Heeft u onze kat gezien ?

Verhaal door René van DensenIn deze straat worden alle katten vermist. De bomen en lantaarns hangen vol met poezensnoeten. Geen enkele kat wil hier blijkbaar blijven. Zwetend strompel ik langs de telefoonnummers en grote hoofdletters. De baasjes zijn ten einde raad.
Ik vraag me af of ik hier zou blijven als ik een kat was. Het is een straat zonder voortuin, en je hebt enkel uitzicht op het rolluik van de overburen. De bomen bladderen zich kaal. Platanen, uiteraard. Iemand heeft ooit bedacht dat platanen goede stadsbomen zijn.

In andere straten zie ik nog wel eens een kat wegschieten in een stuk kapotte omheining of onder een auto. De dieren zijn zenuwachtig in deze wijk. Ook de duiven hoppen zenuwachtig op de daken.

Er is een dak met trapvorm. Middenop de treden zit één duif, op de nok landt een ander. Die hopt enkele minuten later een tree omlaag. De andere duif wordt zenuwachtig. Dan nog een trede. De eerstgelande duif fladdert vlug een trede verder.
En daar komt het koppie weer. Hop, nog een trede. En weer fladdert de andere duif weg. Er zit een ruime trede tussen hen in, steeds.

In de straat om de hoek worden alle katten vermist. Ik mompel dat de duiven het hebben gedaan. En nu is deze straat aan de beurt.

Beter een kamerplant genomen

Verhaal door René van DensenGrommend duw ik een winkelwagentje door de brandgang. Het paniekerig miauwen van mijn kat verstilt. Het wagentje maakt veel lawaai en, versterkt door de brandgangwanden, klinkt waarschijnlijk dreigend naderend. Ik verbaas me nog één keer dat ik dit ga doen. En dan stap ik op het wagentje en klim op het schuttingdak van de buren van mijn buren.

Op een schuin afdakje kijk ik naar beneden, naar mijn domme poes die blij maar nog altijd bang miauwt. Niet stom genoeg om in deze tuin te belanden, wel stom genoeg om eruit te kunnen. Ik had beter een kamerplant genomen. En natuurlijk zijn deze buren vandaag niet thuis. Ik heb al aangebeld.

Met klimacrobatiek die voor mijn leeftijd ongeveer zo klunzig moet ogen als het voelt, beland ik in de tuin. Ik til de kat op het dakje waar ik lag. Zo zou ze alvast terug naar mijn eigen achtertuin moeten kunnen lopen. Maar ja, nu ik. Ik onderneem een aantal pogingen maar kom niet zomaar op de schutting.

Daar sta ik dan, in het donker. In een tuin van een buur, zonder mogeijkheid eruit te komen. Mijn kat danst op het dak en miauwt blij. Ze roept ‘kom dan, kom dan’. Ik had beter een kamerplant genomen.

Acht

Verhaal door René van DensenStilletjes vraag ik me af hoe het is om op iemand acht te slaan. Geen acht, dat kennen we nu wel. Het antwoord dient zich aan als de vrouw naast mij hard gaat lachen en roepen door de speech van iemand heen. Iedereen slaat plots acht. Gefascineerd kijk ik toe. Dus zo ziet dat eruit.

Schichtige ogen, vuurschietende ogen, schampere ogen. In alle richtingen priemen ze. Lang geleden zou ik me zoiets heel erg hebben aangetrokken. Nu vind ik het wel stoer van de vrouw, dat ze zich gedraagt zoals ze is. De speech is ook saai, en lang. En we zitten allemaal veel te plechtig te luisteren. De feestjes die ik normaal bezoek, zijn een stuk Breugeliaanser.

Even verbaas ik me waarom ik zelf niet sta te brullen. Maar de vrouw verricht onzer beider taak met verve. Stilletjes geniet ik. Ik heb verlof. En niemand slaat acht op mij. Ook wel een keer lekker.

Kutmerel

Verhaal door René van DensenIk weet het. Bij het fluiten al. Je bent geen duif of kraai, geen lijster en geen mus. Je bent een fucking kutmerel. Beetje lawaai lopen maken met je stereotype fluitgeluid.

Ik moet eigenlijk nog gaan slapen en je fwietfwiet erop los alsof het een lust is. Ik weet wie je bent, kutmerel. Je loopt stoer te doen met ha ha de dag start. Maar alles is nog donker. Zelfs de kiekens zijn niet wakker. Jij, daarentegen, loopt te roepen dat de dag gestart is. Dat is hij niet, he maat, enkel omdat jij dat zegt.

Wat mij betreft, eten alle katten alle merels. Enkel om uw gepiep. Serieus, je wekt geen sympathie met uw gekwetter. Ik zou nu zo mijn kat in uw richting smijten. Het domme beest vangt enkel insecten, maar met één goede worp snapt ze wellicht ook irritante vogels.

Met wat geluk krijg ik haar duiven en kraaien mee. Gewoon met de uitleg: papa wil slaap. Eet alles wat die slaap verstoort. Vliegen en muggen verstaat ge al. Nu alles. Kraaien, kutmerels, postbodes, vrouwen, deurwaarders, stratenmakers, bad hair days, muziek die niet klopt op de oortjes en dagen die starten zonder ochtendknuffel. Nee wacht – dat laatste snapt ze al. Iets te goed. Net vijf minuten voor de wekker. Maar ik ga daar feitelijk nooit never nooit meer over klagen. Behalve dat ik dan die kutmerel hoor.

Diep

Verhaal door René van DensenClaudia had haar naam niet mee, maar des te harder compenseerde ze. Om vooral als een Diepe Vrouw over te komen. Ze droeg daarom Serieuze Kleding, die elegant en ongewoon gekleurd kon wapperen in de wind. En waar ze ook stond, ze had een Diep Verzonken Blik. Naar iets in de verte. Dat waarschijnlijk nog veel verder weg was dan het punt waarheen ze staarde. Ze staarde met een vuist onder haar kin en een elleboog op haar knie.

Dat alles interesseert me echter niks, want ik ben aan het fietsen met een kater. En dus fiets ik Claudia voorbij zonder haar op te merken. Lompig banjer ik een Aldi binnen en koop dingen die ik niet nodig heb. Want nadorst, en eigenlijk wel honger, en eigenlijk is dat ook wel handig, en dat ook wel lekker, en oei. Aan de kassa vraag ik me af hoeveel geld er nog op mijn rekening staat. Het digitaal-gelduniversum is me gunstig gezind vandaag: de transactie is goedgekeurd.

Claudia zit al lang en breed in de bus Diep te wezen wanneer ik met armen vol troep naar buiten loop. Ik wil een van de blikjes die ik gekocht heb, open trekken, want het is verdomd warm en zonnig vandaag, maar eerst moet ik van de rest af. Ik dump de spullen in mijn fietstas. Één blikje probeert te vluchten en rent stuiterend over de parking. Terwijl ik erachteraan strompel zie ik verderop twee fenomenale billen. En wulps zwaaiend rossig haar.

Haastig gooi ik het blikje ook in de fietstas, haal mijn fiets van het slot en rep mij de parkeerplaats af in de richting waar de ravissante dame heen wegliep. Maar ze is in de lucht opgelost. Verbaasd staar ik wat in het rond, maar in geen windrichting nog iets te bekennen. Ik fiets daarom, nog altijd katerig, door naar een fietsenmaker.

Claudia zit op het terras, bedachtzaam de melktekening in haar koffie kapot te roeren en naar de Wereld te staren. Met een blik van, ik ken je, Wereld. Mij maak je echt niks meer wijs. Met al dat Wereldse van je. Haar lepeltje schraapt. De ober gaapt. Claudia, hoe Diep ze ook mag zijn, is tot dusver zijn eerste klant deze middag en ze doet al lang met die éne koffie van haar.

De fietsenmaker vraagt verdomme achttien euro voor een pompje. Achttien euro ! Smakelijk lach ik er om terwijl ik terugfiets. Ik regel wel een andere pomp, en voor veel minder dan achttien euro. Ik weet niet eens of ik nog wel achttien euro op mijn rekening heb staan. Dan zie ik weer dat rosse haar en die dansende billen. Afgeleid stort ik in een gat. Ik val in een eeuwigheid diep gat. Men vergeet mij bijna net zo snel als men Claudia vergeet.

Bang dier

Verhaal door René van DensenMijn vriend kan fantastisch goed kijken als een bang dier. Dat is geen verschrikkelijk unieke vaardigheid. Vooral dieren zijn er natuurtalenten in. Mijn vriend met de bange dierenblik woelt de vingers door zijn haar. Hij zegt dat alle verkiezingen verkeerd zijn.

Ik knik maar wat en drink mijn biertje. Hij zegt dat hij verkiest om nooit meer te stemmen omdat het niks verandert. Stil probeer ik de illusie te koesteren dat mensen met een mening het altijd beter weten dan mensen zonder. Sowieso zit er nog veel bier in mijn glas.

Mijn vriend prutst een slordig sjekkie in elkaar en likt beverig het randje. Kruimels op de bar. Ik leun iets zwaarder op mijn ellebogen om mijn rug meer rust te geven. Mijn vriend meent dat alle maatschappelijke vormen verrot zijn. Tegenwoordig, voegt hij er aan toe. Ik knik, maar eigenlijk meer om te erkennen dat ik hem gehoord heb. Online zou ik op een duimpje hebben geklikt.

Met zijn felle bangedierenblik spiedt mijn vriend rond. Dan springt hij op en rukt de kleren van zijn lijf. Dat gaat niet vanzelf en dus staat hij wild te stuntelen met zijn trui die niet uit wil en zijn voet die in zijn broekspijp klem zit. In zijn ondergoed springt hij op de bar en stoot agressieve kreten uit. Ik kijk toe en drink mijn bier. Het is nog steeds koud en ik heb ervoor betaald.

Ik neem me voor pas buiten een sigaretje te gaan roken wanneer hij met poep gaat smijten. Hopelijk is mijn glas voor die tijd leeg.

Nieuwe geur

Verhaal door René van Densen’s Nachts droom ik dat er iets spannends gebeurt, maar eerst heb ik nog wat tijd. Dus ga ik een bolletje wol kopen voor de kat. Dan gaat de wekker. Mijn arm beweegt ernaar en mept op snooze. Ik zet mijn wekkers strategisch te vroeg, zodat ik kan doorsoezen in plaats van langer uitslapen tot het tijdstip dat ik écht op moet. Er zit een bepaalde logica achter, geloof ik. Of het is zo gegroeid, over de jaren heen.

Toch klopt er iets niet, deze ochtend. Ik ruik iets geks. Halfwakker snuif ik wat dieper. Een geur die ik niet kan thuisbrengen. Ik sla de deken open en ruik – verdomd, ik ben het zelf ! Van de een op de andere dag ruik ik als een volslagen ander. Weg met de prettige, ietwat zilte lijfreuk die een belofte van zinderen in zich had. De man die nu op mijn plaats ligt, ruikt zeer onprettig. Naar rot, naar een mislukt gerecht dat je wel wegsmeet maar waarvan de reuk je bij elke keer openen van de vuilnisbak weer toegrijnst. Naar koffiepulp op een composthoop.

Gemotiveerder dan anders spring ik onder de douche. Ik was intensief de geur weg. Maar ook na het wassen keert hij terug. Ik ontbijt stilletjes en omhuld door vreemdemangeur. Alsof er iemand om me heen loopt te draaien. Het zint me niks. Als ik naar mijn werk fiets, ruik ik ‘m nog. Ik word achtervolgd. Panisch zet ik gewicht op de trappers en duw het rubber zo vlug het wil over het stugge asfalt. Als ik bij een stoplicht uithijg, heeft de lucht zijn achterstand alweer ingehaald.

Bij het station draai ik een hoek om, en plots staat hij daar – mijn oude geur. Vertrouwd en groter dan het leven zelf. Hij knikt even naar me, ik knik terug. We kennen elkaar al heel lang. Onbevreesd loopt hij op mijn nieuwe geur af en geeft die een duw. De nieuwe geur geeft mijn oude een mep. Al snel rollen ze knokkend door de straat.

Ik sta er wat bedremmeld bij. Geen idee welke geur nu gaat winnen. Of hoe lang dit gaat duren. Ik hoop natuurlijk mijn oude geur. Ik kijk de fietsenstalling in, en dan naar de vechtende geuren. Het zou ook weer zoiets zijn om nu mijn fiets te stallen, natuurlijk. Dat doe je niet. Straks gaan allebei mijn geuren bij me weg.

Het mag niet van de cijfers

Verhaal door René van DensenWanneer hij dreigend naar me toe buigt, kijk ik hem recht aan. Ik zie een enorme leegte. Maar ook een overweldigende honger. Ze zijn me nu al uren aan het verhoren, hij en zijn maat. Wat ik misdaan heb, geen idee, maar daar zit ik dan, bij de cijfers. Specifieker: bij een agressieve acht en zijn wat mildere maatje zeven. Wat waarschijnlijk een spel is. Good count, bad count.

Er waren natuurlijk stemmen geweest die gewaarschuwd hadden. Maar die wuifden we weg. Geen zinnig mens dacht immers dat het écht uit de hand zou lopen met de cijfers. En ineens waren ze overal. Cijfers hier, cijfers daar. Je kon de straat nog niet oversteken zonder achtervolgd te worden door de cijfers. En ze moesten alles van je weten. Wat misschien nog steeds niet het allerergste was want we hadden immers geen van allen iets te verbergen, toch ?

Maar vervolgens kwamen er wetten van de grote getallen. En toen was de hashtag van de dam. Alles en iedereen moest volledig in cijfers worden uitgedrukt. En zo verdwenen er ook ineens buren en vrienden. Door cijfers weggesmokkeld, was het vermoeden, maar dat zouden ze niet toegeven. De cijfers klopten immers altijd. En ondertussen ging hun overheersing op de werkelijkheid stug verder. Er was amper ruimte om nog mens te zijn.

Naar het schijnt zit ik daarom nu hier. Bij de acht en de zeven. Ze willen al uren weten waarom ik me niks van hen aantrek, van de cijfers. Waarom ik dwars tegen alle statistieken en rekenmodellen in ga. Ik frustreer hen. Het spijt me, want dat is niet mijn bedoeling. Ik doe gewoon wat ik doe. Het mag niet. Het mag niet van de cijfers.

Pigeon

Verhaal door René van DensenAnd so the other pigeons told me to go somewhere, and I went there, and there was nothing. Loads and loads of nothing in all directions, as far as my eye could spy. I wondered what I was supposed to be doing there. I guess I should know, because the other pigeons go here, and they figure it out. But all I saw was nothing. Until I looked up.

There it was. Majestic, blindingly white, otherworldly smooth, and cutting through the sky like a hawk’s claw. So I flapped up and joined it, best I could. Seemed like a better place to be than some nowhere full of nothing.

There I was, a pigeon, soaring amongst seagulls. Of course all this was just a dream and I knew it. But even in the dream, it seemed like a dream. The gulls let me be, because I was harmless and somewhat amusing. I tried to race them and of course lost. I lost time and time again. But every time, I lost a little less. They didn’t notice. I would always be just a pigeon and they, they were seagulls. They had circled the globe and seen all the seas, not just the big seven. There was no type of fish or food they hadn’t tasted.

My family was pigeon. My city was pigeon. My world was pigeon. Yet here I was. Feather after feather was torn from my wings as I attempted their acrobatics. I howled through the sky in a cork screw, then tore a double flip and raced full-circle. Bemusedly the gulls watched. Was it just me, or did one or two sets of eyes sparkle with a mild admiration ? I wasn’t sure and I couldn’t care.

Then the gulls suddenly all were hungry and dove down. Screeching and yelling, they plundered what humankind had thrown away and fought amongst themselves. I was left, bewildered, but not for long. As they fought for their scraps, I made one turn over the crowd and dropped my opinion of them. Then I climbed up, towards the sun, with what little feathers I still had. I didn’t care about anything anymore. The sky was mine now.

Dwarrelen

Verhaal door René van DensenDe dagen dwarrelen mijn leven binnen. Er is geen stoppen aan. Genadeloos. Meedogenloos. Achteloos. Krioelend en warrelig dalen ze als een deken van tijd op mijn bestaan neer. De tijd begraaft mijn wezen en het enige dat ik in huis heb om me ertegen te wapenen is een muts en een sjaal. Allebei draag ik nooit, dus ga ik weerloos de dagen in.

Als een onschuldige onwezigheid dwarrelt elke dag met een ogenschijnlijk vrolijk kolkje omlaag. Dansend rondom de andere dagen, maar elk van hen kent zijn plek. Er dwarrelen mooie dagen, kwaaie dagen, vergetelijke dagen en onvermijdelike dagen tussen. Het is voor elk wat wils, alleen moet je ze dan wel willen.

Ik zie mensen vloekend de dagen van hun erf vegen. In dikke bergen liggen de dagen opeengepakt voor hun huis, naast hun auto. Het licht uit hun keukens en woonkamers schijnt iel op de vies bijeengeplakte dagen. Er zit een boel viezigheid tussen deze dagen.

Niet in mijn tuin. Daar zie je in de dagen maar twee sets voetstappen. Één paar lomp grote zolen, en ernaast wat weifelende poezenpootjes. Mijn kat houdt niet zo van de dagen. Zij blijft er liever van verschuilen. Toch staan we altijd samen op. Ik stop even en leg mijn hoofd in mijn nek. Met open mond probeer ik een dag te vangen. Hebbes. Ik verklap niet hoe hij smaakt. Daar komt u zelf nog wel achter.