Geiten

Verhaal door René van DensenHet is feest in Prozacstad en dat mag gevierd worden vinden de mensen. Ze staan in een dikke drom voor het doorkniplint de burgemeester aan te gapen. De burgemeester praat lang en vooral onverstaanbaar. De reusachtige dure speakers aan zijn weerszijden galmen dwars door elkaar heen. De mensen trappelen stilletjes en hopen dat hij snel de ceremoniële schaar zal pakken. Zodra het lint officiëel twee linten is gemaakt, stroomt de drom mensen toe. Ze moeten de winkel binnen.

In de reusachtige winkel verkoopt men vlees, in alle soorten en maten die je in de andere grotere steden ook vindt. Eindelijk, nu ook thuis verkrijgbaar, verzucht de drom. Een oudere man met droevig gelaat staat achterin de drom maar houdt zijn mond. Hij heeft geleerd enkel in stilte nog aan zijn winkeltje te denken dat tegen de vlakte moest. Hij verkocht ambachtelijke lariekoek. De laatste lariekoekbakker van het land. Maar de tijden zijn veranderd en de mensen kopen geen lariekoek meer. Zijn droom is verkruimeld en overwalst.

Blij verandert de drom in een rij voor de balie waar de welbekende worst verkocht wordt. Deze exclusieve worst wordt steeds, stuk voor stuk, uit één gehele geit vervaardigd. In elke worst zit vlees dat maar uit één geit tegelijk komt. Er wordt uit veilig- en gezondheidsoverwegingen geen vlees gemengd. Niet een beetje van die of een beetje van die. Het mag wat kosten. Maar dan heb je worst waar je het tenminste écht van weet.

En er wordt niets verspild: het beenmerg, de hoeven, de hoorns, alles wordt er op heerlijk smakelijke wijze doorheen gemalen. Lekker groffe portie zout en kruiden erbij en een strak worstenhuidje erom. Op de seconde nauwkeurig afgebakken in hypermoderne geautomatiseerde massaproductie. Zodat hij hetzelfde smaakt als in alle andere steden. Elke keer weer.

Speciaal voor de opening wordt een heel festival georganiseerd. Worsten overal. Broodje worst, worst uit het vuistje, worstentaartjes, worstensoep, worstensmoothies. De mensen in Prozacstad laten het zich allemaal goed smaken. Het oude mannetje ook. Na enkele happen al geeft hij toe, dit was wat de stad nodig had. Meer eengeitsworst.

In een ver land klinkt jammerlijk mekkerend geitengeschrei. Maar dat kun je in Prozacstad gelukkig boven het feestgewoel niet horen.

Maden

Verhaal door René van DensenProzacstad wordt overspoeld door een nieuwe rage. Het begon eigenlijk heel klein. Een enkel vliegeneitje in een vuilnisbak. Maar al snel kroop er een dikke made in de bak rond, en dat bleef de buren niet onopgemerkt. Men moest toen ineens allemaal mades hebben in hun prullenbakken. De vliegeneitjes waren niet aan te slepen.

Vervolgens moet je er wel wat mee, natuurlijk, met die maden. Je moet niet denken dat als je een paar maden hebt die rondkruipen in je vuilnis, je het al helemaal gemaakt hebt. Nee, net als alle andere rages kost ook deze werk, aandacht voor detail, biedt de madentrend talloze mogelijkheden om op unieke, eigen manier uit te blinken in de kolkstroom van collectief kuddegedrag.

Daar loopt hij door de straten. In de blakerende zon. Hij laat het zien. En ze kijken. Vanachter de gordijnen. Afgunstig. Verwonderd. Bewonderend. Het maakt hem niet uit. Als ze maar kijken. Kijken naar hem. Met zijn kostuum. Zijn kostuum van levende, aaneengeregen krioelende maden. Ze kriebelen wat, maar eigenlijk zit het heerlijk. Lichter dan hij verwacht had, zelfs. Hij past zijn broek wat aan, het kruis kriebelt.

Ze kijken hem na. De man, gekleed in krioelende larven. Hij is de onbetwiste koning van de rage. Zo ver als hij, dat durft niemand te gaan. Beteuterd staren ze in hun kliko’s. Naar de woelende massa. Tja. Daar sta je dan. Met je doorsnee afvalcontainer. Met je larfjes. Waren ze maar meer als de man. Zo moedig als de man.

De echte, authentieke self made man.

Blijveling

Verhaal door René van DensenJa maar, zei hij. Maar de gezichten keken onacceptabel. Hij wou nog een jamaar uitspreken, maar ja. Zacht sputterde hij tegen dat hij helemaal niet weg wou. Hij was bang voor de zee, allereerst al. En ook geen ruzie. Niet dat het regime hem zinde. Maar dat kon je wegslikken. Daar was bier voor uitgevonden.

Prozacstad wou hem echt ook niet kwijt, verzekerden ze hem. Maar ja. Hij zat met zijn huis op het midden. En een historische locatie moet voor het nageslacht bewaard worden. Jamaar, sputterde hij nog maar eens. Al zijn spullen lagen in dit huis. Zelfs wat herinneringen. De Prozacstedelingen waren onvermurwbaar.

Prozacstad is op dit moment niet in verbouwing, stelden ze. Altijd, al zolang mensen zich heugden, was Prozacstad in herverherverbouwing. De straten lagen open, de huizen lagen in puin. Hier had geen oorlog gewoed, maar dat maakten de Prozacstedelingen zelf wel goed.

En hier woonde hij. Middenin een natuurdeel van de stad, wat toevallig door een festival tot modderpoel gereduceerd was. Onmiddellijk had het gemeentebestuur besloten: dit gaan we preserveren. Want historie. Anders krijgt men het verkeerde beeld van deze stad.

Zijn huis was onberispelijk. Dus moest het kapot. Jammer voor de blijveling. Prozacstad heeft geen plek voor blijvelingen. Hij diende verdomme maar te vluchten.

Spontaan

Verhaal door René van DensenKrampachtig blijft ze achteroverleunen over de andere drie terrasmensen heen. Die houden op hun beurt hun lachende grimassen vol. Hun wangen trillen alsof ze pijn hebben. Ze liggen er al minstens een minuut, terwijl het vijfde lid van hun gezelschap prutst met een telefoonprikplankje. Zonder haar stralen te verliezen roept ze schiet op, schiet op nou.

Één van de drie die haar ondersteunen, vraagt met lachkramp of ze het nou zó warm heeft, omdat haar oksels vol zweet staan. Een ander neemt een snel tussendoorslokje van zijn bier. Neehee, roept de prikplankman, nou moet hij opnieuw scherpstellen ! Beschaamd zet de bierslokman het glas terug op tafel en grijpt het leunmeisje weer vast. Het prikplankje wil blijkbaar inmiddels eindelijk meewerken: er klinken digitaal opgenomen fotoflitsgeluidjes uit.

De prikplankman prikt wat. Is het gelukt, vragen de terrastafelverkrampten. Momentje, zegt de prikplankman. Ze blijven liggen. Met een hunkerende blik kijkt de bierslokman naar zijn natje. Het is enorm warm. Ze zitten al zeker vier minuten in deze houding.

Dan zucht de prikplankman. Nee, zegt hij, nog niet goed. Hoezo, vraagt het leunmeisje, niet scherp ? Jawel, zegt de prikplankman, de foto is scherp genoeg, maar de andere groep heeft een veel spontanere foto. Dat moeten wij ook. Kom, nou even allemaal spontaan. Hij heft het prikplankje en ze krampen hun wangen nog verder, reiken hun handen nog hoger en vervloeken de dag dat iedereen in deze foto’s per se ineens spontaan moest zijn.

Dregberg

Verhaal door René van DensenHet kanaal in Prozacstad wordt gedregd. Het moet af en toe. De troep die uit het kanaal gehaald wordt, belandt op een berg op de kade. Daar mag het drogen en stinken. Er staat een roodwit plastic lintje omheen gespannen. Dit voorkomt dat kinderen spelen op de dregberg. De dregberg vol afval dat in het kanaal lag. Het kanaal waar de kinderen in zwemmen en bootjevaren.

Inhoudelijk is de dregberg weinig verrassend. De inwoners van Prozacstad gooien volslagen fantasieloos afval in hun kanaal. Een aantal verroeste fietsen. Autobanden. Bouwafval. Huishoudelijke apparaten. Nooit eens een dildo. Of een schatkist met goud. Of liefde. De berg is grauw en zwart, en stinkt naar rot. Dat de rot er nog zin in had, verbaast eigenlijk wel. Maar de rot is niet kieskeurig. De rot hapt overal graag in.

Er wordt een Echte Kunstenaar geraadpleegd. Hij loopt rond de dregberg en wrijft over zijn kin. Hm, zegt de Echte Kunstenaar. Moeilijk, moeilijk, zegt de Echte Kunstenaar. Een groep gespannen kijkende ambtenaren staat er verwachtingsvol naast. De Echte Kunstenaar kijkt eens rond, naar de gebouwen in de directe omgeving. Dan naar de lucht. Dan naar de Dregberg. Hij kijkt op zijn horloge en krabt even op zijn achterhoofd. Hm, bromt de Echte Kunstenaar nog eens.

Maar dan steekt hij zijn duim omhoog. Ja. De Echte Kunstenaar heeft gesproken. De dregberg is officiëel een Kunstwerk. De ambtenaren doen een vreugdedansje. Dit betekent dat de dregberg, pardon, de Dregberg, niet alleen niet geruimd hoeft te worden, maar dat ze subsidie kunnen regelen. De Dregberg is een confronterend kunstwerk, zegt de Echte Kunstenaar, dat ons oog in oog stelt met de wegwerpcultuur. De Echte Kunstenaar is zeer te spreken over de Dregberg. De pers maakt foto’s en filmpjes van de Dregberg.

De wijkbewoners fietsen met een wijde boog om het Kunstwerk heen. Niet uit respect. Het Kunstwerk stinkt verschrikkelijk. Maar ja, zeggen de wijkbewoners. Het is kunst, he. En ze halen hun schouders nog eens op terwijl ze met een volle vuilniszak naar het kanaal lopen.

Plaag

Verhaal door René van DensenZwetend slenter ik door Prozacstad. Er moet weer bier uit mijn bloedvaten. Overal om me heen gebeuren dingen. Maar nu even niet, vind ik. Ik koester de bescheiden en door een kater ingegeven mening dat ik voldoende opgeschreven heb van de gebeurtenissen in Prozacstad. Dat iemand anders ze maar even opschrijft.

Er roept iemand heel luid. Meerdere keren. Ik kijk niet op of om. In deze wijk kent vrijwel niemand me, en dat heeft zijn voordelen. Zo weet je dat ze altijd naar elkáár roepen, en niet naar mij. Enkel de kinderen wellicht. Onzinscheldwoorden. Ze kunnen me niet plaatsen, krijgen geen houvast, dus ben ik vanalles wat hen maar te binnen schiet. Een lopende, levende, vrije associatie. Ik stimuleer graag de prille kindergeesten. Misschien komt het goed met ze. Ze gooien me dingen na. Misschien komt het ook niet goed met ze.

Over het gras zie ik wat aan komen hoppen. Ik kijk. Ja hoor, ik vreesde het al. Een idee. Ik versnel mijn pas. Het idee hopt mee. En waar er één idee is, volgen er al snel meer. Een plaag aan ideeën komt aangehopt. Ik begin te snelwandelen. Zweet nog harder. Nu niet, laat me met rust !

Een singer-songwriter jogt me voorbij. Hij zwaait. Hij is gekleed op loopactiviteit. Ik draag mijn kleren van gisteren – ondergoed incluis – en een jas die me voorbereidt op noodweer. Ongeschikt, dus, voor de ongenadige zondagzon. Zo’n singersongwriter heeft het ook maar makkelijk, denk ik. Handjevol teksten schrijven, muziekje eronder – en laten we eerlijk wezen, bij de meeste singersongwriters stelt dat niet heel veel voor, een handvol akkoorden, klaar – en dan de teksten uit je kop leren.

De ideeën volgen de singersongwriter niet. Ik koesterde even ijdele hoop, maar ze moeten echt mij hebben. Zwetend strompel ik zo hard als mijn been toelaat. Ik ken de singersongwriter uit de kroeg. Sterker, ik zag hem gisteren nog. De singersongwriter drinkt meer dan ik. Daar heb ik dan wel respect voor. En dan nu alweer joggen. Ik loop gewoon naar de bouwmarkt vlakbij, en weer terug, om een stom lampje. Er is een lampje kapot in huis. Dat wordt het enige dat ik vandaag wil doen.

Met een wilde omdraaizwaai jaag ik de ideeën weg. Even fladderen ze verschrikt op en kijken me na. Maar al snel volgen ze weer. Ik haat ze, ze vormen de grootste plaag in mijn werkelijkheid. Dan plots word ik omhelsd door een dreigende schaduw. Ik kijk omhoog en herken direct het silhouet van mijn roman. Hoe langer ik niet aan mijn roman werk, hoe groter en enger hij wordt. Hij is reusachtig momenteel. Ik ben verloren. Met scherpe klauwen vliegt hij mijn kop aan, terwijl de ideeën kwekkend rond mijn voeten krioelen. Ik zwaai wild en paniekerig om me heen.

Enkele mensen zitten op een bankje in de zon. Ze zien me wild zwaaiend, hoppend en struikelend passeren. “Daar gaat er weer een,” spreken ze afkeurend. “Zo’n schrijver.”

Hoera

Verhaal door René van DensenOp een bus hoefde ik voorlopig niet te rekenen. Uit verveling stak ik een sigaret op en probeerde niet in te schatten of ik op tijd op het station zou zijn. De wind speelde loom met mijn rookwolk.

Als ik dit opschreef, vroeg ik me af, zou dan iemand het geloven ? Dat er een volkje zou zijn, dat het bestaan van hun leider zou erkennen door dodelijke hoeveelheden alcohol binnen te gieten, hun oude troep te verkopen, snoerharde muziek te draaien en vooral zo primitief en eenlettergrepig mogelijke klanken uit te stoten, terwijl ze zich hullen in felgekleurde, volslagen smakeloze prullaria die nog voor de dag om zou zijn, in grote getale door plassen bier, pis en kots zouden drijven, en met wat geluk minimaal één nieuwe geslachtsziekte op te lopen ?

Voordat ik zelf kon inschatten of ik het zou geloven als het op papier gedrukt stond, stopte er een auto. Een jonge kerel met gouden ketting en zwart stekeltjeshaar boog over zijn blonde vriendin naar mij toe en riep ongevraagd: “Leve de Koning ! Hoera ! Hoera ! Hoera !” Hij toeterde en lachte en liet zijn auto doorrazen naar het stoplicht.

Het stoplicht was tien meter verderop. Met brullende motor bleef hij toeteren en joelen. Het duurde zeker vijf minuten voor het licht op groen sprong.

Drie

Verhaal door René van DensenDe terrasbioloog heeft ineens een baard. Willem met de WK trauma’s kijkt er gefascineerd naar. De Opperpater zegt dat hij drie nieuwe moppen kent. Gelukkig is het terras open: het is na drie uur.

Over die baard, zegt de terrasbioloog, doe ik slechts drie weken. Om te scheren, vraag ik. De terrasbioloog lacht. Geweldig, zegt hij. Nee, zegt de terrasbioloog, drie weken om hem zo vol te laten groeien. Alles groeit momenteel, zegt de terrasbioloog trots. Het is oogsttijd, zegt hij, en dan lacht hij weer. Geweldig, zegt de terrasbioloog.

Willem met de WK trauma’s vraagt of de terrasbioloog zijn wildplasboetes al betaald heeft. Allang, zegt de terrasbioloog bezwerend en zelfverzekerd, en sterker, ik presenteer sinds kort een teveliesieprogramma over terrassen en wildplassen. Het heet ‘Terrassen en wildplassen’. Zijn tafelgenoten, ook ikzelf, kijken elkaar even onder de indruk aan – zo zo, de terrasbioloog op tevelisie. De Opperpater kijkt als enige wat ongelovig voor zich uit. Ja ja, zegt de Opperpater, en hij slurpt zijn biersnor op.

Nee, echt waar, zegt de terrasbioloog, en hij lacht wat. Geweldig, zegt hij. Maar serieus, ik kom dus inmiddels op tevelisie. En dan hangt er ook een portret van mij in een galerij. Bovendien, en hij neemt eerst een stevige slok van zijn drankje, ben ik nu de eerste officiële Wildplasambassadeur van Prozacstad.

Jee, zegt Willem met de WK trauma’s. En je boetes afbetaald, en het zal allemaal wel goed betalen ook zeker ? De terrasbioloog lacht. Geweldig, zegt hij. Ja, dat betaalt best aardig, zegt hij, maar natuurlijk wel allemaal zwart. Hij kijkt mij strak aan: dus niets over opschrijven he ! Zijn blik is streng en kwaad. Zonder van blik te veranderen lacht hij, en zegt: geweldig. Ik voel wat koude van binnen en zeg maar snel dat ik dat heus niet doe. Maar daar mag wel wat tegenover staan, voeg ik er vlug aan toe.

De terrasbioloog lacht, zegt: geweldig. Dan wenkt hij de terrasbediende en wijst naar ons. Ober, zegt hij met een olijke nadruk, drie bier ! Hij lacht: Gewéldig.

Fout, fout, fout

Verhaal door René van DensenWillem met de WK trauma’s komt met twee bier aangelopen. “Wel goedkoop,” verduidelijkt hij de drankkeus. We zitten in een café zoals er gelukkig te weinig zijn. Tien mensen met verlopen dromen hangen aan de toog. De toog is ook een juweeltje: hij lijkt wel uit steigerhout gebouwd. De voorraad schone glazen was kleiner dan die van een gemiddelde bedrijfskantine en de barman keek telkens verbaasd als we weer een bier bestelden. Wat gek: iemand die in dit café bier komt drinken.

Het was overal in de stad veel te druk. Dus gingen we op zoek naar een alternatef. We hebben er eentje gevonden hoor. Deze legendarische aanlegplaats was al fout voor het gebouwd werd. En nu is het net weer herverbouwd. Half. Geld was halverwege op, zo te zien. Er was een brand geweest. En sindsdien is er ook geen overdreven poging gedaan iets van de cult-allure te herstellen. Het café is als zijn bezoekers: simpelweg een opbergbak voor geknakte zielen.

De geluidssprekers – van speakers wil ik hier niet spreken – waren uit de jaren ’70 ontsnapt en met veel te zware bas kwam er de ene na de andere smartlap uit gedreund. Het was helder: we zaten in het zwarte gat van het uitgaansleven. Alles was prachtig: de tafeltjes en geïmproviseerde gordijnen zouden niet misstaan in een gekraakte basisschool. Omdat er toch zo goed als niemand kwam, werd hier het rookverbod aan de laars gelapt. Roken bij een biertje maakt alle cafés in orde, zelfs deze.

Willem en ik lachen. Om de mensen, om de muziek, om het krakkemikkige dranklokaal. Hij slaat op mijn schouder en zegt: Van Densen, vroeger, hier, in de jaren ’80, daar, daar, daar – hij wijst in wat windrichtingen – tak, tak, tak, elk café, ik zweer het je, fout, fout, fout. Nu: leuke tent daar, leuke tent daar, maar dit hier, precies zoals het toen was. Ja, ja, ja, lacht Willem nog even na. Ik ben al blij dat hij een keer niet over zijn WK trauma’s praat.

Nog een nummer knalt uit de luidsprekers. Ja ja jaaaa meisjes, met rooie haaaaren, brullen we mee. En dan komt er een nog fouter stukje kitsch. We lachen al een beetje minder. En er knalt nog een nummer dat we liever nooit meer gehoord hadden door de ruimte. Langzaam kijken we bedrukt. Een half uurtje was dit lollig, maar we zitten hier nu een uur. De uitgang blijkt op slot. Paniekerig rukken we aan de klink, maar ons lot is bezegeld. We zetten ons aan de bar en laten onze dromen verwelken. We komen hier nooit meer weg. Maar het bier is wel goedkoop, is de laatste optimistische uitspraak van Willem.

Mayo

Verhaal door René van DensenDe man spreekt zo verhit dat er kleine druppeltjes rondspatten. Ik probeer wel te luisteren, maar de kwestie is zo oninteressant. Wel of geen mayo erbij. En dan dus gratis. Er zijn mensen die vinden dat gratis mayonaise getuigt van een progressieve, vooruitstrevende blik, een begrip dat de tijden nu eenmaal veranderd zijn. Anderen foeteren dat als je nu ook nog eens de ‘met’ inclusief maakt, er al helemaal geen ‘met’ meer is en ze beter meteen allemaal werkeloos thuis kunnen gaan zitten.

Ik zit op een discussieochtend voor frietbakkers en ik verveel me kapot. Al een kwartier, echt, al een kwartier gaat het erover of de mayo gratis moet worden of niet. Politici zijn ook komen spreken. Volgens sommigen is het allemaal hun schuld, wegens hoge olieprijzen of zoiets, en de politici komen verzekeren dat het daar allemaal niks mee te maken heeft. Het is vast heel belangrijk voor de mensen hier en hun voortbestaan, maar ik ben geen frietbakker. Ja, ik heb wel eens een zak diepvriesfriet in thuisvet gegooid en gewacht tot het lampje uitsprong. En dan even uit laten druppen en zo. Dat wel ja. Maar verder ben ik helemaal geen frietbakker. Dus wat kan het mij boeien of de mayo gratis blijft of niet.

Voor mijn part wordt de frietsaus twee keer zo duur. Dan is hij wel ineens al bijna zo duur als de friet zelf, maar ach. Je hebt mensen die de friet thuis nuttigen en daar zelf mayonaise hebben. Je hebt ook mensen die het allemaal niks kan schelen en die het toch wel betalen. Je weet het niet. Een frietbakker roept woedend dat de overheid al jaren niet meer naar de klachten en schrijvende verhalen van de frietbakkers luistert. Of ze soms frituurvet in hun oren hebben, roept hij. De zaal lacht. Zuur lachen de politici halfslachtig mee, om sportief over te komen.

En dan zijn er hapjes. Bitterballen op een schaaltje. Geleverd door een lokale caterer. Die doorlopend de vette – excusez le mot – overheidsschnabbels binnensleept. Maar dat geeft niet, want de bitterballen smaken iedereen heel goed. Er zijn zelfs worstebroodjes. De bakkers kunnen hun plezier niet op. Onderling praten ze over de kwaliteit van de hapjes. Want het blijft toch wel een beetje je vak, he. Blijft toch je vak. Ik werp één blik op de schaal: geen mayo.