Kutmerel

Verhaal door René van DensenIk weet het. Bij het fluiten al. Je bent geen duif of kraai, geen lijster en geen mus. Je bent een fucking kutmerel. Beetje lawaai lopen maken met je stereotype fluitgeluid.

Ik moet eigenlijk nog gaan slapen en je fwietfwiet erop los alsof het een lust is. Ik weet wie je bent, kutmerel. Je loopt stoer te doen met ha ha de dag start. Maar alles is nog donker. Zelfs de kiekens zijn niet wakker. Jij, daarentegen, loopt te roepen dat de dag gestart is. Dat is hij niet, he maat, enkel omdat jij dat zegt.

Wat mij betreft, eten alle katten alle merels. Enkel om uw gepiep. Serieus, je wekt geen sympathie met uw gekwetter. Ik zou nu zo mijn kat in uw richting smijten. Het domme beest vangt enkel insecten, maar met één goede worp snapt ze wellicht ook irritante vogels.

Met wat geluk krijg ik haar duiven en kraaien mee. Gewoon met de uitleg: papa wil slaap. Eet alles wat die slaap verstoort. Vliegen en muggen verstaat ge al. Nu alles. Kraaien, kutmerels, postbodes, vrouwen, deurwaarders, stratenmakers, bad hair days, muziek die niet klopt op de oortjes en dagen die starten zonder ochtendknuffel. Nee wacht – dat laatste snapt ze al. Iets te goed. Net vijf minuten voor de wekker. Maar ik ga daar feitelijk nooit never nooit meer over klagen. Behalve dat ik dan die kutmerel hoor.

Diep

Verhaal door René van DensenClaudia had haar naam niet mee, maar des te harder compenseerde ze. Om vooral als een Diepe Vrouw over te komen. Ze droeg daarom Serieuze Kleding, die elegant en ongewoon gekleurd kon wapperen in de wind. En waar ze ook stond, ze had een Diep Verzonken Blik. Naar iets in de verte. Dat waarschijnlijk nog veel verder weg was dan het punt waarheen ze staarde. Ze staarde met een vuist onder haar kin en een elleboog op haar knie.

Dat alles interesseert me echter niks, want ik ben aan het fietsen met een kater. En dus fiets ik Claudia voorbij zonder haar op te merken. Lompig banjer ik een Aldi binnen en koop dingen die ik niet nodig heb. Want nadorst, en eigenlijk wel honger, en eigenlijk is dat ook wel handig, en dat ook wel lekker, en oei. Aan de kassa vraag ik me af hoeveel geld er nog op mijn rekening staat. Het digitaal-gelduniversum is me gunstig gezind vandaag: de transactie is goedgekeurd.

Claudia zit al lang en breed in de bus Diep te wezen wanneer ik met armen vol troep naar buiten loop. Ik wil een van de blikjes die ik gekocht heb, open trekken, want het is verdomd warm en zonnig vandaag, maar eerst moet ik van de rest af. Ik dump de spullen in mijn fietstas. Één blikje probeert te vluchten en rent stuiterend over de parking. Terwijl ik erachteraan strompel zie ik verderop twee fenomenale billen. En wulps zwaaiend rossig haar.

Haastig gooi ik het blikje ook in de fietstas, haal mijn fiets van het slot en rep mij de parkeerplaats af in de richting waar de ravissante dame heen wegliep. Maar ze is in de lucht opgelost. Verbaasd staar ik wat in het rond, maar in geen windrichting nog iets te bekennen. Ik fiets daarom, nog altijd katerig, door naar een fietsenmaker.

Claudia zit op het terras, bedachtzaam de melktekening in haar koffie kapot te roeren en naar de Wereld te staren. Met een blik van, ik ken je, Wereld. Mij maak je echt niks meer wijs. Met al dat Wereldse van je. Haar lepeltje schraapt. De ober gaapt. Claudia, hoe Diep ze ook mag zijn, is tot dusver zijn eerste klant deze middag en ze doet al lang met die éne koffie van haar.

De fietsenmaker vraagt verdomme achttien euro voor een pompje. Achttien euro ! Smakelijk lach ik er om terwijl ik terugfiets. Ik regel wel een andere pomp, en voor veel minder dan achttien euro. Ik weet niet eens of ik nog wel achttien euro op mijn rekening heb staan. Dan zie ik weer dat rosse haar en die dansende billen. Afgeleid stort ik in een gat. Ik val in een eeuwigheid diep gat. Men vergeet mij bijna net zo snel als men Claudia vergeet.

Bang dier

Verhaal door René van DensenMijn vriend kan fantastisch goed kijken als een bang dier. Dat is geen verschrikkelijk unieke vaardigheid. Vooral dieren zijn er natuurtalenten in. Mijn vriend met de bange dierenblik woelt de vingers door zijn haar. Hij zegt dat alle verkiezingen verkeerd zijn.

Ik knik maar wat en drink mijn biertje. Hij zegt dat hij verkiest om nooit meer te stemmen omdat het niks verandert. Stil probeer ik de illusie te koesteren dat mensen met een mening het altijd beter weten dan mensen zonder. Sowieso zit er nog veel bier in mijn glas.

Mijn vriend prutst een slordig sjekkie in elkaar en likt beverig het randje. Kruimels op de bar. Ik leun iets zwaarder op mijn ellebogen om mijn rug meer rust te geven. Mijn vriend meent dat alle maatschappelijke vormen verrot zijn. Tegenwoordig, voegt hij er aan toe. Ik knik, maar eigenlijk meer om te erkennen dat ik hem gehoord heb. Online zou ik op een duimpje hebben geklikt.

Met zijn felle bangedierenblik spiedt mijn vriend rond. Dan springt hij op en rukt de kleren van zijn lijf. Dat gaat niet vanzelf en dus staat hij wild te stuntelen met zijn trui die niet uit wil en zijn voet die in zijn broekspijp klem zit. In zijn ondergoed springt hij op de bar en stoot agressieve kreten uit. Ik kijk toe en drink mijn bier. Het is nog steeds koud en ik heb ervoor betaald.

Ik neem me voor pas buiten een sigaretje te gaan roken wanneer hij met poep gaat smijten. Hopelijk is mijn glas voor die tijd leeg.

Nieuwe geur

Verhaal door René van Densen’s Nachts droom ik dat er iets spannends gebeurt, maar eerst heb ik nog wat tijd. Dus ga ik een bolletje wol kopen voor de kat. Dan gaat de wekker. Mijn arm beweegt ernaar en mept op snooze. Ik zet mijn wekkers strategisch te vroeg, zodat ik kan doorsoezen in plaats van langer uitslapen tot het tijdstip dat ik écht op moet. Er zit een bepaalde logica achter, geloof ik. Of het is zo gegroeid, over de jaren heen.

Toch klopt er iets niet, deze ochtend. Ik ruik iets geks. Halfwakker snuif ik wat dieper. Een geur die ik niet kan thuisbrengen. Ik sla de deken open en ruik – verdomd, ik ben het zelf ! Van de een op de andere dag ruik ik als een volslagen ander. Weg met de prettige, ietwat zilte lijfreuk die een belofte van zinderen in zich had. De man die nu op mijn plaats ligt, ruikt zeer onprettig. Naar rot, naar een mislukt gerecht dat je wel wegsmeet maar waarvan de reuk je bij elke keer openen van de vuilnisbak weer toegrijnst. Naar koffiepulp op een composthoop.

Gemotiveerder dan anders spring ik onder de douche. Ik was intensief de geur weg. Maar ook na het wassen keert hij terug. Ik ontbijt stilletjes en omhuld door vreemdemangeur. Alsof er iemand om me heen loopt te draaien. Het zint me niks. Als ik naar mijn werk fiets, ruik ik ‘m nog. Ik word achtervolgd. Panisch zet ik gewicht op de trappers en duw het rubber zo vlug het wil over het stugge asfalt. Als ik bij een stoplicht uithijg, heeft de lucht zijn achterstand alweer ingehaald.

Bij het station draai ik een hoek om, en plots staat hij daar – mijn oude geur. Vertrouwd en groter dan het leven zelf. Hij knikt even naar me, ik knik terug. We kennen elkaar al heel lang. Onbevreesd loopt hij op mijn nieuwe geur af en geeft die een duw. De nieuwe geur geeft mijn oude een mep. Al snel rollen ze knokkend door de straat.

Ik sta er wat bedremmeld bij. Geen idee welke geur nu gaat winnen. Of hoe lang dit gaat duren. Ik hoop natuurlijk mijn oude geur. Ik kijk de fietsenstalling in, en dan naar de vechtende geuren. Het zou ook weer zoiets zijn om nu mijn fiets te stallen, natuurlijk. Dat doe je niet. Straks gaan allebei mijn geuren bij me weg.

Het mag niet van de cijfers

Verhaal door René van DensenWanneer hij dreigend naar me toe buigt, kijk ik hem recht aan. Ik zie een enorme leegte. Maar ook een overweldigende honger. Ze zijn me nu al uren aan het verhoren, hij en zijn maat. Wat ik misdaan heb, geen idee, maar daar zit ik dan, bij de cijfers. Specifieker: bij een agressieve acht en zijn wat mildere maatje zeven. Wat waarschijnlijk een spel is. Good count, bad count.

Er waren natuurlijk stemmen geweest die gewaarschuwd hadden. Maar die wuifden we weg. Geen zinnig mens dacht immers dat het écht uit de hand zou lopen met de cijfers. En ineens waren ze overal. Cijfers hier, cijfers daar. Je kon de straat nog niet oversteken zonder achtervolgd te worden door de cijfers. En ze moesten alles van je weten. Wat misschien nog steeds niet het allerergste was want we hadden immers geen van allen iets te verbergen, toch ?

Maar vervolgens kwamen er wetten van de grote getallen. En toen was de hashtag van de dam. Alles en iedereen moest volledig in cijfers worden uitgedrukt. En zo verdwenen er ook ineens buren en vrienden. Door cijfers weggesmokkeld, was het vermoeden, maar dat zouden ze niet toegeven. De cijfers klopten immers altijd. En ondertussen ging hun overheersing op de werkelijkheid stug verder. Er was amper ruimte om nog mens te zijn.

Naar het schijnt zit ik daarom nu hier. Bij de acht en de zeven. Ze willen al uren weten waarom ik me niks van hen aantrek, van de cijfers. Waarom ik dwars tegen alle statistieken en rekenmodellen in ga. Ik frustreer hen. Het spijt me, want dat is niet mijn bedoeling. Ik doe gewoon wat ik doe. Het mag niet. Het mag niet van de cijfers.

Pigeon

Verhaal door René van DensenAnd so the other pigeons told me to go somewhere, and I went there, and there was nothing. Loads and loads of nothing in all directions, as far as my eye could spy. I wondered what I was supposed to be doing there. I guess I should know, because the other pigeons go here, and they figure it out. But all I saw was nothing. Until I looked up.

There it was. Majestic, blindingly white, otherworldly smooth, and cutting through the sky like a hawk’s claw. So I flapped up and joined it, best I could. Seemed like a better place to be than some nowhere full of nothing.

There I was, a pigeon, soaring amongst seagulls. Of course all this was just a dream and I knew it. But even in the dream, it seemed like a dream. The gulls let me be, because I was harmless and somewhat amusing. I tried to race them and of course lost. I lost time and time again. But every time, I lost a little less. They didn’t notice. I would always be just a pigeon and they, they were seagulls. They had circled the globe and seen all the seas, not just the big seven. There was no type of fish or food they hadn’t tasted.

My family was pigeon. My city was pigeon. My world was pigeon. Yet here I was. Feather after feather was torn from my wings as I attempted their acrobatics. I howled through the sky in a cork screw, then tore a double flip and raced full-circle. Bemusedly the gulls watched. Was it just me, or did one or two sets of eyes sparkle with a mild admiration ? I wasn’t sure and I couldn’t care.

Then the gulls suddenly all were hungry and dove down. Screeching and yelling, they plundered what humankind had thrown away and fought amongst themselves. I was left, bewildered, but not for long. As they fought for their scraps, I made one turn over the crowd and dropped my opinion of them. Then I climbed up, towards the sun, with what little feathers I still had. I didn’t care about anything anymore. The sky was mine now.

Dwarrelen

Verhaal door René van DensenDe dagen dwarrelen mijn leven binnen. Er is geen stoppen aan. Genadeloos. Meedogenloos. Achteloos. Krioelend en warrelig dalen ze als een deken van tijd op mijn bestaan neer. De tijd begraaft mijn wezen en het enige dat ik in huis heb om me ertegen te wapenen is een muts en een sjaal. Allebei draag ik nooit, dus ga ik weerloos de dagen in.

Als een onschuldige onwezigheid dwarrelt elke dag met een ogenschijnlijk vrolijk kolkje omlaag. Dansend rondom de andere dagen, maar elk van hen kent zijn plek. Er dwarrelen mooie dagen, kwaaie dagen, vergetelijke dagen en onvermijdelike dagen tussen. Het is voor elk wat wils, alleen moet je ze dan wel willen.

Ik zie mensen vloekend de dagen van hun erf vegen. In dikke bergen liggen de dagen opeengepakt voor hun huis, naast hun auto. Het licht uit hun keukens en woonkamers schijnt iel op de vies bijeengeplakte dagen. Er zit een boel viezigheid tussen deze dagen.

Niet in mijn tuin. Daar zie je in de dagen maar twee sets voetstappen. Één paar lomp grote zolen, en ernaast wat weifelende poezenpootjes. Mijn kat houdt niet zo van de dagen. Zij blijft er liever van verschuilen. Toch staan we altijd samen op. Ik stop even en leg mijn hoofd in mijn nek. Met open mond probeer ik een dag te vangen. Hebbes. Ik verklap niet hoe hij smaakt. Daar komt u zelf nog wel achter.

Alsof er niets gebeurt

Verhaal door René van DensenDe poes heeft een huisgenoot gekregen. Of eigenlijk heeft haar huisgenoot er een. De kater die ook in dit nieuwe huis woont, was er vierentwintig uur eerder dan zij. Ze zijn een paar dagen uit elkaar gehouden, maar de bedoeling is dat ze zelf de boel oplossen. Zowel ik als de eigenaar van de kater kunnen er immers niet de hele tijd bij blijven. Dus moeten ze af en toe gewoon vrij rondlopen en aan elkaar wennen.

Het gaat niet van een leien dakje. Mijn kat is moeilijk naar andere katten toe. Vroeger heette ze de Terror Kitten. Van kleins af aan siste ze naar andere katten en viel ze aan. De afgelopen anderhalf jaar had ze een heel huis dat van haar was, inclusief de tuin. Andere katten die onverhoopt de tuin in dwaalden, jaagde ze met veel kabaal weg.

Dus ze hist en gilt naar de kater. De kater is een kalme kater. Hij ziet het probleem niet. Mijn kat past drie keer in de kater. Bedaard loopt hij op haar af om haar mores te leren. Mijn kat vlucht onder een bank en maakt daar haar kabaal. De kater is te dik om onder de bank te passen en ziet het strategisch nadeel ervan in. Maar hij waakt.

Ik probeer mijn kat te kalmeren. Ik wijs haar op het feit dat de kater geen problemen maakt en zij wel. Ik zeg dat mijn kat hysterisch is. Dat ze een drama maakt van een dramaloze situatie. Alsof er niets gebeurt. Ondertussen waakt de kater nog altijd.

Demonstratief gaat hij op mijn pantoffels liggen. Mijn pantoffels ruiken naar mij. Mijn kat gilt harder. Ik kijk toe. Tenzij de kater mijn kat uiteen scheurt, grijp ik niet in. Maar ik wil eigenlijk wel even mijn pantoffels aan. Ik moet naar het toilet.

Ik zwaai mijn voeten naar mijn pantoffels toe. De kater schreeuwt en grijpt mijn voeten. Mijn poes gilt harder. Ik gil mee. De kater molesteert mijn voeten en verscheurt mijn benen. Terwijl ik in stukken vlees door de kamer vlieg, vraag ik me af waarom katten toch zulke moeilijke beesten zijn.

Aflijn

Verhaal door René van DensenOp mijn nieuwe woonadres blijk ik niet aanlijn te zijn. Ik ben er aflijn. De aanlijnmensen hebben daardoor geen verbinding meer met me. Ze sturen allemaal aanlijnberichten, maar die komen niet aan. Er is op de nieuwe plek wel een lijn, maar daar kan ik nog niet aan. In de nabije toekomst kan ik er wel een keer aan, maar nu is het een aflijn lijn.

Mijn kat vindt het niet erg dat ik aflijn ben. Aflijn ben ik veel gezelliger, vindt ze. Ik geef haar meer aandacht. Als ik aanlijn ben, staar ik naar een scherm. Zij ziet ook wel dingetjes op dat scherm, maar zo interessant is het ook weer niet dat zij er de halve avond naar zou staren. Er gebeurt zo veel in de wereld, wil ze me zeggen. Er fladderen en kwèèken vogels, er lopen en rijden overal mensen en dieren, dan weer waait het en dan weer schijnt de zon.

Mijn kat laat zich niet aanlijnen. Ze geeft mij een aflijnkopje en spint. Ik kijk haar in de ogen. Maar in mijn kop ben ik nog altijd aanlijn. Poes schudt meewarig het hoofd. Gekke pappa.

Noten

Verhaal door René van DensenIk heb een stukje gevonden waar het nog niet gesmolten is, dat witte dekentje. De zon kaatst verblindend op het wit en het maagdelijke kristal kraakt onder mijn laarzen. Niks geen geknisper, dit is echte kraaksneeuw. Geen mens in willekeurig welke windrichting te ontdekken. Geen schreeuwerige reclameblokken of hyperactieve presentatoren. Hooguit een koel briesje dat de nekharen streelt.

Maar dan plots: pling. Bij gebrek aan een beter woord. Pling. De best passende onomapotee. Verbaasd in de rondte kijken. Niks. Enkel wit. Stapje terug. Pling. Verbaasde blik naar de grond. Laars middenin vorige voetafdruk.

Nog een stapje vooruit. Stilte. Stap achteruit. Pling. Ongelovig kijk ik naar de sneeuw. Verbaasd een paar stappen opzij. Ploenk, klinkt het plots. Ik spring van schrik terug – pling.

Even sta ik stil in de sneeuw. Dan spring ik nog eens op en neer. Ploeng, pling. Ik giechel. Nog eens. Pling, ploeng, pling. Even glijd ik uit, stap haastig ergens anders. Pleng. Het wemelt van de muziek hier in de grond, constateer ik verbaasd.

Zo spring ik even de noten bijeen. Blij als een klein kind. Pling, ploeng, pling-pling, pléng, plang, ploeng ploeng ploeng pleng. Briljant. En te bedenken dat ik al blij was met die onontdekte laag sneeuw. Maar dan ook nog dit erbij. Hijgend ga ik even op een boomstronk zitten. Staar naar de muziekplek. Wat een bijzondere plek.

Dan hoor ik zacht en vlug gekraak. Nee, dit is wel meer knisperen. Ik zie een eekhoorntje hoppen door de sneeuw. Hij kijkt haastig in het rond, ziet mij, staat stokstijf stil. Ik beweeg ook niet. Durf zelfs niet te ademen. Even twijfelt hij. Dan hopt hij door naar de muziekplek.

Nu zie ik het pas. Hij heeft een noot in zijn mond. Een G, als ik me niet vergis. Hij begraaft de noot haastig, zijn kraaloogjes scherp op mij gericht. Dan dekt hij de boel af, werpt nog één blik op mij, en hopt er dan razendsnel vandoor. Ik staar wederom naar de plek.

Dus daar ligt alles begraven. Alles waar muziek in zit. Op een plek waar niemand het terug zal vinden. Onder een dikke laag maagdelijke sneeuw. Ik graaf in mijn jaszak naar een sigaret.