Remspoor

Verhaal door René van DensenIk vraag aan het spiegelbeeld in de keuken wat ik hier in vredesnaam doe. Ik ben weer in Club P. We kijken een film die ik heb meegenomen. Geen ondertiteling. Muziekfilm. Een teken voor de striptekenaar en de Opperpater om er luidruchtig doorheen te praten, blijkbaar. En de striptekenaar heeft zelf niet door hoe luidruchtig hij kan praten. Waarschijnlijk denkt hij dat hij op normaal volume praat, maar de eerste helft van de film heb ik gemist. Pas bij de tweede helft ging de striptekenaar ook actief meekijken.

Ik sjok naar het toilet met dezelfde vraag nog altijd onder mijn arm. Bedroefd kijk ik ook in die spiegel. Mijn leven gaat kanten op die niet de bedoeling waren. Ik sjok terug en nu pas, na ruim anderhalf uur, valt me op dat er een gekke streep op het kussen van mijn stoel staat. Ik vraag de Opperpater wat het is. ‘Remsporen,’ antwoordt hij alsof het om een weersvoorspelling gaat.

Enkele minuten later ben ik het kussen aan het afschrobben. De Opperpater snapt er niks van. ‘Die zijn al anderhalf jaar oud hoor, knikker,’ zegt hij. Ik schrob hard met het washandje dat ik in de badkamer gevonden heb. ‘Dat haalt niks uit,’ zegt de Opperpater, ‘met dát washandje veeg ik na het schijten mijn kont af.’
Ineens is mijn leven zo erg nog niet.

(Eerder op Facebook gepubliceerd, 29/03/2014, deze wou ik voor de nieuwe lezers nog even herhalen)

Ebolala

Verhaal door René van DensenSinds zijn benedenbuurvrouw heeft geklaagd, is het gedaan met de gezellige avondjes bij de Opperpater thuis. We zitten daarom vanavond maar weer met z’n allen in mijn woonkamer, in Club Blini. Ik heb maar één buurman, en die klaagt nooit over geluidsoverlast, aangezien hij zelf regelmatig muziek draait op een volume waar mijn koffiekopjes van rammelen. De Opperpater vraagt of we een film gaan kijken want hij heeft er zin in. Ik zeg dat we dat straks doen, want over een half uurtje komt een bekende van ons op TV. Oh ja, knikker, zegt de Opperpater. Hij had dezelfde vraag tien minuten geleden ook al gesteld. Ik verwacht dat hij het over tien minuten weer vraagt. Het is geen vergeetachtigheid; hij wil gewoon veel liever een film kijken.

We wachten tot een vriend van ons, de veelbelovende schrijver, op TV komt. Hij was uitgenodigd voor een TV-programma, ‘tenzij de actualiteit er weer tussenkomt’. Wanneer het programma begint, zien we zijn gezicht en weten dus alvast zeker dat hij langs zal komen. Opluchting, direct gevolgd door een geïrriteerd wachten tot de andere onderwerpen klaar zijn. Duurt lang… Ze hebben het over ebola. De Opperpater vraagt of we anders een film kunnen gaan kijken. Ik merk op dat het woord ebola eigenlijk heel lief klinkt. Zacht. Een beetje vrolijk, zelfs. Ik zing ‘ebola’ op het refrein van ‘volare’. Iedereen moet lachen.

En dan komen de eigen vondsten. Obladie, oblada, ebolaaaaa, laaaa… En ‘viiiiivaaa ebolaaa’. En (smokkelen hoort erbij) ‘her name was Ebola, she was a showgirl’. Ga zo maar door. Bij de eerste grappen schudt de Opperpater het hoofd, zoals het hondje van Loekie de Leeuw altijd deed. Maar al snel komt hij met eigen vondsten. De sprong naar ‘Lola’ was niet vergezocht maar wekt toch veel hilariteit. Zo gaan we nog even door met de ebolala tot ineens onze vriend, de veelbelovende schrijver op de teevee komt. We moeten zwijgen en luisteren. Onze vriend is nu aan het woord. Stil neuriën we nog de melodie van ‘Lola’ na.

Vrijdag 19/9: Na De Nacht (Incubate)

Incu14_Debate_AankondigingVolgende week vrijdag ! Tussen 12 en 1 ! Ja, ’s middags. Het is kort dag, maar zet toch maar in de agenda: het wordt legen-wait for it…. darisch. Op het Incubate Café, een (gratis !) event tijdens het stadsbrede Tilburgse festival Incubate, worden allerlei presentaties en panels en andere zaken georganiseerd. En verdorie, dus ook een dingetje met René van Densen en broeder-in-crime AHJ Dautzenberg.

Hoezo jij en AHJ dan ?

In 2007 presenteerde ik mijn debuutbundel “Tilburg: De Anus van Nederland”. Ik was toen Nachtburgemeester van Tilburg. Het alter ego van Dautzenberg, ‘Troy Titane’, was mijn mede-nachtburgemeester (min of meer: hij verklaarde zichzelf op de huldigingsavond direct demissionair). Het boek, dat vooral ook over Tilburg en die nachtburgemeester-periode gaat, werd een wéék lang gepresenteerd. Ja, zeven dagen, en op zeven achtereenvolgende verschillende locaties. We maakten er een heel festival van, met medewerking van veel prachtige mensen. Het festival heette Zeik Bij Zeik West. U moet weten, ooit heette Incubate nog Zuid Bij Zuid West (en daarna ZXZW). Het was dus een knipoog naar dit specifieke festival. Sterker, we hebben de organisatie mogen interviewen op het podium, en ze leverden zelf nog een artiest aan. Het was magie.

Okee, maar waarom nu dan ineens weer ?

Ja, dat idee kwam dus van de mannen van Incubate af. Het festival bestaat 10 jaar, en dat Incubate Café organiseren ze dus ook deels om met mensen die voor hen het afgelopen decennium zo onvergetelijk hebben gemaakt, weer iets leuks te doen. Zo dachten ze dus ook aan mij en AHJ Dautzenberg. Of we, voor het eerst in 7 jaar, weer iets samen willen doen, en wel op Incubate. Wij zeiden meteen ja, ook al is het kort dag en hebben we het allebei erg druk. We gaan ook heus niet in ons eentje optreden, maar brengen een keur aan gasten mee. Althans, als de mensen die we gevraagd hebben (nogmaals, het is wat kort dag) beschikbaar zijn én willen komen.

“Na De Nacht”

We noemen het programma “Na De Nacht” en het belooft een bijzonder, veelzijdig uur te worden. Vol absurdisme, muziek, segs, druks en rok ’n rol.
Nick J. SwarthAHJ DautzenbergRené van DensenDe OpperpaterJohan van TilburgMoordkuilGert BruninkAndrew GoldsteinFrank TilemansSowieso zijn nu al bevestigd:

Er zullen in de komende week nog wel wat meer updates van dit evenement verschijnen, maar zet nou maar gewoon met dikke vette stiftletters in je agenda of op je kalender: Vrijdag 19 September, 12:00 – 13:00, Tilburg, Dudok, Incubate Café. Gewoon KOMEN.

Is er een Facebook dinges ? Jahaa, er is een Facebook dinges.

Plas

vijverfeest
Slecht nieuws van de Opperpater. Hij mag op de dinsdagavond geen Club P. meer organiseren, want de benedenbuurvrouw heeft officieel geklaagd. Dus vraagt hij of het oke is als we ‘Club Blini’ doen. Blini is de naam van mijn poes, zij is de baas in mijn huis. Ik vraag de poes of zij het goed vindt, en ze zwijgt. Zwijgen is toestemmen.

Mijn gasten komen altijd via de achterpoort. Wanneer de Opperpater ’s avonds arriveert, weet ik even niet wat ik hoor. Ja, eerst een fiets die op slot gezet wordt. Maar dan een geklater. Ik sta niet op van de bank. Ik lig prima. Als de Opperpater binnenloopt, vraag ik hem of hij in mijn tuin gepist heeft. Ja, zegt de Opperpater. Geen verdere uitleg. Later die avond zegt hij dat hij in de vijver gepist heeft. Wanneer ik zeg dat ik dat erg vind, omdat daar vissen in wonen, zegt hij dat hij niet in de vijver heeft gepist. ‘Aan het voorportaal, knikker,’ zegt hij, ‘in het riet’. Er staan drie grote grassprieten naast mijn vijver. Ik weet dus zeker dat hij toch in de vijver heeft gepist. Ik vraag hem vriendelijk maar mild streng of hij dat toch maar niet meer wil doen. Dat is goed, knikker.

Wanneer hij weer vertrekt heeft hij een grote hoeveelheid halve liters op. Ietwat wankel staat hij naast zijn fiets. Hij loopt langs de vijver. En jawel. Plons. De halve tuin staat onder water. Geen buitenlamp. Ik kan in het donker niet zien of er vissen liggen te spartelen (zien we morgen wel – jahaaa ik zet mijn wekker.) De Opperpater spartelt ondertussen erop los. Ik laat hem. Misschien spartelt hij zijn plas uit de plas. Ondertussen weet ik niet zeker of Club Blini door gaat. Ik zal het straks de kat nog eens vragen.

Driedee

Verhaal door René van DensenAan de ingang van de bioscoop treffen we elkaar. De Krullenzeeuw zit van de zon te genieten. De Opperpater rookt. Als u de Opperpater nog nooit heeft zien roken, moet u zich daar een sigaret bij voorstellen die brandt alsof het de lont van een tekenfilmbom is. Zo snel dus. Al vlug kunnen we dus naar binnen. Voor de mensen die heel lang niet meer in een bioscoop zijn geweest: binnen in de bioscoop mag je niet meer roken.

In de hal staat een lange rij. Er staan ook automaten. Eerst staan we in de rij. Die gaat enorm traag. Ik had op de site van de bioscoop gezien dat ze personeel zochten. Ik kan dit veel sneller, denk ik ongeduldig. Maar niks teruggehoord. Dat mensen hun kaartje op tijd voor de film kunnen aanschaffen, is geen prioriteit. De Opperpater wijst naar de automaten. We zuchten en stappen uit de rij.

De machines werken ingewikkeld. Ineens moet je er een driedee bril bij kopen. Kost een euro. De Krullenzeeuw zegt dat hij dat niet hoeft. Hij heeft een bril van een andere bioscoop. Hij bespaart zo de euro. Na een boel gepruts lopen we naar de trap omhoog. Daar staat een jong, flink arrogant kijkend jongetje. Hij vraagt om onze kaartjes, terwijl zijn enige taak is driedeebrillen te verstrekken. De Krullenzeeuw toont zijn driedeebril. De trapjongen zegt dat die bril fout is. De Krullenzeeuw zegt dat hij dan graag voor een euro een driedeebril wil kopen. Dat kan niet. Het kan ook niet via de automaten. De Krullenzeeuw moet terug in de kassarij gaan staan. De rij is langer geworden. Ik en de Opperpater hebben medelijden maar we willen ook graag de film zien. We zeggen dat we de Krullenzeeuw zo wel boven zien. Die vindt dat okee.

De Opperpater hijgt en piept als we de lange trap hebben opgelopen. Hij zegt dat hij vandaag geen trap meer op gaat lopen. Ik zeg dat dat een probleem kan worden, omdat hij zelf op eenhoog woont. Dat kan hem niet schelen, knikker. Boven staat er de volgende lange rij. Snacks. Hadden we kunnen verwachten. Terwijl we wachten, vraag ik of we niet aan de Krullenzeeuw moeten vragen wat hij voor snacks wil. Halen we die ineens voor ons drieën. De Opperpater zegt dat dat een goed idee is maar dat ik dat moet doen. Hij wil die trap niet meer zién. Ik hobbel de trap af. De Krullenzeeuw is bijna aan de beurt in de kassarij. Hij zegt dat hij zo naar boven komt.

De snackrij gaat nog trager dan de kassarij. Er is één snackbediende. Eindelijk is ook de Krullenzeeuw er. Hij is kwaad. Hij zegt dat ze aan de kassa het lef hadden om een euro zestig te vragen voor de driedeebril. Hij antwoordde dat hij dat niet pikte, want de meerwaarde was een euro en hij had netjes zijn kaartje gekocht. Na een boel discussie gaf het meisje aan de kassa mee en mocht hij een driedeebrilkaartje voor een euro kopen. De arrogante trapjongen gaf hem de bril met een schamper lachje. Voor de Krullenzeeuw is de film nu al een beetje verpest. Hij zegt dat het hem niet om die zestig cent gaat, maar om het principe. We nemen wat frisdrank en enkele beugelflessen bier. Die kosten bijna net zoveel als het bioscoopkaartje.

Eindelijk zitten we in de zaal. Driedeebrillen op. De film was al begonnen. Het is een film over een schalkse dief. De schalkse dief haalt spannende driedeecapriolen uit op het scherm. Het publiek oehht en aahht. De schalkse dief werpt een speelse knipoog door het scherm naar ons toe. Hij haalt nog wat koddige streken uit. Dan is plots de schalkse dief verdwenen. Nergens meer te bekennen. En plots klinken er paniekgeluiden her en der in de bioscoop. Wanneer we naar onze broekzakken grijpen, snappen we waarom. Alle portemonnees zijn gestolen. Dat is wel écht heel erg driedee. Terwijl we naar buiten lopen, zegt de Krullenzeeuw dat hij waarschijnlijk nooit meer naar de bioscoop gaat.

Klein

Verhaal door René van DensenDe Opperpater is onze kapitein en Club P. is zijn schip. Wij zijn maar passagiers. En hebben ons te schikken. Opperpater is wel een hele goede kapitein en zorgt dat we niks tekort komen. Zolang het tenminste om bier gaat, dat we zelf hebben meegenomen. De geluidsdempende muur is dicht en we praten zo zachtjes mogelijk. Tevreden beziet onze Opperpater het geheel en vindt dat de Club zo op dit moment af is. Te gast zijn Willem met de WK Trauma’s, en ik. Ik ben het stilste. Mijn geld raakt langzaam op en mijn meest kansrijke sollicitatie is ook op een afwijzing uitgekomen. Ik weet niet wat ik moet doen.

Willem met de WK Trauma’s zegt dat ik stom ben geweest, dat ik van het begin recht had op een uitkering en dat ik die had moeten nemen. Ik zeg dat ik er binnenkort aan moet geloven, maar misschien zelfs gestraft word omdat ik die niet direct heb aangevraagd. De realiteit is zelfs dat ik daardoor misschien een maand op die uitkering gekort word. Ik zeg dat dat absurd is. Dat is Willem met me eens. Ik verdien verdomme een beloning, grom ik, dat ik het eerst op eigen kracht en eigen centen heb geprobeerd. Ja, zegt Willem, maar dit is niet ons spelletje, het is hun spelletje. Speel het op hun manier, zegt Willem met de WK Trauma’s. Ik zucht en drink mijn bier.

Het lijkt net of het bierblik groter wordt. Verbaasd kijk ik ernaar, maar het blijkt echt waar te zijn. Al snel kan ik het niet meer in mijn hand klemmen. Dan pas merk ik dat mijn stoel ook groeit. Alles groeit, wacht, nee, ik krimp. De Opperpater en Willem kijken naar de film op TV en merken niks. Ik word kleiner en kleiner. In paniek grijp ik me aan vanalles vast, inmiddels aan de stofvezels van mijn stoelkussen. Dan bungel ik ineens tussen de vezels in, boven een snel wijder gapende afgrond. Mijn vingers verkrampen. Ik weet niet hoe lang ik het houd. Ik hoor de Opperpater verbaasd vragen waar ik heen ben. Willem weet het ook niet.

Stil

Verhaal door René van DensenDe benedenbuurvrouw van de Opperpater heeft geklaagd. We mogen van haar best in Club P zitten, maar of we het stil kunnen doen. De Opperpater wil liever geen gedonder, want de benedenbuurvrouw heeft gedreigd de woningbouwvereniging te bellen. Zij moet bijna altijd vroeg op. Wij niet. Daarom is het in Club P normaal gezien één uitbundig feest tot het holst van de nacht. Vandaag dus niet. De Opperpater wil graag hier blijven wonen. We moeten dus stil zijn. Het is een hele uitdaging, maar we doen onze best.

Allereerst staat de radio uit en de TV op stil, met ondertiteling aan. De Opperpater speelt een quizspelletje op zijn laptop, ook in volstrekte stilte. Hij fluistert dat het spelletje zo veel moeilijker is. Je moet namelijk muziekfragmenten die afgespeeld worden, raden. Maar als je niks hoort, klik je maar wat in het rond. De Opperpater fluistert dat hij al zes potjes verloren heeft nu. En of nog iemand bier wil. Op gewatteerde sloffen sjokt hij behoedzaam naar de keuken en brengt bier voor ons mee.

We spreken in gebarentaal en houden de deuren dicht. Dat dempt enorm veel geluid. Ondertussen zorgen de sigaretten van mijzelf maar vooral van de Opperpater dat de ruimte heel snel opaakblauw wordt. We zien geen hand meer voor ogen. De gebarentaal is veranderd in morse code met lichtjes. Niemand van ons weet hoe morse code werkt. Dus we knipperen maar wat. Zo gaat er een half uur voorbij. Dan horen we een heleboek lawaai in de gang. De deur wordt ingetrapt. Paniekerig rondschijnende lichten stormen de ruimte binnen. Brandweermannen en ambulancepersoneel. De buurvrouw maakte zich ongerust omdat ze niks meer hoorde. De Opperpater vraagt of de reddingstroepen een beetje stiller kunnen zijn. En of er nog iemand bier wil.

Whattajokatomaka

'Allo 'Allo
“Proost knikker. Op je verjaardag he.”
Dank je, Opperpater. Op je gezondheid.
“Ja ja ja. Stabiel en soepel, knikker.”
En zo is het maar net.
“Ik heb geen nieuwe mop voor je, knikker. Ik heb Jan vandaag niet gezien. Die vertelt mij altijd moppen.”
Dat is jammer, Opperpater.
“Ja. Bier, knikker ?”
Ik heb nog !
“Oh. Okee. Proost knikker.”
Hoe gaat het met de liefde, Opperpater ?
“Ja, niks he. En als ik aftrek, komt er ook niks. Had ik je trouwens de bloemkolenmop al verteld ?”
Ja, dat is een klassieker. Whattajokatomaka.
“Ho ho. Zo zeg je dat niet. Het is whattamistakatomaka. Van ‘Allo ‘Allo, knikker.”
Whattajokatomaka.
“Nee, ik vind ‘ niet goed, knikker.”
Whattajokatomaka.
“Ja dat kun je wel blijven zeggen, maar daar wordt het echt niet beter van. En wie is er hier de baas ?”
Jij, Opperpater.
“Ja want IK WOON HIER. Oh. Bier, knikker ?”
Ik heb nog, Opperpater.
“Oh. Okee. Proost knikker. Had je die van de urine van een gymleraar al, die had je al gefilmd, toch ?”
Whattajokatomaka.
“Neeehee, dat is whattamistakatomaka. Dat zegt die italiaan. Whattamistaka-to-maka.”
Whattajokatomaka.
“Afgekeurd, knikker. Anders gaat Club P vroeg dicht vandaag.”
Whattajokatomaka.
“Hij is echt niet leuk, knikker. Bier ?”

Ome Rob

Verhaal door René van DensenDitmaal is de Opperpater laat: wanneer ik mijn fiets voor zijn woning op slot zet, komt hij haastig aangepeddeld. Hij fietst sneller dan ik zou verwachten. Hij roept dat hij eraan komt, rijdt door een poort achterom. Ik wacht kalm. Daar komt hij. Minder imposant dan normaal, want een beetje schuchter lachend. Terecht: het is al bijna tien uur. Club P. begint normaal gezien om negen uur. De Opperpater steekt de sleutel in zijn slot en zegt: ‘Welkom in Club P, knikker.” Hij vertelt, terwijl we de trap oplopen, dat hij uit eten was gegaan bij de Scheplepel, en daarna met wat bekenden nog naar het café was gegaan.

“Ome Rob was erbij,” zegt de Opperpater. “Ik zag hem aan een andere tafel zitten en zei, kom erbij knikker. Maar toen hadden mijn twee bekenden elkaar om te praten, en Ome Rob dus enkel mij. Dus wij praten wat, althans, ” en hij maakt een zwaaiend gebaar met zijn vingers. Ik ken Ome Rob. Hij is berucht om zijn ellenlange monologen. Waar geen touw aan vast te knopen is. Ome Rob is eenzelfde woordenstroom als Black Venus van Jef Geeraerts is, maar dan met nog minder coherentie. Rob maakt geen zin echt af, is amper over één onderwerp begonnen of er moet alweer iets anders bij gehaald worden en dan weer iets anders en weer iets. Ome Rob lijkt vaak bang om het woord te verliezen. Zoals een kat altijd náást het etensbakje eet als ze vroeger het eten met meerdere heeft moeten delen. Ik denk dat Ome Rob als kind heel weinig mocht praten. Veel stil in de hoek heeft gezeten. Dat probeert hij nu allemaal in te halen. Dat denk ik tenminste.

“Op een gegeven ogenblik was mijn bier op, en van mijn twee bekenden was er één vertrokken. Ik vraag de ander of het heel erg is of ik naar huis zou gaan. ‘Jij gaat niet weg,’ sprak die dreigend. En Ome Rob maar ratelen.” Ik zie het helemaal voor me. Zelfs als je wél mocht gaan, zou Rob het je beletten. Met een bijna paniekerige hand op je arm. “Nee nog één ding, heel even,” zegt hij dan. En het is nooit één ding. En het is nooit heel even.

Wie ik ben

Verhaal door René van DensenVerstoord kijk ik de tankstationbediende aan. Ik heb nu al allures. Weet hij soms niet wie ik ben ? Nee, geeft hij toe, dat weet hij niet. Ik ben een fenomeen, help ik hem dan maar een beetje. O, zegt de bediende. Nee, natuurlijk heb ik geen interesse in zijn aanbieding, zeg ik. Okee, zegt de bediende, en fijne dag verder nog. Ik loop het winkeltje uit met mijn sigaretten, blij dat ik de man een beetje in zijn algemene kennis heb kunnen helpen. Dat er nog mensen zijn die me niét kennen, je snapt het soms niet.

Ik bel aan bij de Opperpater. Zijn stem bromt ‘Hallo ?’ door de intercom. Ik overweeg om niet te antwoorden. Hij weet dat ik kom. En sowieso ben ik nu beroemd. Dan hoef je toch je naam niet meer te noemen naar de mensen ? Maar de Opperpater is een echte vriend, dus zeg ik in de interkom dat de kerstman er is. Hij doet open. Het is eind juli, maar enfin. Hij bokst mijn hand. “Je bent laat, knikker.” Wat ? vraag ik verbaasd. “You’re late, knikker.” Ik antwoord dat het een gekke dag was en dat ik het daardoor wat druk had. De Opperpater vraagt niet verder.

Terwijl we film kijken en bier drinken, zegt de Opperpater dat ik hem ook wel Jimmy mag noemen. Ik kijk hem verbaasd aan. Big Jim, dat mag ook, zegt hij. Ik vraag hoezo dan. Hij vertelt dat hij vroeger actiefiguren had. “Een soort Ken van Barbie, maar dan met vechtkleding,” zegt hij. En dan speelde hij en zijn vrienden er mee. Hij was dan Big Jim. Hij had die pop nog ergens, bij zijn ouders. En allemaal andere oude dingen. Ik vraag door. Hij blijkt heel veel oude dingen misschien nog te hebben. Ik raad hem aan om die op Marktplaats te zetten. Wat is dat, Marktplaats, vraagt de Opperpater.