie dat ik hem te vroeg aanpiep. Dus piep ik hem weer uit. Ik moet wachten. Op een bepaald tijdstip kost het me minder geld om aan te piepen. Dan nog maar een koffie. Ik loop bij mijn vaste koffieadres aan en even later loop ik er weer uit. We houden ons wel bezig, denk ik terwijl ik de koffiedampen koelblaas.

In de trein zie ik een conducteur aankomen. Direct breekt mij het zweet uit. Heb ik mijn pas wel aangepiept ? Ik kijk hem niet aan, maar voor me uit. Probeer niets te laten merken. Conducteurs kunnen angst ruiken. Hij loopt me voorbij. Op mijn bestemming rep ik me de trein uit.

De zon komt ondertussen onverstoorbaar op. Een of andere onverlaat laat dat kreng de hele dag aan. De zon gaat niet uit. Om er toch maar een structuur aan te geven, mag zij de aarde rond verlichten. Lekker rondjes maken, op, onder. Het is ook een soort aan en uit.

Mijn brein wil nog steeds niet aan. Muziek dus, dat is helder. Koptelefoontjes in mijn oren. Het muziekdingesding wil niet aan. Hij blijft uit. Niet opgeladen. Stom. Daarom lag hij aan de kant, natuurlijk.

Een man voor mij loopt aan de linkerkant van de stoep voor hem, rechts voor mij. Ik loop ook rechts. Hij wijkt niet, ik wijk ook niet. We belanden in stilstand tegenover elkaar. Gevangen in onze structuren. De man kijkt mij aan. Ik kijk hem uit. Uren later gaat de zon onbekommerd weer onder.

Halfuureerdermensen

Verhaal door René van DensenSlaperig en brak kijk ik om me heen. Dus dit zijn ze nou. Ik wist dat ze moesten bestaan, maar nu zie ik ze met mijn eigen ogen. De halfuureerdermensen. De mensen die al op hun bestemming aankomen wanneer ik normaal pas net in mijn trein stap.

Het zijn er veel. Veel halfuureerdermensen. Een aantal van hen kijkt alsof ze iets smerigs gegeten hebben. Anderen hebben een soort gelaten blik die uitstraalt dat ze dit tijdstip als een straf zien die ze uit moeten zitten. Maar waarvoor ze dan gestraft zijn, is me niet duidelijk. Behalve dat iedereen duidelijk een halfuureerderhumeur heeft.

Ik trek mijn hoofd wat dieper in mijn kraag en poog niet te opvallend te staren. De halfuureerdermensen hebben me nu nog niet opgemerkt. Ze denken dat ik ook een halfuureerdermens ben. Maar ik ben een toerist. De rest van de week stap ik gewoon weer in wanneer zij al hun eerste peuk voor de deur van het kantoor uitdrukken.

Ik moet niet deze trein hebben maar de volgende. Een forse meute halfuureerdermensen perst zich in de kleine trein. Ik ben blij want het scheelt enorm veel zure gezichten. Dahaaag, halfuureerdermensen, denk ik stilletjes bij mezelf. Goede reis he.

En dan zie ik een fris om zich heen kijkend, mooi meisje. Kekke hoed op en bambi-ogen waar je in wil verdrinken. Ze kijkt ook verbaasd rond naar de halfuureerdermensen. En dan naar mij, op het perron. Tussen ons schuiven de treindeuren dicht.

Rondjes

Verhaal door René van DensenSandra zit in haar bureaustoel en draait rondjes. Lusteloos plant ze haar hak in het zeil en zet nog eens af. De rondjes zijn net zo zinvol als haar werk. Dus nog maar een keer zwaaien. Net niet hard genoeg dat haar haardos aan de zwier zou gaan. Ongeïnteresseert ratelt de stoel met haar mee.

Het beeldscherm passeert als een onscherpe blur haar zichtveld. Hét beeldscherm, niet het hare. Met hét werk erop, niet het hare. Ze zit op andermans tijd, niet de hare. En ze moet nog vele jaren. Zo’n prins vinden en dan zorgeloos leven, dat wil ook niet echt lukken. Al heeft ze daar ook al jaren geleden vanaf gezien. Allemaal gedoe, zo’n prins. En je wordt er ook geen beter mens van.

Of je dat van dit werk wel wordt, weet ze niet, maar het is toch iets van haar. Of zo. Ze schept toch altijd op dat ze goed werk heeft. Maar ja, dat is wanneer ze er niet is. Wanneer ze er wel is, wil ze eigenlijk alleen maar weg. Soms glipt ze weg om minstens een uur uit het raam te staren op de derde verdieping. Daar komt al anderhalf jaar niemand meer. Allemaal ontslagen. Heerlijk stil daar.

De wereld draait ook maar rondjes, besluit ze. Zou dat net zo ongeïnteresseerd gaan ? Zijn de mensen en de dieren ook maar werk ? Klokt de wereld ooit uit, dat een andere wereld het weer overneemt ? Haar hak plant zich een keer ferm in het zeil en ze zet zich één goede keer af. Zeker drie vollle rondes draait ze daar op.

Goed, zucht ze. En stelt zich weer voor het beeldscherm recht. Terug aan de slag. Nog zes uur en de dag is weer van mij.

Vergevingsgezinde dag

Verhaal door René van DensenIk zeg met een zucht dat ik toch maar geen verhaaltje schrijf. Dagje vrij. Onmiddellijk schiet mijn gezelschap in de lach en roept dat het me wel vergeven zal worden. Het is vandaag een Vergevingsgezinde Dag. Ik lach ook en hef het glas. We klinken. Op 1 januari mag alles, roept iemand een tafel verder. Of dat zo is, wil ik me niet eens afvragen. Vandaag heb ik in ieder geval een dagje vrij. Het mag.

Mórgen, zeg ik, morgen, dan moet ik wel weer aan de bak. Dan moet er geschreven worden. Ja, beaamt het gezelschap. Als je schrijver bent, moet je op 2 januari wel schrijven. 2 januari is géén vergevingsgezinde dag. Ongenadig gaat op die dag de zweep er weer over. Het jaar is dan echt begonnen. Ik staar naar mijn glas en weet niets om over te schrijven. Maar dat is van later zorg. Een zorg van morgenvroeg. Bij dampende koffie en met een afgepeigerde blik naar het beeldscherm. Morgen.

Ik zou zoveel doen vandaag. Allemaal niet gedaan. Het geeft niet. Vandaag is de Vergevingsgezinde Dag. De eerste van het jaar.

Verhuisdozen

Verhaal door René van DensenHet huis staat vol met verhuisdozen. Ze zijn leeg. De dozen die beneden staan, tenminste. Als ik een verhuisdoos vul, zet ik ‘m boven uit het zicht. Op de andere dozen die al vol zijn. Ik wil de volle dozen niet zien. Als er volle verhuisdozen staan, is het écht. Dan ga ik hier écht weg. Aangezien ik nog geen 100% zeker plan heb waarhéén ik ga verhuizen, wil ik me er niet onnodig druk over lopen maken.

Ondertussen reageer ik op beschikbare woningen. Dat gaat tegenwoordig makkelijker dan toen ik in deze stad kwam wonen. Internet was toen niet echt vanzelfsprekend. En e-mail. Maar zolang ik niets zeker weet, focus ik op andere dingen die eraan komen. De volgende werkdag. Nieuwjaar. Boodschappen. Of de kliko aan straat moet. Alles behalve volle verhuisdozen die geen bestemming hebben.

Het gaat goedkomen. Ik vertrouw erop. Althans, ik doe mijn best erop te vertrouwen. Uiteraard ben ik nerveus. Over een week of drie word ik uit dit huis gegooid. Krappe deadline. Maar als ik vertrouw op de flow, komt het goed. De flow heeft me ook net voor de deadline een nieuwe baan bezorgd. Zolang ik actief zoek, en erop vertrouw dat alles goed zal komen, is dat de uitkomst. Kalm blijven. Stap voor stap doorgaan.

De kat is blij met de verhuisdozen. Ze heeft al in elke doos geslapen, gespeeld, gesprongen. Ze heeft geen idee. Geen idee dat de verhuisdozen boodschappers zijn. Boodschappers van het einde van onze tijd hier. We moeten weer verder. Ze was net gewend geraakt. Terwijl ze zich opkrult in een verhuisdoos, kijk ik toe. En met een zucht klap ik de laptop open en kijk maar wéér naar het beschikbare aanbod. Het komt goed, echt, het komt echt goed.