Boot

Verhaal door René van DensenIk ben een boot, ik kabbel wat de dag door. Mijn anker is weggeroest en men vergat me een nieuwe te geven. Het geeft niet. Ik vind mijn weg wel, en ook: op welke plek zou men mij vast moeten leggen ?

Ik ben alleszins een lelijke boot. Gaten in de boeg, alles lekt. Niet vooruit te branden. Verf die afbladdert. Het roer is ook al stuk. Eigenlijk mag ik niet eens voor een veredeld vlot doorgaan. Ooit was ik een iets mooiere boot, maar zelfs toen telde ik niet echt mee. Ik ben vooral een logge constructie, gemaakt om mee rond te sjouwen. En nu ik dat niet meer kan, lig ik vooral iedereen in de weg.

Soms verlang ik er wel naar om een bakzeil te hebben. Of iets anders dat mij een koers kan geven. Maar ik dobber, dus. De ganse dag door. Het water voert me ergens heen maar weet het ook niet echt. Samen klooien we maar wat aan. Soms praat ik met het water, dat meestal klaagt over de vissen en krabben en ander gespuis dat in hem leeft.

Maar dan zie ik weer andere boten passeren. Boten die ik niet ben. Boten waar mensen wel graag eigenaar van zijn. Niemand moet mij meer. Niemand vraagt zich af waar ik inmiddels heen gedreven ben. Ik heb zeker vijf jaar geen land meer gezien. Enkel wolken, meeuwen, af en toe een ander schip. En het water, dus. Altijd het water.

Trompet

Verhaal door René van DensenZacht vertelt de trompet een verhaal, en zij luistert. De noten zweven door de rokerige ruimte en botsen, kaatsen. Ze laten zich niet zomaar behoren. Zo kalm als het glimmende instrument ze uitbraakt, zo grillig dwalen ze door de ruimte. Op zoek naar ruzie en trammelant.

Enkel door samenloop van omstandigheden is ze hier beland. Normaal luistert ze nooit deze muziek. Sterker, ze gaat nooit naar een live optreden. Maar hier zit ze. Zelf weet ze ook niet goed meer hoe het zo gelopen is. Maar de trompet vertelt het haar. Hij resoneert en stilschettert de stappen die ze nam tot ze hier zat te luisteren.

De zaal zit vol, maar de trompet spreekt direct met haar. En enkel met haar. Zo voelt het. De andere aanwezigen horen muziek. Zij is in gesprek. Hij is wijs en gebutst. In zijn glans ziet ze haar eigen gekraste ziel. Dat de muzikant zijn toetsen beroert, neemt zij voor lief. Het is nodig. De trompet kan anders niet spreken. Maar eigenlijk zou ze even privé onder twee ogen dit gesprek met hem voortzetten.

Dat hij dit allemaal wéét, verbaast haar. De trompet kon niet overal getuige zijn geweest. Deze avond is zelfs hun eerste ontmoeting. Leest hij dit misschien allemaal zomaar van haar af ? Is ze zo’n open boek ? En als een trompet dit al kan zien, kan een ander dan ook – ? Stil spiedt ze de zaal rond en neemt een slokje van haar drank. Niemand kijkt naar haar. Ze laat een opgeluchte adem glippen.

Die glans, die lijnen, die wijsheid. Je zou er zo in kunnen verdrinken. Ze voelt zich voorover buigen. En langzaam verdwijnt ze. Uiteengerukt door de geluidsgolven, tegen de stroom in zwemmend. In uiteengetrokken golflengtes glipt ze de brede toeter in. En dan het zwarte gat.

Maar dan legt de wereld weer een diarree

Verhaal door René van DensenIk kan toch zeker nog twee uur in mijn cocon blijven soezen, maar dwars door mijn slaap heen barst het geluid binnen: de wereld legt een diarree. Verstoord mompel ik een vloek. Het is mijn beurt. Egoïstisch als mijn aard, schud ik even zachtjes aan de schouder van mijn lief. Wellicht trapt ze er in. Ze kneuriet. Knorren is niet haar stijl en grommen meer de mijne. Haar norsigheid klinkt als een geneuried lied. Maar wel een met een heldere tekst: nee mannetje, los jij het maar op.

Ik blaas vermoeid mijn droom uit mijn lippen en wrijf in mijn ogen. Waren we maar nooit aan deze wereld begonnen. Dan zwaai ik mijn benen over de bedrand en zoek mijn pantoffels. In een automatisme kijk ik naar de wijzers en zie dat ik nog langer had kunnen blijven liggen dan ik dacht. Ik grom om de wereld. Maar dan sjokken ik en mijn plichtsbesef al door de gang, over verslonsd laminaat.

De wereld ligt kirrend in zijn wiegje. Blij om mij te zien. Maar toch zie je dat hij zich niet goed voelt. Ik til de wereld op en wrijf over zijn buikje. De wereld begint te huilen. Ik zoek tussen de dekens maar kan zijn speeltje zo snel niet vinden. Ah, daar is hij toch. Zijn ogen klaren op wanneer ik hem zijn maan laat zien. Even knijp ik in de maan. Piep-piep. Dolle pret. De wereld straalt.

Gelaten inspecteer ik de inhoud van zijn luier. Nog meer troep dan gisteravond. Het wordt steeds erger. Ik kijk de wereld in de ogen. Wat nou, denk ik stilletjes, wat nou als hij terminaal ziek zou worden ? Zou het zo erg zijn ? We zouden natuurlijk eerst veel verdriet hebben, maar misschien beginnen we daarna wel aan een nieuwe wereld. En ondertussen is heel het universum weer van ons. Ik schud de gedachte af. Zo mag je niet denken. Het is maar wat diarree. Meestal komt zoiets wel goed. Een tijdelijke infectie. Misschien een beetje plastic in zijn zee.

Met de wereld op schoot kijk ik teevee. Kijken we teevee. Op teevee zien we sterren dansen. Ze draaien en knipperen en een jury oordeelt hoe ze het doen. Er moet er altijd een afvallen. Als mijn wereldje een ster ziet doven, kijkt hij droevig en zwelt er een traantje op. Ik knuffel de wereld. Het is niet erg, zeg ik. Elke dag komen er ook weer talloze sterren bij, die minstens zo waardevol zijn, lieg ik, De wereld kijkt in mijn ogen met grote pupillen. Ik kus zijn neusje. Even lijkt het erop dat hij in slaap gaat vallen.

Maar dan legt de wereld weer een diarree. En ik weet dat mijn nacht eraan is.

Ik ben van de titels,

Verhaal door René van Densendat zegt hij toch. Aan tafel. Tussen mensen die het boek bewonderen, met name om de titel. Ik onthoud zijn uitspraak: daar kan ik morgen een verhaal mee beginnen. Ik ben namelijk helemaal niet van de titels. En zo hebben we allen wel wat. De vrouw tegenover me gaapt. Dat geeft ook al niks.

Een vrouw roept wat, met name om in smaak te vallen. De mannen en vrouwen aan tafel kijken haar minachtend aan. Net zo minachtend als we een pleasende man zouden aankijken, trouwens. Aan deze tafel geldt een heel simpel credo: wees jezelf of rot op. We mijmeren, in respons, over de tijd dat ‘net wakker’ een kapsel was. En een duur kapsel, ook.

Ik ben van de titels, herhaalt de man. Hij zegt de rest van de avond niets dat zich als titel laat vertalen. En we gaan met de hele groep naar een bandje dat niet echt iets nieuws ten gehore brengt. Ook het bier smaakt naar vanouds. Één van de biertjes heeft een nieuw label. We vinden het, zeker bij nader inzien, toch maar niks. Ook de nieuwe bankbiljetten zijn niks. Maar ons afvragen waarom de wereld naar de kloten gaat, dat is een brug te ver. We zijn gewoon even aan het zuipen ja.

Alleen maar meer ademen

Verhaal door René van DensenJe denkt nog zo, als deze horde genomen is, ja, dan. Dan he. Echt, dán. Groener gras. Zon ketsend op in verrukking rechtstaande huidhaartjes. Je eigen soundtrack op de achtergrond. Alles prachtig. Maar dan sta je op en blijkt er weer alleen maar meer ademen te zijn.

Nog meer mogelijkheden om stommiteiten te begaan. Weer een andere huid onder je vingertoppen, andere lippen op de jouwe. Nog meer tijd waarvan je niet weet hoe je die zou moeten besteden. En maar ademen. De adem is nog niet eens lekker. Hij smaakt naar benzine, stof en andermans maaltijden. Je loopt weer eens achter je hormonen aan of drinkt je weer een stommiteit in. En maar schrijven en schrijven zonder dat je ooit iets te melden hebt. De klok tikt met je mee door.

Alleen maar meer ademen, nog meer ademen. Zorgvuldig rook je je longen vol maar je blijft maar doorademen. Af en toe hou je ’s nachts even je adem in. Zien of alles stil kan vallen. Maar dan snak je na een paar minuten toch naar lucht. Paniekerig en diep indademen. Toch nog ademen. Nog een tijdje door blijven gaan.

En dus zit je ’s ochtends toch weer rechtop. Toch weer de benen over de rand. Toch weer koffie. Want we gaan door met ademen. Het moet zo. Er zijn altijd nog andere lippen om stommiteiten voor te begaan.

Glanzende oren

Verhaal door René van DensenAls ik iets sneller had doorgelopen. Want de vorige miste ik slechts op enkele minuten. Had ik kunnen halen. En de sprinter, waar mijn collega naartoe rende, had zijn bestemming misschien ook nog bereikt. Maar ik had er gewoon geen zin in, in dat gehaaste. De trein van zeven uur was immers ook prima. Muziekje op de oortjes, boekje op schoot en lekker op het perron wachten, met schuine blikken om de andere perronbewoners te observeren. Het was een lange week geweest, dat half uurtje maakte nu ook niks meer uit.

Als ze ons bij het laatste tussenstation, waar we toch stilstonden, hadden laten uitstappen. Er rijden daar bussen, of ik zou een vriend kunnen bellen met alternatief vervoer. Tien kilometer is een minder grote vriendendienst dan veertig, immers. Bovendien was ik dan misschien wel ter plaatse een cafeetje in gedoken en wie weet waar dat toe geleid had. Ergens in het dorpje had ik me al eens anderhalf uur prima vermaakt, al zou het even zoeken zijn hoe ik daar ook alweer beland was.

Maar we mochten er niet uit. En we gingen terug naar het vertrekstation. “Aanrijding met een persoon” werd als reden omgeroepen. Geen treinverkeer mogelijk. Dus wat doe je dan als treinveteraan ? Je denkt vooral niet aan wie de aangereden persoon zou kunnen zijn, want elk jaar zijn er zo nog een boel meer. Vaak springen ze zelf. En zonder enig respect voor andermans weekend. Maar mijn weekend, daar ging ik toch écht voor. Dus als treinveteraan weet je dan wat je te doen staat. Je reist door naar een ander station waarvandaan een trein naar je stad rijdt. Kijken of die lijn misschien nog open ligt. Maar niks hoor. Ook daar bleek de aangereden persoon in de weg te zitten.

Als ik nu niet zonodig een bier wou. En toch nog op één volgende trein wou gokken. En even naar het toilet was gegaan. Dan had ik een van de drie eerdere bussen genomen. En dan zat ik niet in deze. En stel dat zij net een gebroken hak had gehad. Of op tijd was vertrokken voor één bus eerder. Of dat iemand wel had aangeboden haar even te brengen. Stel dat ze zich ineens had bedacht dat er geen saldo meer op haar buskaart stond. Dat ze die was gaan opl aden. Stel he, stel.

Dan had ik nooit die ogen gezien toen ze instapte. En, nadat ze in de stoel voor mij was gaan zitten, die glanzende oren ook niet. Misschien zit u daar helemaal niet op te wachten, op een stel glanzende oren. Maar het maakte mijn hele avond alvast weer goed. Omdat stel, he. Stel.

Mooi hoor

Verhaal door René van DensenZe zou ziek worden van de woorden als ze al niet zo vaak uitgesproken waren. Mooi hoor. Tegen vriendinnen die hun biologische plicht etaleerden, in de lucht klauwend met minitieuze worstvingertjes en een riekbaar volgekakte luier. Mooi hoor. Een beetje jouw ogen. Bla bla. Dan wat standaard vragen over hoe de bevalling ging, hoe groot en zwaar de baby was, alle clichés die je kunt vragen omdat het verdomme maar een baby is en er niet meer over valt te vragen.

Mooi hoor. Wanneer de luchtklauwers van gisteren ineens vandaag jengelkinderen zijn geworden die aan komen zetten met een A4’tje met daarop onherkenbaar iets in kleurenlijnen gekriebeld. Had ze de tijd om de tekening te bestuderen, dan zou ze wellicht veel over de psyche van het kutkind ontdekken, maar zowel moeder als kind wilden onmiddellijke feedback. Dus werd de mooi hoor maar weer uit de hoge hoed getoverd.

Geen idee wat het moet voorstellen, ook niet na deze feedback. Maar zo’n mooi hoor koopt je wat tijd om beter te kijken. Opvallend veel roze kleurtjes. Er schuilt nog een optimist in dit kind, wellicht. Met een zucht terzijde geschoven. Over de jaren heen slijt zo’n mooi hoor er diep in. Laatst zei ze het tegen een collectant aan haar deur. Schudderderammel met zijn collectebus. Mooi hoor. En de deur weer sluiten. Pas terwijl ze naar de keuken liep, had ze door wat ze gezegd had. En dan opendoen en verontschuldigingen aanbieden, dat kan dan vast niet meer. Beschaamd liep ze maar door en waste onwillekeurig haar handen.

Sindsdien ging het van kwaad tot erger. Aan de bar, wanneer ze haar bestelde wijntje kreeg. Mooi hoor. Tegen de politieagent die haar een bon overhandigde. Mooi hoor. En ineens stonden daar zowel een gelovige als een satirist aan haar deur. Allebei wilden ze hun visies laten zien. De satirist liet een krantje zien. Mooi hoor. En de gelovige toonde zijn god, en alles wat er van die god moest en mocht. Mooi hoor. Ze wilde de deur sluiten en doorgaan met haar dag. Maar ineens zaten er twee voeten tussen. En twee paar ogen keken haar dordringend aan door de kier.

Een mooi hoor zou niet volstaan, dit keer. Ze moest blijkbaar iets kiezen. Fraai was dat.

Kaarten

Verhaal door René van DensenZe lacht, wanneer ze de tekst leest die ik op de kaart geschreven heb. Om die lach deed ik het. Toch alvast één lach gewonnen deze avond. Het duister valt razend voorbij het treinraam, dat haar lach weerspiegelt. Stiekem tel ik daarom de lach voor twee. In speelkaarten wordt immers ook alles gespiegeld.

Ik zeg dat speelkaarten allerlei betekenissen hebben. Voor een van mijn romans – ik begin altijd aan romans en maak ze nooit af – raapte ik speelkaarten op van de stoep wanneer ze mijn pad kruisten. Dan zocht ik de bijbehorende spirituele betekenis op en verwerkte ik zowel de kaart als de betekenis in het plot van mijn verhaal. Ik ben blijkbaar in vorm: ze vindt het interessant. Voor haar neus ligt de ruiten vier, dus nu is het zaak uit te leggen wat die kaart betekent. Het is een heel materiële kaart, die gaat over geld, zaken en status. Over kantooromgeving, een kluis, of gegeven juwelen in een mooie doos.

Dit alles weet ik uiteraard niet, zoek ik natuurlijk later op. Loos maar zo onopvallend mogelijk wijzig ik het onderwerp en praat over de speelkaartenstad die Turnhout was. Ik hou toch nog wat van haar interesse vast, dat wel. Toch zwaaien haar mooie ogen naar de speelkaart terug. Ze vist haar mobiel uit de handtas en begint te prikken. Het mobieltje weet altijd meer dan ik, daar valt niet tegenop te bluffen.

Een conducteur brengt redding. Hij vraagt of hij onze kaartjes mag zien. Ik wijs naar de speelkaart, en vis nog twee zwerfkaarten uit mijn binnenzak. Kijk, daar liggen ze, zeg ik. Wat ben ik gevat. Maar de conducteur pikt de grap wat droogjes op en wil gewoon mijn treinkaartje. Ook bij haar kan er enkel een flauw glimlachje af. Ze streelt het scherm dat antwoorden kan geven.

De ruiten, dat zijn kooplieden, weet ze te vertellen. Dan kijkt ze naar mijn andere twee kaarten. Tot onze beider verbazing ligt er nóg een ruiten vier naast. En een klaveren negen, maar drie keer dezelfde kaart zou ook wel té toevallig zijn geweest, dus daar slaan we minder acht op. De getallen betekenen niks, zegt haar scherm, en de klaveren staan voor boeren. Twee kooplieden en een boer. Zit je dan, met je kaarten. Afgetroefd door een speelkaartvormig toestel.

Ik geef haar een ruiten vier (hallo, dat is dus wel even een boel juwelen in een mooie doos dus, blijkt achteraf) en zeg dat ze van de rest van haar avond een eigen betekenis moet maken. Ze lacht weer wat. Dan buigen we ons nog over de opdrukken op de achterkanten van de kaarten. En zo komen we over enkele ogenblikken aan op. Einde reis. Tot de volgende keer, zegt ze.

Als ik even later het station in mijn eentje uitloop, spieden mijn ogen rond op zoek naar zwerfkaarten. Het verhaal zou wel af zijn als nu een bijzondere kaart op mijn pad kwam. Maar natuurlijk vind ik niks. Je probeert te hard, kerel, zucht ik. Het moet gewoon op je afkomen.

Netnietwinter

Verhaal door René van DensenHet is het allemaal net niet. Nét niet sneeuw, net niet ijs, net niet ijzel, en toch alles aanwezig. Temperaturen onder nul, check. Ook staat het toch echt op de kalender aangegeven. Maar Petra vindt het toch een verdomde netnietwinter.

Als deze winter een man was, verkondigt ze luidkeels, dan sloeg ik ‘m zo de deur uit. Ze ziet eruit alsof daar geen overdreven woord bij zit. Man man, vervolgt ze, wat een mietjeswinter. In mijn tijd, zegt Petra, in mijn tijd noemden we dit zómer. Ze pfffft wat en wuift de winter weg alsof die op auditie is.

Petra klaagt dat haar winterjas alweer in de kast hangt. Ze heeft haar herfstjas terug van de haak gehaald. Ik ga niet de hele dag lopen te zweten om zo’n netnietwinter, zegt Petra. En, zegt Petra, drie sneeuwvlokjes en het hele land is in paniek. Code oranje, code rood, code paars met witte polkadots, het zegt haar inmiddels al niets meer. Paniekzaaiers, bromt Petra.

Toen ze haar eerste man ontmoette, ja, dát was een winter. Er was verdomme zelfs nog een Elfstedentocht dat jaar, meent ze zich te herinneren. Of was dat het jaar ervoor ? Ze haalt haar schouders op. Ja lekker, doe nog maar een wijntje. Ze foetert over sneeuwstormen en ijs waar geen wak meer in te zagen was. Als je haar nog even laat begaan, beweert ze wellicht nog dat ze op tulpenbollen heeft overleefd. Maar bovenal, het is een winter van niks en ze slaat ‘m net zo lief over, zegt ze. Als het zo moet. Met die netnietwinter. Ze kunnen ook niks meer fatsoenlijk in dit kutland.

Dat kon de politieagent natuurlijk ook niet weten. Dat ze dit alles nog zei. Gisteravond nog. Hij schrijft dat dan ook allemaal niet op in zijn boekje. Wel haar signalement. Vrouw. Blank. Achterin de veertig. Geen zichtbare tekenen van geweld. Vermoedelijke dronkenschap. Inschatting doodsoorzaak: gewoon domweg bevroren.

Deur

Verhaal door René van DensenHoeveel deuren zou ik al voor het laatst dichtgetrokken hebben ? Het zijn er alleszins nu al een aantal. Dat bedenk ik me wanneer ik ook deze achterdeur voor de laatste keer dichttrek. Bij het keren van de sleutel probeer ik elk geluidje van het slot te horen. Het is onzin, natuurlijk.

Deuren in eigen woningen. Het zijn er wel een aantal geweest ja. Met verschillende soorten sleutels. Achterdeuren, voordeuren. Gedeelde zijdeuren. Poorten. Met sleutels met een steeltje, of met hypermoderne dimpeltjes in de sleutel. Sleutels die rammelen aan je sleutelbos, of juist niet.

Deuren in andermans woningen. Ook daar was er geen hetzelfde als een ander. Deuren met ruzie. Deuren met verdriet. Deuren waar de berusting van af droop. Deuren met hoop, hoop op nog wel terugkeren, maar eigenlijk weten dat de hoop ijdel is. Dat je het niet kunt laten om de deur eventjes, bedachtzaam, met je vingertop te strelen.

En dan draai je je om en loopt weg. Harde stappen, zachte stappen, droeve slenters of haastige tred, het maakt niet uit. Dan loop je verdomme weg en ga je naar de volgende deur door.