Hithaat

Verhaal door René van DensenZodra ik er weer een hoor, begint het opnieuw. Misschien ligt het aan mij, en worden alle andere mensen er wel blij van, maar nieuwe plaatjes leveren meestal hithaat bij mij op. Koude, kwade hithaat. Daar gaan ze weer hoor, denk ik dan. Drie, vier keer op een dag dezelfde plaat, lekker bezig jongens.

Het zijn ook meestal de minst bijzondere riedeltjes. Niks wat ik nooit eerder heb gehoord. En dat moet dan echt grijsgedraaid worden. Alsof er wat in te halen is. “Satisfaction van de Stones hebben we veel vaker gedraaid over de decennia heen dan dit plaatje, kom, we gaan ze inhalen.” Alsof deze plaat, puur door het vele draaien, een klassieker móet worden.

En zo vliegen de oehs, ohs en woohoohoo’s de hele dag langs. Want het leven moet één groot discofeest zijn. Met telkens dezelfde platen. Of proberen ze ons zover te krijgen dat we niet meer nadenken over wat we horen ? Op zich komt er natuurlijk ook een paar keer per dag het journaal langs. En kritisch denken, dat is natuurlijk wel iets lastigs dat om het hardst ontmoedigd moet worden. Maar ik wil er nog niet meteen een complot achter zoeken.

Het ergst is nog wanneer het plaatje wél leuk is. Dat ik het bijvoorbeeld via een andere weg ontdekt heb. En plots duikt het op bij een populaire radiozender. Oh nee, denk ik dan. Ze gaan het kapotdraaien. Want dat is het enige effect als je zo weinig variatie in je playlist aanbrengt: je draait gewoon die shit kapot. Ooit maakte ik een bingokaart met daarop de ‘hits’ van één zender van het afgelopen halfjaar. Elke dag had ik de kaart vol. El. Ke. Dag. VOL. Het is de ultieme test voor een radiostation. Ik nodig u uit om het zelf eens te proberen.

Draai ‘m anders gewoon de hele dag door, mannen, dat hitje. Elke dag dé dag van één hitje. Non-stop. Boem. Alsof je dan wél nog relevant bent. Je bent een veredelde MP3-speler, en een slechte, want je shuffle is kapot. Weet je wié de hele dag door dezelfde plaatjes over en over draaien ? Tienermeisjes. Niets is zo irritant als een bakvisserig tienermeisje. Van die giechelende-om-niks. Denk daar nog eens aan wanneer je een hitje voor de derde keer die dag aanzwengelt. Tienermeisje dat je er bent.

Dansen

Verhaal door René van DensenIk heb de nare gewoonte, zeker als ik iets gedronken heb, om tegen medetoiletgebruikers te praten. Vooral als ze net binnenkomen. Het liefst, zelfs, maak ik een opmerking die ze niet direct zouden verwachten. Ik maak van een toiletbezoek graag een verrassingsfeestje.

Vandaag zeg ik tegen de binnenkomer, terwijl ik naar beneden kijk, of hij ook niet de neiging voelt om tijdens het pissen te dansen. Gewoon, wat te heugwiepen, als sport, om te zien hoe wild de bewegingen kunnen voor de straal niet meer de pot in gaat. Mijn buurman grinnikt. Hij ritst open en begint zichzelf te ontlasten. Ik vervolg dat de salsa nog wel kan. Een wals wordt al moeilijker. Ze zouden daar een pot voor in de rondte moeten uitvinden, beweer ik. Weer grinnikt hij.

De grinnikjes zijn me te tam. Ik wil een lach, of feedback, niet van dat halfzachte. Ik dik aan dat het dansen kan, tot de straal verslapt. En dat zeker bij het nadruppelen er geen dansje gepleegd moet worden. Grinnik. Ik kijk naar mijn buurman die dichtritst en zijn handen wast. In het Engels vraag ik of hij Nederlands verstaat. No no, I’m Spanish, zegt hij en zwaait me gedag. Ik kijk naar mijn straal en heb geen zin meer om te dansen.

Krak

Verhaal door René van DensenMijn avontuurlijke hart klopt in mijn borst, maar toch kruip ik onder de dekens. Vandaag heb ik veel gedaan en voor morgen staat er ook een boel op de planning. Terwijl ik mezelf zo nestel, bruist op loopafstand van mijn woning het nachtleven. Mensen klinken er glazen en lossen er luidkeels de wereldproblemen op. Ik zou er heen kunnen gaan, maar dan kan ik een aantal dingen morgenvroeg echt vergeten. En toch: de stad lonkt.

Morrend trek ik mijn deken over mijn neus. En dan plots krák ! Ligt mijn halve matras scheef. Geschrokken zit ik rechtop, of wat voor rechtop moet doorgaan. In feite tuimel ik vooral half uit mijn bed. Mijn kat heeft zich al bovenop de kast verschanst.

Verbaasd kijk ik om me heen. Mijn bed is oud. En eigenlijk wou ik het al niet meer meenemen, deze laatste verhuizing. Maar ik besloot dat hij nog één keer kon. En dan dit. Teleurstellend, bed. Met een zucht worstel ik me door een deken- en kussenbrij – noot: ik heb nog stééds teveel kussens – en begin het bed af te halen. Hoewel ik weinig ruimte heb in mijn nieuwe slaapkamer, krijg ik het beddegoed op mijn bureau en stoel, en de matras rechtop tegen de wand.

Een bevestigingspunt van de steunbalk is afgebroken. Geen probleem, ik heb een schroefboormachine. Even later zit het allemaal met nieuwe schroeven vast. Ziezo, denk ik. Tevreden zeg ik tegen de poes dat het goed is he, dat haar papa zomaar een schroefboormachine bij de hand heeft. Ik installeer de steunbalk terug, leg de lattenbodems recht, en al de rest ook terug.

Voorzichtig test ik de draagkracht. Lijkt prima te zijn. Maar nu ben ik wel klaarwakker. Onder de deken gekropen lees ik een oninteressant boek tot mijn ogen gaan prikken. Dan klik ik het licht uit en ga slapen. Aan het bruisende nachtleven denk ik al niet meer. Of toch een beetje. Er zijn bekenden van me in de stad, zoveel weet ik zeker. Als ik nu ga lopen, zitten ze vast nog in café –

Nee, nee, René, denk ik bij mezelf. En draai me om. Krák ! En daar lig ik weer scheef op de grond. Vermoeid haal ik de matras nu maar half af. Het andere bevestigingspunt wil niet goed meer pakken. Ik heb het gerestaureerde punt te strak geschroefd. Ik heb geen trek in een grootscheepse reparatie-actie. Ik wil slapen, verdomme. Morgen vroeg op. Met een zucht kijk ik in mijn schroevenbakje en pluk er een paar geschikte schroeven met dikke kopjes uit. Daar blijft het andere punt wel op steken, minstens tot morgenvroeg.

Het eerste schroefje zit er fluks in, maar dan valt mijn boormachine uit. Ach ja. De accu. Die moest ik ook nog opladen, inderdaad. Ik zucht en overweeg gewoon zó zittend in slaap te vallen. Even kijken of op dat ene schroefje de boel ook blijft steken. Wonderwel lijkt het te werken. Niet slecht.

Ik steek de accu in de oplader en kruip voorzichtig het bed terug in. Natuurlijk is het niet warm meer. Als ik nu ga lopen, ben ik op tijd voor de laatste ronde, die in dat ene café stiekem helemaal niet de laatste ronde is. Maar ik ben kapot. Al snel val ik in een diepe slaap en droom over woest golvende dranktsunami’s en reddingsbootjes vol lallende dronkelui.

Er schijnt een zonnestraal in mijn gezicht. Verstoord hou ik mijn hand ervoor. En krák, daar lig ik weer half op de grond. Geeft niet, denk ik dan maar. Over een half uur moest ik toch op.

Boeven in de nacht

Verhaal door René van DensenDe wieltjes neigen telkens naar links en ik moet flink bijsturen om hem recht te houden. Mijn huisgenoot trekt aan de voorkant van het karretje. Onze handen zijn smerig, want in deze lading grofvuil zitten ook planken van constructies die ik in onze tuin heb gebouwd. Als ik iets in onze tuin bouwde, dan was het doorgaans voor mijn kat. Het hokje waar deze half rottende planken vanaf komen, was geen uitzondering.

Stukje bij beetje rollen we ons leven in het huisje weg in dit winkelwagentje. We hebben een ander huisje gevonden. Ik heb er al wat van binnen gezien. Het is in prachtige staat. Je zou kunnen zeggen: een beetje luxe zelfs. Ik woon, zolang ik op mezelf woon, in krotten. Als mijn katten van iets geen krot maken, dan hebben de vorige bewoners het wel gedaan. Het gaat wennen zijn om in een nette slaapkamer te wonen en te schrijven. Misschien ga ik er ook nettere verhaaltjes van schrijven.

Dit alles overweeg ik terwijl mijn huisgenoot en ik de smerige planken van ons voorbije bestaan in het huidige huis in de container gooien. De container die niet van ons is. Vanuit het winkelwagentje dat niet van ons is. We gooien troep in andermans afvalbak, in het duister. ALs boevn in de nacht. Met als buit: de zooi kwijt zijn.

Strak vooruit

Verhaal door René van DensenZe kijkt strak vooruit. Als ze al merkt dat ik een blik op haar werp, dan verbergt ze het goed. Alle passagiers zijn iets aan het doen. Praten. Krant lezen. Slapen. Prikken op een plastic schermpje. Zij niet. Ze kijkt enkel strak vooruit. Op iets anders kun je haar niet betrappen.

Mooie ogen, dat alvast zeker. Te zacht blauw voor die harde strakke blik. Ze heeft duidelijk een doel. En daar horen wij, de andere passagiers, allemaal niet bij. Haar haar bewaakt ook het midden tussen zacht en ambitieus. Haar mond, echter, is gewoon strak. Strak vooruit. Misschien zal ze ontdooien wanneer ze er is. Of misschien begint het dan allemaal pas.

Zelf hou ik er niet van om genegeerd te worden. Niet dat ik de volle aandacht nodig heb, maar een minieme erkenning dat ik er ook ben als mens hoort er wel bij. Mensen die dwars door me heen kijken of achteloos doorlopen of -rijden alsof ik niet besta, dat werkt op mijn zenuwen. Dat doe ik bij hen ook niet. Ik zie ze wel, de mensen. Ook u. Ik had u allang gezien. Had u dat meisje met de strakke blik al gezien eigenlijk ? Man, wat een aanstellerij. Ik durf te wedden dat ze stinkt in bed.

Een date met Charlie

Verhaal door René van DensenDat bleef ze maar herhalen, dat ik haar Charlie moest noemen. Zo heette ze, blijkbaar. Ik vond het best, al werd het bij de zevende keer wel irritant om te horen. Jahaa, dacht ik, nu weet ik het wel, jij bent Charlie, ik ben niet achterlijk. Eigenlijk had ik er daar al helemaal geen zin meer in, in heel die date.

Ik moest ook vanalles van Charlie. Ik moest lachen om haar grappen en ik moest haar volgen in de richting waar zij heen wou. Gelaten sjokte ik maar mee en vroeg me af wat ik aan het doen was. Zo erg was het toch in feite niet, alleen zijn. Ik probeerde me de dagen voor te stellen met Charlie erbij en werd meteen heel, heel moe. Ondertussen schreeuwde zij vanalles. Ze keek me daarbij schuin aan. Blijkbaar moest ik meeschreeuwen. Schor klankte ik wat mee. Wat een kutavond, dacht ik vooral.

Ineens viel het me op dat iedereen rond ons Charlie heette. Althans, dat stond op hun bordjes. Het was een hele Charlie-sekte waar ik heen gesleept was. Het zweet brak mij uit. Straks wilde men dat ik ook Charlie zou worden. Maar ik ben verdomme gewoon René, dacht ik. Haastig glipte ik de menigte uit en rende naar een nabijgelegen café. Ik hoorde Charlie me nog naaschreeuwen. Maar haar woorden kon ik niet meer verstaan.

Realistisch

Verhaal door René van DensenIk heb mijn dagen volgeladen vol met Realistische Zaken. Dat is echt zozeer mijn ‘ding’ niet, dat ik haast moet braken. Liefst zou ik van mijn levensdagen me nooit meer aan Realistische Zaken wagen. Maar ja, het moet maar, hop.

Zachtjes sluipen kattenvoetjes, trippeltrappeltrippeltrap. Onder stoel en onder tafel: trippeltrappeltrippeltrap. Mijn kat was even alleen, en verveelde zich steen en been. Toen ik terugkwam was ze blij, en sindsdien wijkt ze niet van mij. Dat heb ik weer, met mijn Realistische Zaken: Trippeltrappeltrippeltrap. En natuurlijk nagels slijpen: Krabbelkrabbelkrabbelkrab. Soms springt ze zó, op mijn rug, maar rent dan weer weg, vlug vlug. Ah, ik ruik de kattebak: die zit weer goed vol met kak.

Uit een zee van kattezand, steken dan de drollen. Zij vult de bak en ik schep leeg, zo liggen de rollen. Krak, zegt de kattenschep. Steel nog in mijn hand. Dat kon er natuurlijk ook wel bij, ik pruts wat met een krant.

Op een tomaatrode tweepersonenbank, lig ik met de kat, zonder kik of klank. En mijn kat die likt haar vachtje helemaal schoon, en ik kijk vermoeid wat toe. Toen viel er weer een rekening op de mat, die vast ook dringend betaald moest. Maar ik dacht stilletjes: misschien ziet hij me wel niet, als ik heel erg stil blijf en koest.

Zie, de sneeuw valt uit de wolken. Alles wordt met wit bedekt. Ook het huisje waar ik lig te schuilen. Mijn kat en ik hebben dikke pret. Zij is blij dat ik er ben, en dat ik haar best verwen. Ik ben blij dat ze niet miauwt, en ze zich zo braaf stilhoudt.

Uit Artis is een beer ontsnapt. Berend Botje ging uit varen. Jantje zag eens pruimen hangen. Ik draai me nog eens om.

Zangmond

Verhaal door René van DensenAls ik voor de spiegel gaap, heb ik een zangmond. Echt zo’n halve laadschuur waar een hoge schrilgil uit kan galmen. Minstens bij de eerste gaap. Wanneer ik, amper wakker, naar de badkamer heb gesjokt en voor de spiegel aan mijn buik sta te krabben. Het is de gaap waarbij het half bij me doordringt hoe mijn slaapkapsel oogt. Dat klinkt erger dan het is, want hoewel het soms echt alle kanten kan opsteken, zit mijn haar meestal bij het opstaan al fantastisch. Je moet met sommige dingen maar net geluk hebben.

En daar sta ik dan, met mijn sierlijke harendos en mijn zangmond. Alsof ik ergens een zaal vol publiek en een vierkoppig jurypanel sta te imponeren. Het is een lange gaap, deze eerste, dus ik probeer het me half slaperig voor te stellen. Het lukt maar half. Ik krijg echter geen zangnoot erbij ingebeeld. Is dit een resonerende bes, of een scherpe gee ? Is het misschien een doordringende ef, of een bassende aa dubbelmol ? Mijn halfontwaakte verbeelding is niet schrikwekkend muzikaal dus die kan het antwoord niet geven.

Mijn schedel jeukt een beetje van het slapen. Ik durf niet te krabben. Mijn glamourkapsel zou verpest raken. En dan mag ik niet door naar de volgende ronde. Zo sta ik daar, voor de spiegel. Met mijn jeukschedel en mijn zangmond. De klok slaat. Het is maar goed dat het gedoe dat je gezicht zo blijft staan, niet waar is. Ik staar vermoeid in de spiegel. Het ziet er echt flink belachelijk uit. Dat haar, en die zangmond. En dan moet de dag nog gaan beginnen.

Moeke

Verhaal door René van DensenDoordringend kijken de ogen van mijn moeke in de mijne. Ik hou vol dat het goed gaat. “Eindelijk weer, moeke, na al die ellende. Het gaat écht alweer een heel stuk beter.” Ze blijft me aankijken. Zoals een kind dat voor het eerst hoort dat spruitjes heel goed voor je zijn. Die blik van ‘ja hoor, en koeien kunnen vliegen zeker’.

Maar ik houd voet bij stuk. “Ik heb werk, moeke, en ik ga er ook gewoon echt geld voor betaald krijgen. Niet zoals die dichtoptredens en de columns en andere dingen. Daar kreeg ik af en toe wel eens een biertje voor, maar voor dit werk krijg ik dus echt geld. Van dat geld dat in de werkelijkheid geldig is.” Die ongelovige blik is wat verzacht, de verkeerde kant op. Ze kijkt nu ronduit bezorgd.

Ik besluit het weer, naast het droge, ook te schetsen voor het grauwe. “Nee, de mensen kopen mijn boekjes en petjes niet genoeg om uit de kosten te komen, maar door dat geld dat eraan komt doet dat er niet toe. En ik ben wel vér uit de kosten. Sowieso heb ik nog steeds geld. En ik ben hard op zoek naar een nieuwe woning. Ik denk dat ik die gevonden zal hebben voordat deze woning gesloopt wordt, over een maand.” Het is een droef soort bezorgdheid geworden, bijna een meedogen. Ik zweet lichtjes want ik was toch echt overtuigd dat het best goed met me ging. Maar een mens raakt nog aan het twijfelen.

“De poes is ook gezond en gelukkig,” gooi ik het over een andere boeg. “Die reusachtige wond aan haar nek, daar is ze mee opgehouden die open te krabben. En dus is die nu al helemaal weg. Enkel die kale plek moet nog dichtgroeien. Ze speelt met de verhuisdozen en vindt het reuze spannend, al die gekke dozen ineens overal. Dolgelukkig, heus,” met een droge keel kijk ik in mijn koffiekopje. Een bodempje nog maar. “Wil je anders nog koffie ?”

Als ik op wil staan, pakt ze mijn arm vast. Half staand stop ik. Met haar andere hand geeft ze me een euro. Ze vouwt hem in mijn handen en duwt die zacht maar ferm dicht. Dan geeft ze er een bemoedigend klopje op met haar vlakke hand. Tevreden lacht mijn moeke. Met die hartverscheurende blik van iemand die tegen beter weten in ergens in blijft geloven.

Dat je leeft

Verhaal door René van DensenEr waren tijden dat ik nu zou denken dat ik leef. Dat het door mijn kop zou schieten. “Zie je wel,” zou ik denken, “ik lééf, verdomme !” Misschien waren die tijden er nooit écht, maar in mijn herinnering waren ze er. Dat ik, zoals nu, gehurkt, draden uit mijn mond, proestend en hoestend boven de WC-bril, vervuld kon raken van de zin van het bestaan.

Nu niet. Op dit moment wil ik enkel slapen. En daar komt godver alwéér een golf aan, voel ik, en ik zet me schrap. Jawel: nog een stuk avondmaaltijd perst zich antiperistaltisch een baan mijn lijf uit. Kutzooi, is het enige dat ik denk. En dat het verdomme lang duurt. Mijn hele nacht is al zo goed als naar de klote.

Eerst die krampen. En ze moesten natuurlijk net beginnen wanneer ik lekker lag. Zo rond het wegdoezelen. Proberen te negeren, uiteraard. Helaas, lukte niet. Verliggen en verliggen. Telkens weer in een ander koud deel van het bed. Moedeloos werd ik ervan: laat me slapen, verdomme. En toen kwamen de winden. Lange, grote en echt flink stinkende winden. Geen goede voorbode. Maar je hoopt nog dat het daarmee opgelost is.

Hoe vaak ben ik deze nacht nu al de trap afgestommeld naar deze WC-bril toe ? Ik ben de tel kwijt, besef ik ineens. Het duurt niet lang meer voor de wekker gaat. Ik kijk naar de brokken die in de smurrie drijven. Het zijn er weinig meer. Er komt een einde aan. Mijn avondmaal is bijna op. Van het kijken voel ik meteen weer een golf aankomen, maar gelukkig: ik zat hier toch al.

Even probeer ik het nog te denken: je lééft, verdomme. Wees blij, man, dat je dit mag voelen. Het lukt bijna. Bijna kan ik waarderen dat ik, kapot en doodmoe, boven mijn plee hang met smurrie in mijn snor. Dan komt de golf. En terwijl die krachtig naar buiten spuit, voel ik dat ik ondertussen ook mijn onderbroek volspetter. Rotleven, is het enige dat ik kan denken. Stik de moord met dat kutleven van je.