Logeerhond

Poes boos
Het is de tijd van het jaar dat veel mensen dingen ondernemen waarbij huisdieren niet handig zijn. Zo loop ik een logeerhond op. Mijn kat is het niet met de komst van de logeerhond eens en verstopt zich in de boekenkast. Ik bel met een vriend die ik lang niet meer gesproken heb.

De eigenaar van de logeerhond kent me ook op Facebook. Ik leg mijn idee aan de telefoonvriend voor om de logeerhondeigenaar te bestoken met verzonnen berichtjes van gevaarlijke situaties waar ik de logeerhond in plaats. Dat ik de logeerhond in het bos uitlaat tijdens onweer. Of dat ik de logeerhond opfok om met een pitbull vier deuren verderop te gaan vechten.

Mijn vriend zegt dat dat niet aardig van mij is. Ook de daaropvolgende ideeën kunnen rekenen op zijn afkeuring. Zelfs de heteluchtballonvaart met de logeerhond roept geen enthousiasme op. Het bezoekje aan een chocoladefabriek levert zelfs een misnoegd snoeven aan de andere kant van de lijn op. De reacties van mijn telefoonvriend zijn funest voor mijn inspiratie, want al snel heb ik geen ideeën meer.

Mijn vriend zegt dat ik volwassen moet worden. Ik kijk een tikkeltje beteuterd naar mijn schoot. Op mijn schoot ligt mijn dichtbundel. Ik heb de dichtbundel teruggekregen van een medewerkster van een fatsoenlijke boekenwinkel. De medewerkster vond het toch niet haar ding. Ik heb de medewerkster haar geld teruggegeven. Nu heb ik geen geld voor brood.

Mijn vriend zegt dat mijn problemen niets voorstellen. Hij ligt zelf met een gebroken voet op de bank. Ik heb geen gebroken voet. De logeerhond kauwt op een van mijn gedichten. Het is een gedicht over een dode kat. Vanuit de boekenkast kijkt mijn boze poes het tafereel aan. Dan strekt ze zich uit. Er vallen een paar boeken op de logeerhond.

Oorspronkelijk geschreven op 31 juli 2013, de logeerhond-saga dreigde verloren te gaan in de Facebook archieven

A.Storm, superheld.

A. Storm, superheld
De seconden op zijn horloge tikten hard, maar verbeten zette hij voort. A.Storm, superheld zonder weerga, gaf zich niet zomaar gewonnen. Als hij nog even met al zijn macht zijn handen samenkneep, was de stalen ondersteuning herversterkt en kon de wolkenkrabber de naderende aardbeving weerstaan. Het metaal piepte en knarstte maar het lukte. Bij de eerste rilling van de aarde stond het megalomane bouwwerk stevig genoeg om er de komende vier decennia weer tegen te kunnen, en niemand in het hele pand wist dat A.Storm hen gered had. Daar was hij te bescheiden voor, A.Storm. Hij was al in razende vlucht onderweg naar de volgende noodtoestand. Joe, dacht hij bij zichzelf. Maar niet te lang, want het bezigen van hippe uitdrukkingen getuigt van een zwakke geest en dient derhalve enkel in ironische context plaats te vinden.

Amper ter plaatse zag A.Storm meteen al wat er aan de hand was. Dit snode plan kon enkel ontsproten zijn aan het brein van… jawel, daar zag hij het welbekende sylhouet van Doctor Drausenball. “Doctorr Drausenball !” riep A.Storm de psychopatische superschurk ten halt, met zijn signature imposante bulderende R. “A.Storm !!” piepte Drausenball schril. “Herr Doktorr, de schurk die zich het eeuwige leven bekwam door Hitler zijn linkerteelbal te doneren,” zei A.Storm, terwijl hij wijdbeens in het pad van Herr Doctor ging staan. Stom, die expositie, volledig onnodig, schoot het door zijn hoofd, maar het had effect: gevleid vergat de Doctor even zijn gruwelijke plannen. Exact lang genoeg voor A. Storm om de vijfvoudig gelaagde nucleaire bom te ontmantelen en de Doctor in de kraag te vatten.

A.Storm twijfelde even wat te doen. Hij had al menig schurk als de Doctor ingerekend, maar die achterlijke sterfelijke mensen lieten ze steeds ontsnappen. Het zou zo makkelijk zijn om hem eventjes, slechts eventjes, de ruimte in te slingeren. Gewoon, een seconde of twee. Net genoeg dat al de zuurstof in zijn hersenen… ach nee, dacht A.Storm. Zonder mensen als de Doctor zou zijn werk maar saai worden.

Of nu ja, saai… De dag was nog niet half om of hij had al achttien natuurrampen net op tijd gestopt, vier superschurken ingerekend, de liefde bedreven met achtendertig prachtige vrouwen, zijn dagelijkse topoverleg gepleegd met alle grote wereldleiders, en een wasje gedraaid. Zoveel superhelden-outfits had hij niet en ze wilden wel eens vies worden. Welgeteld had hij nooit rust. Laatst was hij een weekje op vakantie gegaan. Japan was de klap nog niet te boven.

Verdorie, schrok A.Storm terwijl hij op zijn horloge keek. Al zeven voor twaalf. Ik heb een deadline ! In een wervelende vaart verwisselde hij zijn superheldenkostuum voor een geruiten overhemd. Snel woelde hij zijn perfecte haar wat door de war, om nog hooguit een knullige gelijkenis te vertonen met zijn superalterego. In het dagelijks leven was A.Storm namelijk een schrijver en een recensent, om niet ontdekt te worden. Hij schreef onder het pseudoniem AHJ Storm. Via zijn zolderraam vloog hij zijn werkkamer in.

Ongeduldig rukte hij de envelop open die al drie dagen op zijn bureau lag. Natuurlijk lag die envelop er al drie dagen, hij had het druk gehad ! De wereld redde zichzelf niet, potverdorie. Deed ze het maar. Maar hij dwaalde af en de tijd drong. De kaft van het te recenseren boek zag er klinisch uit. Nee he, dacht hij, toch niet weer zo’n schrijver die zonodig de menselijke conditie, met al haar zwakheden, gaat lopen te verkennen. Bijna zeven miljard van die slappelingen op één aardkluit, en millennia aan beschaving, en nog bleven ze maar emmeren over hun kwaaltjes en hun verliesjes en hun verdrietjes. A.Storm had geen zwakheden. Hij snakte naar een boek over die Supermenschlige Kondition. Anderzijds maar gelukkig dat ze zwak waren, die stervelingen. Als ze daadwerkelijk konden reiken naar de hoogten waar hij routineus naar opsteeg, zou het er maar druk worden.

Met de snelheid van het geluid, wat voor A.Storm behoorlijk aandachtig was, bladerde hij door het boek. Jesses. Dialogen. En, zag hij al meteen, sléchte dialogen. Inderdaad, de menselijke conditie. Ziekenhuizen, verdoving, doktersconsulten, bla bla bla. Saaie gesprekken, die niemand mogelijk ook maar iets zouden kunnen interesseren. Hij zou dit varkentje wel vlot even wassen.

Met een perfecte boog smeet hij het boek in de papierbak en stelde zich in zijn bureaustoel. Met de snelheid van het licht brandde hij het boek af – hij was al klaar met tikken en de toetsen smeulden nog na, terwijl Word nog bezig was met de eerste paragraaf. Geduldig wachtte hij een seconde of dertig tot de trage software de weergaloze A.Storm had bijgehaald, en verzond de tekst naar zijn uitgever.

Tevreden leunde hij achterover en keek op zijn horloge. Drie voor twaalf. Hij kon nog nét een terroristencel in Afghanistan oprollen voor de lunch. Hij steeg van zijn stoel op en vloog zijn zolderraam uit met zo’n razende vaart dat hij bijna een vliegtuig raakte. Bijna, want A.Storm weet donders goed wat hij doet. Al vliegende bedacht hij zichzelf alvast wat hij zou nemen voor lunch. Spagetti met geraspte kaas, dat leek hem wel wat.

(Oorspronkelijk gepubliceerd op 10 mei 2011. Elke overeenkomst met bestaande personen is louter toeval.)

In de details (sprookje)

Verhaal door René van Densen

Gefrustreerd trilden de vingers van de Duivel boven het toetsenbord. Kom op, verman je. Die éne email moet nog even weg. Dan door naar het volgende punt op de to do lijst. Voetje voor voetje, stap voor stap. Niet denken aan de enorme bulk werk die iedere dag alleen maar leek te groeien en nooit af komt. Concentreer je. Geachte… wacht, geachte wie ook alweer ? Vertwijfeld greep de Duivel naar zijn horens.

Achterover leunend in zijn comfortabele bureaustoel staarde hij naar zijn computerscherm. Natuurlijk waren het geweldige jaren en kreeg hij dankzij de moderne technologie meer en meer kwaad de wereld in. Alles ging vlotter, eenvoudiger, efficiënter. Waarom had hij dan toch zo het gevoel minder gedaan te krijgen ?

Het installeren van dictators was nog nooit zo eenvoudig geweest. Vroeger moest hij weet hij veel wie weet hij veel wat influisteren, nu hoefde hij enkel een documentje te vervalsen en naar een juiste netwerkprinter te sluizen. Photoshop Elements en een beetje Duivel was wel weer klaar. Mailboxen volknallen met spam, al te positief ingestelde websites DDoS’en, het was eigenlijk te makkelijk. Alles en iedereen was global, woede was met een simpele tweet opgewekt. Het was poepsimpel maar zo veel werk. Heel de dag was hij bezig met dingen die hij maar half meer snapte.

Vroeger ging hij nog wel eens uitgebreid iemand bezeten maken. Dat waren mooie tijden. Ouderwets vakmanschap. Soms waren er dagen exorcitie nodig om hem er weer uit te krijgen. Hij kon er enorm van genieten. Het was tegenwoordig niet meer aan de orde. Enkel dat stomme computerscherm zag hij nog. Vierkante oogjes. En dat oeverloze gelul van al die individuutjes op al die sociale netwerken. Stiervervelend, hele dagen zat hij die brol te lezen en te bedenken waar hij invloed kon uitoefenen. Hoe makkelijk het ook allemaal was, hij vond er eigenlijk geen klap meer aan zo.

Hij staarde naar zijn vingers. Zijn linkerwijsvinger zat op de letter Q te rammen. Hij wist niet zeker hoe lang, maar plots had hij in zijn overpeinzingen het harde DTAM DTAM DTAM DTAM geluid gehoord. Hij staarde terug naar zijn beeldscherm. Geachte qqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqq stond er. Met nog veel meer q’s erachter. Regel na regel na regel. Q, q, q. En zijn vinger tikte door, harder en harder. De Duivel had nooit geweten dat je frustratie en gebrek aan inspiratie met een Q schreef. Plots knapte de Q-knop en vloog door de lucht, om ergens onder te stuiteren.
De Duivel kon het niet echt schelen. Even maakte hij zich lichtjes zorgen over of hij de letter Q niet nodig had, maar zo vaak gebruikte hij die niet. Hij kon prima zonder. Een heerlijk gevoel, eigenlijk. Zo zonder die bijna volledig onnodige letter Q. Bevrijdend ! Al die toetsen ook, waarvan hij de meesten niet eens gebruikte. Zo zou hij zijn hele leven eigenlijk wel eens uit elkaar willen slopen. Alle onnodige troep eruit. Back to basics. Dat je enkel nog overhoudt wat je nodig hebt, al de rest eruit.

Zijn vinger begon op de letter W te tappen. DTAM DTAM DTAM DTAM.

De introverte cactus (sprookje)

Verhaal door René van DensenVoluptueus stond hij daar, de cactus. In de zon. Veel meer doen cactussen ogenschijnlijk doorgaans ook niet. Beetje staan, daar houdt het wel mee op. Soms wat bloeien of groeien. Er zijn heldere aanleidingen dat nog geen cactus het tot geloofwaardige actiefilmster heeft geschopt, wil ik maar zeggen. Enfin, ik zou graag nu beweren dat deze bewuste cactus een uitzondering op die regel was, maar helaas, uiterlijke inactie was ook bij hem van toepassing. Een bewuste cactus was het echter zeer zeker wel. Een ronduit introverte cactus zelfs, durf ik wel te stellen.

Introvert kon hij dan wel genoemd worden, de cactus, maar groen was hij allerminst. Ja, van buiten, maar wederom kon schijn lelijk bedriegen. De cactus had al heel wat gezien in zijn leven. Hij had de broeikassen gezien waar hij en zijn soortgenoten gekweekt waren tot huiskamervriendelijke succulenten. Naast de vetplanten, pff, sprak hem niet van de vetplanten. Over vetplanten hoefde je hem ook niets meer wijs te maken. Die vetplanten met hun gezapige bladeren. Hij moest er als cactus niets van hebben. En dan het transport. En de plantenwinkels. Waar hij met een schuin oog de rozen bewonderde. Met hun sierlijke doornen. Af en toe keek hij dan beteuterd op zijn miezerige stekeltjes en voelde hij zich wat nederig. Maar ook zijn stekeltjes mochten er zijn, uiteraard. Dat wist hij inmiddels al. Hij had talloze rozen zien verwelken. Niet bestand tegen het echte leven, die tere roosjes. Hopeloos.

Al met al mocht hij niet ontevreden zijn over hoe hij het inmiddels voor elkaar had in het leven. Je zou deze cactus niet snel horen klagen, in zijn trotse terrarium. Dat was niet echt een terrarium maar gewoon een glazen plantenbak, maar hij vond het zelf een terrarium. Het terrarium was misschien niet groot, maar hij was wel van hém. De ruitjes waren mooi gepoetst en hij had uitzicht in alle richtingen. Transparantie, dat beviel hem wel. Dat had de wereld hard nodig, meer transparantie. Via zijn ruitjes kon hij mooi de vetplanten in de gaten houden. Want die vetplanten voerden altijd iets in hun schild, zo kende hij ze wel. Hij kon nooit echt pinpointen wat ze nou in hun schild voerden, maar je zag het gewoon. Die vetplanten, met hun eeuwige strawatsen. Een vetplant is en blijft een vetplant. Geen cactus zoals hij, die tenminste eerlijk binnenvet. En van transparantie had de introverte cactus niets te vrezen, hij had immers niets te verbergen. Niets dat je zo kon zien, toch. Nee, hij had zijn zaakjes prima in orde.

Terwijl hij zo zijn morele superoriteit zat te overpeinzen, zakte onopgemerkt voor de cactus de stand van de prille maar felle lentezon onder een ongelukkige invalshoek op het glas. En een klein puntje gefocust licht begon op de stekelige huid in te branden. Eerst merkte de cactus er weinig van. Een kleine rooklucht, dat was alles wat hij waarnam. Maar waar het vandaan kwam, daar moest je hem niet op vastpinnen. Hij had een akelig vermoeden dat het wel weer de vetplanten zouden zijn, want vetplanten, daar komt enkel ellende van. Die hadden nul feeling met cactussen als hij. Nee, hij had weinig fiductie in de wondere wereld van vetplanten.

Na een tijdje begon hij een beetje te koken van binnen. Maar ja, je zou om minder ! Zie ze daar arrogant staan, die vieze vetplanten, in hun schaduwrijke kamerhoek. Nul transparantie, bij die vetplanten. Dat ze maar eens een les trokken uit goudeerlijke, échte cacti als hij. Aan transparantie bij hem geen gebrek, en waarvan akte verdomme. Zijn wereld was heerlijk en helder. Geen vuiltje aan de lucht. Maar die vetplanten die zich maar hulden in obscuriteit, met hun dikke bladeren en hun kromme takken. Het leek wel alsof zij helemaal geen behoefte koesterden aan transparantie. Alsof ze niet begrepen dat transparantie in iedereens belang was !

Zijn verontwaardiging bracht hem helemaal in vuur en vlam. Een vurig betoog op het heetst van de naald borrelde zich in hem op. Niet dat hij het uit zou gaan brullen. Daar was hij toch een te introverte cactus voor. Maar hij vond het wel lekker dat hij het allemaal kon vinden. Met name dat van die vetplanten. Die verdomde vetplanten die volstrekt weigerden enige openheid van zaken te geven.

Langzaam werd het hem rood voor de ogen. En ging hij, zonder het te in te zien, aan zijn gekoesterde transparantie ten onder.

Kiwi’s in de ballenbak (sprookje)

Verhaal door René van DensenVoorzichtig opende de kiwi zijn ogen en keek om hem heen. Felle neonkleuren omringden hem. Even dacht hij dat hij gestorven was, maar de bonte kleurenboel kwam hem weinig sacraal over. Ook de geuren die zijn snavel penetreerden kon hij moeilijk als verheven bestempelen. Maar zomaar iets bestempelen lag ook niet in zijn aard. Voor een kiwi, zelfs voor een kiwi, had hij een danig onderontwikkelde geldingsdrang in de realiteit. Men zou het met een beetje goede wil zelfs faalangst kunnen noemen. Als benoemen ook al niet iets was waar de kiwi liefst ver bij wegbleef. En zo wentelde hij zich nog even in zelfontwijkende faalangst en kleurige plastic ballen. Maar dat kon niet blijven duren natuurlijk. De realiteit zou zich ongetwijfeld weer komen opdringen. Hij kon het beter voorblijven, besloot hij. Halfslachtig. Want besluiten was ook zo zijn ding niet. Hij schudde zijn pluizige vacht behoedzaam en heropende zijn ogen.

Om nu direct te beweren dat de kiwi een onzeker karakter had, zou allerminst voorbarig of ver bezijdens de waarheid te zijn. Een spijker zou pijnlijk in ziijn rust verstoord over zijn kop wrijven bij een dergelijke bewering, zogezegd. Daarom werden daadwerkelijke stappen in de werkelijkheid nog even op de lange baan geschoven. Het was eerder nog even tijd voor daadonwerkelijkheid, dunkte het de kiwi. Een daadpotentie. Het ontkiemen van mogelijke daden en dan een zorgvuldige overweging tot welke daad al dan niet over te gaan, leek hem het beste. Als onderzoeksdaad – een kiwi moet toch wat – draaide hij een klein beetje met zijn hoofd, teneinde zijn directe omgeving beter in zich op te nemen. Felle kleuren in alle richtingen – boven, onder, links rechts voor achter. Een kakafonie van bonte kleurigheid. Het zou hem zorgen baren als zorgen niet onherroepelijk tot acties konden leiden.

Met een bonk botste er iets tegen zijn hoofd. Het was hard en stekelig en was met een vaart tegen hem opgebotst. Gëergerd draaide de kiwi zich om, maar voor hij goed en wel waar kon nemen wat hem zo geraakt had, werd hem een luide groet toegeroepen. “HOI ! Wie ben jij ?”
De onverwachtte vraag deed hem met de ogen knipperen. Hij had er eigenlijk nooit echt over nagedacht. Iemand zijn had nooit tot zijn verlangens behoord, als zodanig had het hem altijd vrij belachelijk geschenen een naam te dragen. Namen maken individueel, identificeerbaar; hij zag zichzelf liever simpelweg als een kiwi. “Ik ben een kiwi,” antwoordde de kiwi dan ook maar.

“WAT LEUK ! Ik ben ook een kiwi !” antwoordde zijn belager. “Maar wat zie jij er gek uit voor een kiwi !” De kiwi, voorzichtige vogel als hij was, kon makkelijk hetzelfde zeggen van de overenthousiaste belager. Voor een kiwi had die beduidend weinig snavel of looppoten. Hij leek meer op een rond stuk bruin harig fruit. Stugharig dan ook nog eens. Daar was niets pluizigs aan, aan die zelfbenaamde kiwi. Nu hij zijn kiwibroeder eens goed kon bekijken, kwam het hem danig voor dat deze kiwi zich geen kiwi mocht noemen. “Nee gij !” sputterde hij dapper en weerbarstig terug. “Alsof jij een kiwi bent !”

“Ik ben al heel mijn leven een kiwi !” lachtte de bruinfruitkiwi. Twijfel bekroop opnieuw onze kiwi – hij was nou ook weer niet zeker genoeg van zijn zaak om hetzelfde te kunnen beweren. Volgens zijn vroegste herinneringen was hij toen al een kiwi, maar hij leefde al voor die vroegste herinneringen, en het was maar de vraag of hij toen ook al een kiwi was. Bovendien was hem maar aangepraat dat hij een kiwi was – het was niet iets dat hij op enigerlei wijze proefondervindelijk had kunnen vaststellen. Deze en meer vragen rezen in hem op en het is veilig om te stellen dat de ontmoeting met de zelfverzekerde bruinfruitkiwi hem danig van zijn stuk bracht. Het liefst dook hij nu weer terug tussen de neonkleurtjes, snavel diep in de vacht gestoken. Maar de praatzieke bruinfruitkiwi ratelde lustig voort.

“Wat geweldig hier hè, in de ballenbak ? Al die kleurige ballen, al die hoeken, al die plekken om te verkennen ! Ik ben al de halve bak over geweest en heb vanalles gezien !” Aha, dacht de kiwi. Al die neonkleurtjes samen zijn blijkbaar een ballenbak. Met het groeiend realiteitsbesef over zijn huidige plaats in de wereld, overvielen hem tegelijkertijd gevoelens van weemoed en angst. Wat comfortabel was het feitelijk toch, om dingen niet te weten ! Onverdroten hakte bruinfruitkiwi door op het escapisme van onze realiteitsvrezige kiwi terwijl hij in uitvoerige details zijn belevenissen, al stuiterend door de veelzijdige ballenbak, beschreef. “Tsja,” mompelde de kiwi. “Ik was enkel hier. In mijn eigen veilige plekje. In het toen nog rotsvaste geloof dat ik een kiwi was.”

“Een kiwi die op zijn plaats blijft is een kiwi die rot !” riep de bruinfruitkiwi vastberaden uit. “En ik weiger te rotten ! Het leven dient geproeft te worden tot de laatste pit ! Geen haar op mijn hoofd die daar niet in gelooft !” De identiteitscrisiskiwi poogde een tegenwerping: “Ervaring is niets zonder reflectie en plaatsing. Zelfs duiding en hoor en wederhoor hebben hun plaatsje in de werkelijkheid. Bezinnen staat alfabetisch voor ervaren !” “Zonder de zinnen geen bezinnen !” riep de hedonistische bruinfruitkiwi terug.

“DE BOOM IN MET JULLIE INDIVIDUALISTISCHE DIALEKTIEK !” bulderde een mensenstem. Beide kiwi’s schrokken en zagen dat een grote, stevige man zich in hun gezelschap had gevoegd. Met een zwaar accent sprak hij beiden toe: “Ik hoorde jullie discussie en weet je, mates, met die zelfgerichtheid kom je nergens – de echte waarde ligt in het collectief, en hoe je daar met hard werk samen iets mee kunt opbouwen !” De kiwi’s keken elkaar verbaasd aan en vroegen zich beiden individueel af wat je in vredesnaam in een ballenbak zou kunnen opbouwen. De mag las hun blik en sprak: “Ik kom van Nieuw-Zeeland. Denk je dat je het daar redt in je eentje ? Geen mens is een eiland ! Enkel tezamen is dat land geworden wat het is. Schouders eronder en wérk verzetten ! Jezelf de genoegens van het leven ontzeggen tot het werk gedaan is, en niet teveel erbij nadenken verdomme !” Mopperend gaf de bruinfruitkiwi hem als repliek: “Wat is dat voor dogmatisch stoïcijnse nonsens ? Een beetje kiwi houdt zich wars van dergelijke middeleeuwse ideeën.” De man schudde zijn hoofd. “Navelstaren en hedonisme zijn listige verleiders, maar het echte leven vind je in werken voor en met elkander.” Schril schreeuwde de bruinfruitkiwi naar hem: “ER IS MEER IN HET LEVEN DAN WERK ALLEEN ! JE MOET GENOT OOK EEN PLAATS GEVEN ! IEDER HEEFT MAAR ÉËN LEVEN !”

Prompt greep de Nieuwzeelander de bruinfruitkiwi in zijn knuist en vrat ‘m op. Zonder er één woord en één gedachte aan vuil te maken.

De wervelstorm aan filosofische belachelijkheden deden de identiteitscrisiskiwi duizelen. Hij gilde het uit, rende weg, en verstopte zich tussen de kleurige ballen. Weg van die nonsens ! Die neorealistische malligheid kwam hem de snavelgaten uit ! In een hoek kroop hij weg tussen de veelkleurige ballen, stak zijn snavel in zijn vacht, en sloot zijn ogen. En de hele wereld verdween. Inclusief de verteller dezes.