Dagpas

Verhaal door René van DensenMijn vriend de jonge schrijver had het me aangeraden. “Je doet er langer over, maar het scheelt zo tyfusveel geld, man. Je bent een dief van je portemonnee als je het niet doet. De tréin, pffff… Daar kun je echt vier keer van met de bus, geloof me.”

Dus daar sta ik, in de Lijnwinkel. Dat ik graag met de bus van Gent naar Tilburg wil reizen.

“Hoe – van ‘Ent naar Tilburg dan nog,” klinkt het ongelovig. “Met de Lijn ?????”
Ik knik vrolijk van ja. Van tevoren heb ik me ingelezen en voorbereid. Drinken, eten en enkele boeken voor onderweg in de tas. Ik weet van verschillende routes de schema’s en overstappen. Ik weet enkel niet wat de reis kost. Vandaar dat ik het even bij de Lijn zelf ga vragen.

Hij kijkt me verbijsterd aan: “Zijde dan niet een beetje laat vertrokken meneer ?”
Een snelle blik mijnerzijds naar de klok. Half twaalf. Láát ? Om honderddertig kilometer af te leggen met Westers openbaar vervoer ? Het is toch potdorie niet een of ander stuk rimboe hier waar eens in de zes dagen de bus komt ?

Ik antwoord stellig dat ik het op internet heb nagezocht, “het duurt maar een uur of vijfeneenhalf.”
De man kijkt naar zijn scherm, naar mij, naar zijn scherm, naar mij. “Pfoei,” blaast hij, alsof ik geblinddoekt ga bungeejumpen aan een parachute in de bergen. Hij kijkt naar buiten, naar zijn scherm, naar mij, “Pfoei,” herhaalt hij.

“Het is wel enkele reis he, ik hoef niet heen en weer,” verduidelijk ik.
“Ha nee, enkele reis, dat begrijp ik,” roept hij spottend. Hij veegt wat denkbeeldig zweet van zijn voorhoofd.

Ik begin me ongemakkelijk te voelen bij deze vertegenwoordiger van het bedrijf waarvan ik tot enkele minuten geleden wel van verwachtte dat die me een relatief eenvoudige tocht, betrouwbaar zou kunnen doen afleggen. Aan wat voor avontuur ging ik mij hier overgeven ? Zou ik gestrand raken tussen velden en boerderijen ? Zouden er piraten zijn onderweg, de op passerende bussen loeren ?

Ik stel me ineens een dagenlange tocht in een gammele bus voor, met bagage en zwartrijders op het dak, langs steile ravijnen over modderige weggetjes vol steenbokkenstront. Waar elke dertien uur één plaspauze voor de passagiers wordt ingelast, en dan hop weer verder. Waarna je vier uur wacht, kilometers van de dichtstbijzijnste woning af, op een bus die in een horizonstofwolk aan komt hobbelen.

Hij zegt, “ik zal u een dagpas verkopen meneer,” op een toon die zowel vaderlijk-beschermend, als ik-zie-geen-andere-mogelijkheid klinkt, “en dan hopen dat u nergens te diep in de shit geraakt,” terwijl hij me mijn dagpas aanreikt.

“Dag he, meneer,” spreekt hij alsof het de laatste woorden zijn die ik nog zal horen, “en laat nog ‘ns weten of het gelukt is.”
Ik stap de Lijnwinkel uit en besluit een treinkaartje te gaan halen. Fuck this shit.