Beet

Verhaal door René van DensenZe kijkt me verbaasd aan als ik de keuken inloop. “Kon je niet meer slapen ?” Ik schudde nee: “Het werd zó slecht, lieverd.”
Zij, verbaasd: “Wat werd zo slecht ?”
“Hij werd dan dus eigenaar van die aasfabriek-”
Ze lacht: “Oh djiez, je hebt het over dat filmverhaal dat je aan het dromen was ?”
“Ja, dat ging nog even door, en het werd zo’n hollywoodcliché, vreselijk.”
“Oké vertel op.” Ze smeerde ondertussen boterhammen en schudde met de honingfles.
“Nou die ene kerel dus, zo’n echt Jason Bateman type-”
“Die uit Ozark, dat zei je ja.”
“Ja precies die. Dat is dus de eigenaar van een klein viswinkeltje. Typisch zo’n net drijvend blijvend zaakje, geen echte toekomst, en op een dag merkt hij verbaasd dat het aas dat enkele van zijn vaste klanten het fijnst vinden, niet binnengekomen is.”
“Ja, de doos was leeg, geen aas, hij vraagt zijn medewerker hoe en wat. Dit vertelde je net halfwakker toen ik opstond.”
“Die medewerker, echt zo’n laconiek Jeffrey Wright-figuur-”
“Wie is dat ?”
“Uit Broken Flowers.”
“Heb ik niet gezien.”
“Niet ?? Oh, die moeten we echt een keer samen kijken.”
“Maar vertel verder. Viswinkel, en dan ?”
“Ja, dus die vraagt zijn medewerker hoe dat allemaal kan. Die medewerker zegt ‘heb je het niet gehoord ? Die fabriek is failliet’ waarop onze Jason zoiets heeft van waaaat failliet hoe dan. Zegt die medewerker heel droog dat het aandeel stabiel was. Dus Jason verbaasd: maar is dat dan niet een goed ding, stabiel investeren ? En onze Jeffrey: ‘Niet in deze economie, iedereen wil actie in zijn investering, hoger rendement bla bla.’ Dus Jason even verbaasd, en dan ineens: ‘Kunnen we dat bedrijf kopen ?’ En zijn medewerker al even verbaasd: ‘Bij de huidige stand van de aandelen ? Waarschijnlijk kun je je net inkopen, ja.’-”
“En hij denkt natuurlijk: euj, dat gaan we doen, lekker mijn eigen bedrijf, visaas maken.”
“Ja, dat dus. Hij denkt vooral, superleuk, romantisch visaas maken met je handen of zo. Maar dat blijkt natuurlijk allemaal machinaal. Toch vindt hij het leuker dan de viswinkel en omdat hij feeling heeft met de klandizie, duikt hij er enthousiast in. Maar ondertussen is er ook een golddigger-”
Ze kreunt mopperend: “Sorry, ga door.”
“Geen golddigger ?”
“Nee, ik krijg de honing er niet uit. Die is gekristalliseerd.”
Ik probeer in de fles te knijpen maar het lukt inderdaad niet. “Laat mij maar even.”
“Maar vertel door, de golddigger ?”
“Ja die golddigger dus, zo’n Katherine Heigl karakter, met dure zonnebril en dure drankjes op zonovergoten terrasjes en zo-”
“Help me even.”
“Ja, dat probeer ik, maar ik krijg die honing er niet uit.”
“Nee, ik bedoel, Katherine wie ?”
“Heigl. Knocked Up.”
“Oh ja, die. Ga door.”
Ik pak een groot glas en zet de honingfles erin. “Die komt dan via alimentatie, nee, het was via een erfenis, de oude eigenaar van de fabriek is doodgegaan door de stress over het aandeel en zo, enfin, zij wordt mede-eigenaar van die visaasfabriek.”
“Oeeeeeeeeh…”
“Ja, je voelt hem al he ? En hij kan haar natuurlijk eerst helemaal niet uitstaan, en zij vindt die fabriek verschrikkelijk, maar ze moeten er allebei zijn, bladiebla. Oh en de titel was helemaal verschrikkelijk, ik noemde het ‘Bait’.”
“Beet ?”
“Ja, maar dan in het Engels. Dat het ook ‘aas’ heet. Super clever natuurlijk.”
“Wat ben je aan het doen ?”
“Nou, als ik dit warm water erover laat lopen, dan gaat die honing… kijk, daar zakt hij al.”
“Oh. Handig !”
“Maar goed, het hele verhaal klinkt kortom als iets wat we even luchtig zouden wegkijken zo van, nou, hebben we die ook weer gezien, next.”
“Ja oke maar zo slécht is het toch ook dan niet ?”
“Ja maar ik ga het echt niet opschrijven lieverd.”
Ze kust me. “Hoezo niet ?”
“Ik heb die roman al twee jaar stil liggen lieve schat. Die wordt ooit, ooit, echt serieus goed.”
“Waarom schrijf je die niet verder dan ?”
“Ja ik zit muurvast op het plot omdat alles niet meer klopt.”
“Dan schrijf je het toch gewoon kloppend ? Had je niet ook hulp van die ene schrijver ?”
“Dat klopt, maar die leest alleen maar na wat ik schrijf en geeft dan comments. En na twee jaar radiostilte kan ik nu alleen aankomen met een roman die af is.”
“Nou schrijven dan.”
Ik sputter: “Ik heb nog niet eens een eerste koffie op.”
Ze kust mijn voorhoofd: “En nú al een prima verkoopbaar cliché-hollywoodscript geschreven in je droom. Dus hop.”

Tien minuten later staar ik naar een laptopscherm. De knipperende cursor begroet me met een zacht giecheltje en vraagt waar ik al die tijd gebleven ben.

Vaatwasser

Verhaal door René van DensenMijn baas staat aan mijn bureau en zegt dat ik al mijn werkzaamheden moet staken want er is een dringende kwestie. Hij zegt dat ik een handleiding moet schrijven. Sinds hij weet dat ik op internet verhaaltjes en gedichten schrijf komt elk regeltje tekst dat bij mijn werk geschreven moet worden, uit mijn toetsenbord. Mijn baas zegt dat ik mee moet komen. Hij neemt me de bedrijfskantine in en wijst naar het aanrecht. Boven de vaatwasser staat een berg vieze kopjes en bordjes. Plastic lepeltjes, broodmessen, longdrinkglazen met onbestemde substanties langs de randen. Ik kijk mijn baas aan. Hij opent de vaatwasser en wijst. Ik kijk. De vaatwasser bevat drie borden en één koffiekopje. Zichtbaar vies. Ik kijk opnieuw naar mijn baas. Hij zegt dat het personeel niet met de vaatwasser om kan gaan. Omdat hij altijd als laatste naar huis gaat moet hij steeds de vaatwasser inruimen. Hij wil dat ik een handleiding maak zodat iedereen weet dat de vuile vaat niet boven, maar in de vaatwasser moet.

Ik ga terug naar mijn bureau en schrijf dat de vuile vaat niet op, maar in de vaatwasser moet gezet worden. Ik schrijf meteen maar hoe het zeepvakje gevuld moet worden en hoe je de vaatwasser start: aanzetten en deur sluiten. Ik loop met een fotocamera naar de vaatwasser en maak illustrerende foto’s die ik in de handleiding plaats. Omdat ik wel eens wat boekjes maak, kan ik dus ook een afbeelding in een tekstdocument toevoegen. Ik loop over van veelzijdigheid. Zorgvuldig stuur ik het document naar alle collega’s. Ik print het bovendien uit en leg het bovenop de vaatwasser terwijl mijn baas mopperend het apparaat vult met vuile vaat.

Aan het eind van de volgende dag roept mijn baas me weer bij de vaatwasser. De berg vuile vaat is nog groter. Hij zegt dat dit zo niet kan. Hij zegt dat het niet aan mijn handleiding ligt. Dat hij een telefoontje heeft gepleegd en dat morgen iedereen verplicht een workshop vaatwasser vullen krijgt. Ik knik. Een verstandig besluit, zeg ik, en ik plaats mijn lege kopje koffie in de vaatwasser. De baas klopt me op de rug. Het komt goed, verzekert hij me. Het komt echt uiteindelijk wel goed. De mensen moeten het gewoon even zien.

De volgende dag zit iedere medewerker van het bedrijf bij de workshop. Een druk pratende en gebarende man in een kleurig pak praat over het belang van hygiëne in kantooromgevingen. Dat deze omgevingen doorgaans minder vaak schoongemaakt worden dan thuisomgevingen, ook wel woningen genoemd. De mensen lachen. Dat dat viezigheid en gevaar voor de volksgezondheid oplevert. De mensen knikken ernstig. De man toont de vaatwasser en trekt de korven naar voren. Hij wijst op welke plekken er allemaal koffiekopjes geplaatst kunnen worden en verzekert de mensen dat er echt genoeg plaats is. Ze knikken. Hij toont in het onderste rek hoe een bord in het rek kan. Ook het bestekmandje demonstreert hij. De mensen steken vingers op. Moet dat allemaal per se op die plaatsen, vraagt iemand. Nee, zegt de workshopmeneer, je mag als er genoeg ruimte is ook gerust koffiekopjes beneden stallen.

Hij demonstreert het vullen van het zeepbakje. De mensen kijken aandachtig toe. Hij toont het aanschakelen en geeft uitvoerige uitleg over de wasprogramma’s. Geknik en uhhuh. Hij verzekert ze dat het standaardprogramma genoeg is, dus aanzetten en – klik – de deur sluiten, dat is genoeg. Mensen knikken bewonderend elkaar aan wanneer ze het apparaat horen spoelen. Ze maken toch maar bijzondere dingen tegenwoordig he. De techniek staat voor niks. Ah, maar let op, zegt de workshopmeneer en wijst op de vloer. Er gaat zelfs een lampje op de grond schijnen, toont hij, als de vaatwasser aan staat. Dat is slim, zeggen de mensen. De workshopmeneer heeft een oefenvaatwasser meegenomen. Iedereen mag een kopje in het apparaat zetten en krijgt dan te horen dat ze het goed hebben gedaan. De mensen kirren van plezier om deze erkenning. Als afsluiter wordt er gedemonstreerd hoe de echte vaatwasser, die inmiddels zijn programma af heeft, geleegd moet worden.

Na afloop kletsen ze nog even met de workshopmeneer. Ze zeggen dat hij het heel, heel goed heeft uitgelegd. Hij schudt iedereen de hand en neemt dan afscheid. Langzaam gaat de ene na de andere persoon naar huis. Iedereen zet zijn vuile kopje op het aanrecht boven de geleegde vaatwasser.

Gelezen en akkoord bevonden

Verhaal door René van DensenHet boek is een welkome afwisseling van alle formulieren die ik heb moeten ondertekenen de afgelopen dagen. Ik zit al snel diep erin verzonken terwijl ik wacht. De nummers op het bord zijn nog niet in de buurt van het nummer op mijn papiertje dus ik kan, schat ik, toch wel een aantal korte verhalen lezen. Maar dan gaat het ineens hard. Halverwege een kortverhaal word mijn nummer al geroepen. Grommig steek ik het boek in de tas en neem plaats aan de balie.

Vanzelfsprekend kijk ik wéér formulieren voorgelegd. De teksten erop zijn hilarisch. De patiënt erkent te begrijpen dat de medische wetenschap geen exacte wetenschap is en dat er zich dus onvoorziene situaties voor kunnen doen, of De dokter heeft de patiënt gewezen op de gevolgen voor de gezondheid wanneer de behandeling verricht wordt, of wanneer deze niet gepleegd wordt. Ook is de patiënt gewezen op alternatieve geneeswijzen. Ik heb de dokter geen woord horen reppen over kruidenthee die mijn scheve neus weer recht en ongebroken tovert, maar zet toch mijn handtekening.

Er is iets met de kamer. Ik zeg dat ik niet wil overnachten want ik wil gewoon na de ingreep terug naar mijn kat. Lekker op de bank liggen met de poes op schoot, uitduffen met een boekje of filmpje erbij. Fok die ziekenbedden. De loopafstand is nog geen kilometer. Zet die neus recht en laat me gaan verdorie. Ja maar meneer, zeggen ze, u moet ook nog bijkomen van de narcose he, en daar moet u voor in een bed zitten, dus een kamer hebben. Ah ja oke, antwoord ik. Maar ik wil wel naar huis daarna. Ja meneer, u heeft geen overnachting aangegeven staan inderdaad. Maar we gaan even nog de kamer regelen, zet u maar daar, dan roepen we u sebiet wel he, ja meneer tot sebiet.

Ik lees door in mijn boek. Kan met het kortverhaal in feite helemaal opnieuw beginnen. Gelukkig had ik erop gerekend: het zijn allemaal ZKV’s, Zeer Korte Verhalen. Geschreven door iemand die ik tot een half jaar geleden nog als een vriend beschouwde. Ik kom in enkele verhalen als karakter voor. Dat was bij zijn eerdere boeken ook. Twee regels verder dan de eerste onderbreking word ik weer naar het loket geroepen. Ik lees morrig snel het verhaal uit en kom dan. Sorry meneer voor het storen in uw boek he, is het een goed boek ? Ik lieg van wel omdat ik me nu al aan de onderbrekingen erger.

Overal hetzelfde: gebruikt u medicatie, bent u allergisch, gaat u akkoord met dat wij dit of dat doen. En nog formulieren. De doktoren knijpen hem nogal dat ik dood zou gaan zonder mijn toestemming. Ik onderga het aanvankelijk laconiek en lacherig. Tussendoor probeer ik wat te lezen, maar al snel word ik naar de OK weggerold. Het boek wordt hunkerend wachtend achtergelaten terwijl ze me een lift in rijden en dan weer ergens anders twintig minuten aan mezelf overlaten. Ik mis mijn boek en neurie maar wat. Naast het gordijn links snurkt iemand. Aan de andere kant kakt iemand zijn bed onder. Iemand verderop geeft aan de verpleger toe dat hij na middernacht nog een glas water heeft gedronken. Grote paniek. Bellen naar de dokter. Streng toespreken naar de patiënt. Dan het verlossende akkoord van de arts: het is in orde, één glas kan nog, zolang het echt enkel maar water was.

Nog twee mensen komen vragen of ik niks gegeten of gedronken heb sinds middernacht, of ik allergisch ben ergens voor, of ik akkoord ga met alles wat ze gaan doen. Ik denk terug aan de vorige keer dat ik onder narcose ging – het was lang geleden, middelbare school. Toen moest ik nog tellen van 1 tot 8. Ik kwam bij en telde door: 7, 8. Ergens na nummer 6 heeft een team van medici vloekend, zwetend, tierend en snijdend aan mijn lijf gesleuteld en heel dat half uur is voorgoed verdwenen. Ik was er toen kwaad om. We hebben een beperkte tijd hier op aarde, ik voelde me bestolen.

Dit keer tellen ze niet eens af. Ik word vastgebonden met aan de ene kant een infuus en de andere kant een bloeddrukmeter. Een zuurstofmasker boven mijn gezicht en dat ik zo wel zal voelen dat ik in slaap zal vallen. En dan wordt mijn linkerarm koud. Ik word wel wederom wakker voor ze me op de herstelparkeerplaats stallen. Zo lig ik daar zeker drie kwartier terwijl ik me eigenlijk al voel alsof ik wel kan gaan. Het is maar een gebroken neus, denk ik nog. Geef me een houtje om op te bijten en zet dat kreng recht, dan kan ik weg.

Ze rollen me terug naar mijn kamer. Ik lees verveeld mijn boek, kijk zelfs wat TV. Ik kijk nooit TV. Er is ook niet veel op dus ik lees de rest van het boek uit. Ik verveel me kapot en heb honger, dorst. Laat op de middag krijg ik een flesje water, dat in enkele slokken weg is. Daarna enkele boterhammen en koffie – een godenmaal. Vervolgens wordt er nog een boel over en weer gebeld en gediscussieerd wat ze met me moeten. Uiteindelijk jagen ze me het bed en de kamer uit en zit ik nog een tijd in de wachtkamer van de polikliniek op mijn arts te wachten. Nog een goed uur later sta ik eindelijk, eindelijk buiten. Ik wil door mensen en gebouwen heen kunnen rennen, naar mijn kat. Naar mijn bank. Naar mijn plek. Stevig doorlopend overweeg ik het boek aan een willekeurige tegenligger cadeau te doen.

Meneer

Ja meneer, geef uw brief maar hè, en uw identiteitskaartje. Ja hoor dankuwel. Het is in orde, meneer, u mag plaatsnemen in de wachtkamer. De dokter zal u roepen, meneer. Ja hoor meneer, neemt u maar gerust plaats.

Ja meneer, zegt u het maar ? En bij welke arts heeft u van de namiddag een afspraak ? Oei, u weet het niet meer. Maar het is goed, meneer, u krijgt straks een brief mee en dan de code, zodat de arts gewoon uw resultaten kan opzoeken. Ja, meneer, u neemt dan gewoon die brief mee naar de afspraak en dan is het in orde. Ja, meneer, zet u maar, we zullen u zo wel roepen meneer.

Meneer Van Densen ? Komt u maar mee meneer.

Doet u vast hier uw jas uit en uw schoenen, meneer. Nee wacht, u bent hier voor uw neus he ? Dan moet u wel uw bril afdoen, meneer. Ja, en uw jas meneer. Nee, uw schoenen hoeven dan niet. Ik ga even het bed kantelen meneer. Zo…. Neemt u maar hier plaats meneer. Wat is er gebeurd precies, want het ziet allemaal wel wat blauw he ? Ja, uw neus staat precies ook wat scheef, meneer. Alé ‘tis al goed, we gaan eens zien. Gaat u zo met uw gezicht naar mij toe zitten meneer, ja en nu stilhouden. Oke… En nog eens… goed. Wilt u nu eens met uw hoofd naar links draaien meneer ? Dat is te ver meneer. Even terug meneer. Ja, en dan nu naar links. Dat is te rap meneer. Nog eens. Rustig uw hoofd lichtjes naar links draaien… Het was nog altijd iets te rap maar het zal wel in orde zijn meneer. Wilt u nu recht in het apparaat kijken alstublieft meneer. Ja.. niet bewegen meneer.. en nu nog eens… het is klaar meneer.
Ja, ’t is gebroken hè meneer. Gaat u met uw bril en jas maar door die ruimte, dan kunt u daar uw jas weer aandoen en door die deur links, dan bent u terug bij de wachtkamer.

Nee, zet u nog maar even meneer, we roepen u als de resultaten klaar zijn.

Meneer Van Densen ? Ja dus deze brief neemt u mee naar uw gesprek.
Dat is dan acht euro, meneer.

Tafels of: El Cappo returns

Verhaal door René van DensenIk snap het wel: iedereen heeft pijn. Sommige mensen omdat een trein drie minuten te laat is, anderen omdat hun hond gekakt heeft op plekken die ze liever niet hadden. En hij vraagt me of ik nog een verhaal over El Cappo wil schrijven omdat die in het ziekenhuis ligt en alle steun kan gebruiken.

Haar dochter komt huilen omdat ze water in haar gezicht kreeg van de oudere broer en hij wat wild deed. Mensen rondom me hebben afwisselend een hekel aan de bar omdat die niet serveren waar ze nu zin in hebben, of gezwollen voeten wegens echt serieuze kneuzingen of erger. Ik snap de ‘redders’ in dit zwembad wel, die bij elke crisis eerst komen aandrommelen omdat ze denken dat het vast niet zo erg is. Ze hebben statistieken aan hun kant. Ik was er een van.

Tien minuten geleden strekte ik mijn voet uit en die schoot onder een tafelpoot. De tafelpoot bleek scherp metaal en schraapte mijn schreef aan gort. Kan erger, maar er is bloed. Want ik kwam net uit zwemwater. Vul deze scène even zelf in met gillende kindjes, schreeuwende ouders en ruisend water. Ik vroeg kalm aan de bar of ze een pleister hadden en er was van hun kant paniek. Toen wenkten ze een ‘redder’ bijeen – een gigantische blonde viking die zijn lach moest inhouden bij mijn schaafwond – en die verwees mij door naar een andere ‘redder’. Die zette me met de kalmte van een coffeeshopbezoeker op een tweetal stoelen en spoot een onredelijke hoeveelheid desinficterend middel in het amper bloedende schaafje. Ik zat geamuseerd toe te kijken hoe een pleistertje omgewikkeld werd met een halve rol zwembadbestendig verband. ‘Want dan blijft het lakske zitten waar het zit,’ verduidelijkte de Vlaamse medewerker van dit zwembad.

Ik koos eieren voor mijn geld en bleef aan tafel zitten. Ten eerste kon ik daardoor wél met bril zien waar mijn lief, haar kinderen en haar voormalige geliefde allemaal het zwembadgeweld trotseerden – er waren prachtige subtropische superglijbanen, golfbaden en andere dingen te trotseren en te genieten in dit bad – en ik kreeg de comfortabele rol van tasbeheerder ten dele. Want we hadden een tas vol consumpties die het zwembad eigenlijk niet toestond, maar de prijzen in elk groter zwembad zijn echt niet gezinsvriendelijk te noemen als je hongerige en dorstige kinderen bij je hebt. Een frietje van vier euro, om maar iets te noemen. Of een koffie voor de ouders, à drie euro per kartonnen bekertje. We waren voorbereid en hadden een grote tas vol clandistiene veel beter te betalen producten meegesmokkeld. Ik werd de beheerder van de tas omdat ik zwaargewond was.

Met graagte dikte ik aan aan iedereen die het maar wou horen wat me overkomen was. Van ‘Ik ben onschuldig slachtoffer geworden van een scherpe tafel’ tot al snel ‘een woedende en zwaarbewapende tafel overviel mij in een donker steegje’. Omdat er zo’n overdreven hoeveelheid verband rondom het pleistertje gewikkeld was, toonde ik iedereen trots hoe erg mijn leven wel niet was. En daarna gingen ze weer vrolijk zwemmen, mij alleen achterlatend.

Hij kon het niet nalaten te vragen. “El Cappo, waar jij zo’n mooi verhaal over geschreven hebt. Die ligt nu wéér in het ziekenhuis. Kun je niet iets schrijven, om een hart onder zijn riem te steken ?” Ik vroeg me meteen af wat dan. Ik bedoel… het eerste verhaal was best af. En degeen die het vroeg, snelde weer de wildwaterbaan toe zonder antwoord.

Wanneer personeel de bekers en andere afval kwamen ophalen van ons tafeltje, zei ik dat ik belegerd was door een criminele familie tafels. De keer erop dat ik belegerd was door een veroveringszuchtige clan tafelbende. Toen ze het tafeltje kwamen reinigen, zei ik dat het tafelras niet te vertrouwen was, want vroeg of laat zouden ze zich tegen hun heersers keren, zoals ze mij laf belaagd hadden met een dagenlange omsingeling en bloederige sluipschutterij. Het leverde me hooguit sympathieke schampere lachjes op, terwijl mijn pleister volbloedde.

En toen dacht ik terug aan de tijden die ik in een ziekenhuisbed doorbracht. Forse blokken dag zonder bezoek, met enkel af en toe ziekenhuispersoneel als aanspraak en verder enkel de andere patiënten als gezelschap. Ik keek om me heen. Er waren mensen met gekneusde voeten en veel dames met grote borsten die net niet uit hun badpak floepten. Verderop zag ik de kindjes van mijn lief genieten van de waterpret.

En even dacht ik toch aan El Cappo. Die weerloos in een ziekenhuisbed lag, wachtend tot men iets kon doen aan zijn pacemaker en de batterij ervan en alle ellende die hij elke dag zag. En dat hij maar moest wachten op bezoek en weerloos lag. En El Cappo genoot ongetwijfeld weeral van elke cappuccino (ja zo spel je dat) die hij kon drinken. BAM. En ik besloot me nooit meer te laten overvallen door een planatoïde legermissie van tafels die het op de wreef van mijn bevochtigde voet hadden gemunt. Ik hoopte, op dat moment exact, dat hij genoot, van waar hij was, en voelde me schuldig, dat ik ook een beetje genoot. Van mijn situatie als zwaargewond slachtoffer van zaterdagmiddag zwemgeweld in een subtropisch zwemparadijs gevuld met rondborstige vreemden – mannen én vrouwen – en overprijsde snacks. Gelukkig kwamen mijn lief en haar kinderen snel weer terug en kon ik opscheppen, hoe een heel universum aan tafels zich op mijn voet gestort had. Ik was met slechts een schaafwond weggekomen. Ik was een held.

Vlooien

Verhaal door René van DensenMijn nieuwe buurvrouw zegt dat ze vlooien heeft. Die vlooien heeft ze niet als huisdier. Ze zijn zelfs niet van haar maar van de vorige bewoner. Mijn vorige buurman, die zijn kat ietwat verwaarloosde, heeft de vlooien achtergelaten, zonder eten of drinken, gewoon aan hun lot over. Ze zijn des te blijer met de buurvrouw, die ze als warm en zeer smakelijk kenmerken. Mijn buurvrouw krabt en gooit nu dagelijks haar wasgoed in de wasmachine, daarna in mijn droger. Ze zegt dat ze zelf een droger gaat kopen.

Mijn eigen kat heeft geen vlooien. Ik heb met de kam gecontroleerd. Wel enkele teken maar ik ben geen held met die tekentangen. Ik heb er inmiddels zeven. Steeds koop ik er ambitieus een en denk ik ‘vandaag ga ik alle teken van mijn kat verwijderen’. Op goede dagen kom ik thuis en blijkt de kat geen teken te hebben. Op slechte dagen belandt de tang of klem op een stapeltje omdat ik bang ben de teek kapot te knijpen en mijn kat dodelijk te vergiftigen. Ik ken soms mijn eigen kracht niet en mijn kat is best lief. Op verjaardagen geef ik nu mensen standaard een tekentang. Dat houdt de collectie een beetje in bedwang. Ik vertel expres niemand wanneer ik zelf jarig ben uit angst een tekenklem terug te krijgen.

Er is een speciale truc om mijn kat haar vlooiendruppel te kunnen geven. Ze is nerveus en gewelddadig verdedigend aangelegd. Het beste is dus haar als ze loom of slaperig is, stiekem te druppelen in haar nek en dat dan in te masseren. Even denkt ze dan spinnend dat je haar aait. Daarna haalt ze alsnog je armen open, rent het halve huis rond en gooit alles stuk. Met deze methode is het slechts het halve huis. Ze heeft in zo’n paniekbui nog nooit een tekenklem gebroken. Het eerste dat ik steeds erna controleer.

Terwijl ik een tekentang in cadeaupapier inpak, voel ik een scherpe steek in mijn kuit. Ik vermoed al wat het is. Voorzichtig mijn broek optrekkend vang ik moeiteloos de vlo. Het is spijtig voor de vlo maar ik verdrink ‘m in de fruitvliegenval. Dan pak ik de spuitbus en spuit deze leeg, op de deurmatten, langs de buitenmuur, op planten, op de vensterbanken, op stoelen, het kan me niet schelen. Ik heb genoeg vlooienplagen in mijn leven gehad en ben er klaar mee. Beteuterd schud ik de bus en overweeg een nieuwe te gaan halen. Maar met mogelijke vlooien in mijn kleren kan ik natuurlijk de straat niet op. Ik ben ineens een wandelend gevaar voor de volksgezondheid.

Buiten schijnt een stralende zon en ik zit weg te kwijnen. Stiekem hoop ik dat een teek mij pakt.

Gefermenteerd

Verhaal door René van Densen“Ga je mee ? Wij gaan naar de supermarkt.”
“Oh, ja, nee kan niet. Ik moet naar de Albert Heijn.”
“Hoezo moet jij nou weer naar de Appie ? Loop gewoon mee man.”
“Nee, ik heb avondeten nodig.”
“Ja dat heeft de Em-Te toch ook gewoon ?”
“Nee want ik moet daar gefermenteerde sojabonen halen.”
“Gefermewattes ?”
“Ken je dat niet ? Gefermenteerde sojabonen. Is lékker jongen !”
“Okee jij moet weer moeilijk doen. Wat is er mis met gewoon een pizza ?”
“Ja, niks, maar daar heb ik vanavond zin in.”
“En die hebben ze niet bij de Em-Te ?”
“Nee, alleen bij de Appie.”
“Okee, ja mij is het best. Anders gaan wij ook naar de Appie.”
“Ja als jullie twee naar de Appie gaan, ga ik niet mee hoor.”
“Hoezo dat nou weer niet ?”
“Ja, die salades daar zijn keiduur, dan ga ik gewoon naar de Em-Te.”
“Ik zei al, mij is het om het even, maar hij moet naar de Appie voor die geëxplodeerde sojadinges.”
“Gefermenteerd.”
“Ja dat. Dus anders gaan we gewoon langs allebei ?”
“Gaan jullie naar de Em-Te ?”
“Ja daar zijn we dus nog niet over uit. De een wil naar de Em-Te maar hij moet weer specifiek geërodeerde sojabonen of zoiets.”
“Gefermenteerd. Superlekker, echt hoor.”
“Ja dat dus. Hoezo, wat moet je hebben van de Em-Te ?”
“Van die pastasoep. Weet je wel, die ik eerst ook altijd had ?”
“Ja hebben ze dat niet bij de Appie ?”

Luisterend En Stuimig - René van Densen (2014 / dichtbundel)
Luisterend En Stuimig (2017)
Dichtbundel, 110 pag, full-colour
Price(EUR): €10.00

“Nee dus, daar heb ik van de week al gekeken.”
“Oh. Maar anders kijken we voor de zekerheid even ?”
“Nee, schijnbaar hebben ze die enkel bij de Em-Te.”
“Ja, hey, anders gaan jullie naar de Em-Te, ga ik wel in mijn eentje naar de Appie.”
“Voor je gesegmenteerde bonen ?”
“Ge-fer-men-teerd.”
“Ja whatever. Ik krijg wel honger van dit gesprek.”
“Gaan jullie naar de supermarkt ?”
“Ja, daar zitten we nog over te overleggen.”
“Gaan jullie naar de Plus ?”
“Nee, we gaan of naar de Em-Te voor pastasoep, of naar de AaHaa voor de geverteerde soja-”
“Gefermenteerd !”
“Geventileerde bonen.”
“Oh. Want bij de Plus hebben ze dat lekkere brood.”
“Laat maar hoor, zoeken jullie het uit. Ik bestel wel wat.”

Ogen, overal ogen

Verhaal door René van DensenSecuur, zou ik het noemen. Zelfs letterlijk met het puntje van de tong rechts uit de mond. Het zwart maakte hij ook echt diepzwart. Toen hij een stap achteruit deed om het resultaat te bewonderen, zag ik het ook – hij had een oog geschilderd. Tevreden schudde hij nog even met zijn spuitbusje en stak die behendig terug in zijn jaszak. Vervolgens maakte hij zich haastig uit de voeten.

Mensen liepen massaal voorbij zonder één blik op het oog te werpen. Maar ik werd er nieuwsgierig van. Gehurkt inspecteerde ik de afbeelding grondig. Er was absoluut iets mee, maar geen idee wat. Ik hurkte andersom en volgde de zichtlijn van het getekend oog. Daar zag ik enkel een vertrapt frisdrankflesje. Even bleef ik zitten want misschien zag ik het fout, maar er was niets bijzonders. Het oog was op een kapot flesje gericht. Beteuterd stond ik op en liep door.

Enkele straten verder zag ik nog een oog. Op een schuingereden paaltje. Wederom bekeek het ogenschijnlijk niets bijzonders. Een hondendrol, met een uitgestreken voetafdruk erin. Straat verder, weer een oog. Blik op een platgewalst muntje op een tramrail. Een oog verderop bestudeert aandachtig een propje papier. Ik vouwde het open: boodschappenlijstje met enkel ‘brood’ en ‘fruit’ erop. Terwijl ik de boodschap probeer te ontcijferen, komt de knaap woedend aangelopen. Hij grist het papiertje uit mijn handen, frommelt het terug op, en plaatst het zorgvuldig in het zicht van het oog. Om dan de straat weer uit te struinen. Ik knipper even met mijn ogen en dan ga ik toch nieuwsgierig achter hem aanstappen.

De hoek om blijkt hij spoorloos verdwenen. Maar in alle richtingen zie ik ze. Ogen, overal ogen. Ze staren naar elke onbenulligheid die er in de straat te vinden is. Opzettelijk. Ik ga leunend tegen een muur zitten en staar naar een veertje waar een ander oog diepzinnig naar aan het staren is. Soms kun je maar het beste meedoen.

Feestjes

Verhaal door René van DensenJe hebt van die mensen die als ze een boek hebben uitgelezen, dat in een kast bewaren, als een trofee van de afgelegde route, en zo hun huis volbouwen met uitgelezen boeken die ze daarna nooit meer aanraken. Helaas voor mijn boekverkoop ken ik dergelijke mensen te weinig. Met statistische inschatting en logisch redeneren concludeer ik echter dat ik dergelijke mensen minstens in een fors aantal in mijn leven heb gekend. Ik heb veel mensen gekend en daarna ongekend, dus daar moeten mensen tussen zitten die hun boekenkasten volbouwen met leestrofeeën.

Dat schiet door mijn hoofd als een oudklasgenoot mij een uitnodiging stuurt voor een reünie. De reünie is niet enkel met haarzelf. Dat zou mijn lief vermoedelijk raar vinden, ikzelf trouwens ook. De oudklasgenoot is iemand die ik heel goed ongekend heb, beduidend beter dan dat ik die gekend heb. Ze doet leuke dingen tegenwoordig, vertellen de sociale media mij, dus dat valt dan weer mee. Altijd leuk als oudklasgenoten zich ontwikkelen tot echte mensen in het leven.

De reünie is van mijn oude school, en niet eens enkel voor de schoolgaande mensen van mijn schooltijd, maar voor alle afstudeerjaren. De oude school pakt groot uit met een all-inclusive reünie. Iedereen bijeenbrengen, is het concept. Ik ga nooit naar reünies. Ik vlucht vooruit in het leven en keer nooit heen waar ik vast om een goede reden van ben weggegaan. Wat ik me van school herinner bovendien is dat ik iedereen stom vond, statistisch tenminste. Uitzonderingen maken het je overal lastig te generaliseren. Of bijna toch.

Wat ik wel doe, is gaan naar reünies van scholen of werkgevers of verenigingen waar ik nooit deel van uitgemaakt heb. Daar struin ik het internet voor af tot ik er een vind die niet al te lastig reizen is. Ik trek een kostuum aan waarvan ik inschat dat ik goed in het gezelschap ga passen – een dierenartsreünie is toch anders dan die van een djembé-ensemble en kantenklossers kleden zich anders dan bankdirecteuren – en ga me daar voordoen als een collega of vriend of verenigingslid die zich de anderen nog levendig herinnert. Zij voelen zich dan enorm schuldig dat ze mij niet herkennen, waarop ik passief-agressief zeg dat het wel oke is. Als ze dan, zich opgelaten voelend, vragen wat ik tegenwoordig doe, breng ik het gesprek op mijn schrijversschap en zo verkoop ik nog af en toe eens een boek.

Dat is eigenlijk de enige reden dat ik wel eens op een feestje kom. Om boeken te verkopen aan mensen die mijn werk nog niet kennen en dus geen geldige reden hebben om geen boek aan te schaffen. Voor de rest heb ik op feestjes meestal bar weinig te zoeken. Daar heb ik nu zelfs een boek over geschreven, over feestjes waar ik bar weinig te zoeken heb. En ik organiseer als presentatie van dat boek een feestje, waarop een boel mensen zich zullen afvragen wat ze er te zoeken hebben. En met wat geluk verkoop ik aan die mensen een boek. Dat ze thuis in de trofeeënkast kunnen plaatsen.

Ik mail de klasgenoot dat ik nog niet weet of ik kom en loop naar mijn eigen boekenkast. Behalve stapels onverkochte boeken staat er een boek in van Joubert Pignon. Ik had er twee maar laatst ging ik naar een feestje. Ik bedacht me op het laatst dat ik geen cadeau had, en als je zonder cadeau aankomt vinden mensen het toch minder leuk, dat je aan de gasten je boeken gaat lopen verkopen.

Dingen kunnen

Verhaal door René van DensenBronstig zingen powertools enkele huizen verderop hun productieve paringsliederen terwijl ik weer eens, met een koffie in de hand en pantoffels aan de voeten, over het pleintje voor mijn huis staar. Aan de andere kant van mijn straat zingen politie- en brandweersirenes hun repliek. Het is een kakafonie van menselijk kunnen en ze kunnen er wat van.

Ik ben vandaag niet zo zeker van de dingen die ik denk te kunnen. Dat kan gebeuren. Zo ben ik veel dagen best vaardig in het uit elkaar houden van mijn extreem eenkennige poes en de hondsbrutale, speelse jonge kater van mijn buurman, die haar tegen beter weten in de ganse dag hallo komt zeggen. Rennend, paniek zaaiend bij mijn gillende kat. Vandaag trekt hij zich niets van mij aan, ben ik duidelijk niet imposant. Kunst, met al dat lawaai in de buurt kan ik er moeiteloos nog bij.

Concentreren kan ik me vandaag ook al niet. Ik sluit de deur en strek me uit op het tweepersoonsbankje in mijn woonkamer. De kat springt direct op schoot. Ze herkent wanneer ik het allemaal even iets minder aan kan. Ik spreek tegen haar: “Ik kan het heus wel hoor, poes.” Ze knikt niet maar oogt toch beamend. “Als mensen me nu iets minder lastig vielen met die onpraktisch praktische zaken en ik me gewoon kon richten op de dingen die ik kan, dan zou ik ze misschien nog beter leren kunnen.” Poes knijpt de ogen eens bijeen. Ze spint. Dat betekent dat ik gelijk heb.

Plots zwijgen de powertools en begint een man luid te schreeuwen. Het lokt de sirenes aan. Oorverdovend jagen ze door mijn straat en ik vergeet wat ik ook alweer aan het denken was. Een slok koffie dan maar. En zo weer verder. We doen wat we kunnen, immers.