Meneer

Ja meneer, geef uw brief maar hè, en uw identiteitskaartje. Ja hoor dankuwel. Het is in orde, meneer, u mag plaatsnemen in de wachtkamer. De dokter zal u roepen, meneer. Ja hoor meneer, neemt u maar gerust plaats.

Ja meneer, zegt u het maar ? En bij welke arts heeft u van de namiddag een afspraak ? Oei, u weet het niet meer. Maar het is goed, meneer, u krijgt straks een brief mee en dan de code, zodat de arts gewoon uw resultaten kan opzoeken. Ja, meneer, u neemt dan gewoon die brief mee naar de afspraak en dan is het in orde. Ja, meneer, zet u maar, we zullen u zo wel roepen meneer.

Meneer Van Densen ? Komt u maar mee meneer.

Doet u vast hier uw jas uit en uw schoenen, meneer. Nee wacht, u bent hier voor uw neus he ? Dan moet u wel uw bril afdoen, meneer. Ja, en uw jas meneer. Nee, uw schoenen hoeven dan niet. Ik ga even het bed kantelen meneer. Zo…. Neemt u maar hier plaats meneer. Wat is er gebeurd precies, want het ziet allemaal wel wat blauw he ? Ja, uw neus staat precies ook wat scheef, meneer. Alé ‘tis al goed, we gaan eens zien. Gaat u zo met uw gezicht naar mij toe zitten meneer, ja en nu stilhouden. Oke… En nog eens… goed. Wilt u nu eens met uw hoofd naar links draaien meneer ? Dat is te ver meneer. Even terug meneer. Ja, en dan nu naar links. Dat is te rap meneer. Nog eens. Rustig uw hoofd lichtjes naar links draaien… Het was nog altijd iets te rap maar het zal wel in orde zijn meneer. Wilt u nu recht in het apparaat kijken alstublieft meneer. Ja.. niet bewegen meneer.. en nu nog eens… het is klaar meneer.
Ja, ’t is gebroken hè meneer. Gaat u met uw bril en jas maar door die ruimte, dan kunt u daar uw jas weer aandoen en door die deur links, dan bent u terug bij de wachtkamer.

Nee, zet u nog maar even meneer, we roepen u als de resultaten klaar zijn.

Meneer Van Densen ? Ja dus deze brief neemt u mee naar uw gesprek.
Dat is dan acht euro, meneer.

Tafels of: El Cappo returns

Verhaal door René van DensenIk snap het wel: iedereen heeft pijn. Sommige mensen omdat een trein drie minuten te laat is, anderen omdat hun hond gekakt heeft op plekken die ze liever niet hadden. En hij vraagt me of ik nog een verhaal over El Cappo wil schrijven omdat die in het ziekenhuis ligt en alle steun kan gebruiken.

Haar dochter komt huilen omdat ze water in haar gezicht kreeg van de oudere broer en hij wat wild deed. Mensen rondom me hebben afwisselend een hekel aan de bar omdat die niet serveren waar ze nu zin in hebben, of gezwollen voeten wegens echt serieuze kneuzingen of erger. Ik snap de ‘redders’ in dit zwembad wel, die bij elke crisis eerst komen aandrommelen omdat ze denken dat het vast niet zo erg is. Ze hebben statistieken aan hun kant. Ik was er een van.

Tien minuten geleden strekte ik mijn voet uit en die schoot onder een tafelpoot. De tafelpoot bleek scherp metaal en schraapte mijn schreef aan gort. Kan erger, maar er is bloed. Want ik kwam net uit zwemwater. Vul deze scène even zelf in met gillende kindjes, schreeuwende ouders en ruisend water. Ik vroeg kalm aan de bar of ze een pleister hadden en er was van hun kant paniek. Toen wenkten ze een ‘redder’ bijeen – een gigantische blonde viking die zijn lach moest inhouden bij mijn schaafwond – en die verwees mij door naar een andere ‘redder’. Die zette me met de kalmte van een coffeeshopbezoeker op een tweetal stoelen en spoot een onredelijke hoeveelheid desinficterend middel in het amper bloedende schaafje. Ik zat geamuseerd toe te kijken hoe een pleistertje omgewikkeld werd met een halve rol zwembadbestendig verband. ‘Want dan blijft het lakske zitten waar het zit,’ verduidelijkte de Vlaamse medewerker van dit zwembad.

Ik koos eieren voor mijn geld en bleef aan tafel zitten. Ten eerste kon ik daardoor wél met bril zien waar mijn lief, haar kinderen en haar voormalige geliefde allemaal het zwembadgeweld trotseerden – er waren prachtige subtropische superglijbanen, golfbaden en andere dingen te trotseren en te genieten in dit bad – en ik kreeg de comfortabele rol van tasbeheerder ten dele. Want we hadden een tas vol consumpties die het zwembad eigenlijk niet toestond, maar de prijzen in elk groter zwembad zijn echt niet gezinsvriendelijk te noemen als je hongerige en dorstige kinderen bij je hebt. Een frietje van vier euro, om maar iets te noemen. Of een koffie voor de ouders, à drie euro per kartonnen bekertje. We waren voorbereid en hadden een grote tas vol clandistiene veel beter te betalen producten meegesmokkeld. Ik werd de beheerder van de tas omdat ik zwaargewond was.

Met graagte dikte ik aan aan iedereen die het maar wou horen wat me overkomen was. Van ‘Ik ben onschuldig slachtoffer geworden van een scherpe tafel’ tot al snel ‘een woedende en zwaarbewapende tafel overviel mij in een donker steegje’. Omdat er zo’n overdreven hoeveelheid verband rondom het pleistertje gewikkeld was, toonde ik iedereen trots hoe erg mijn leven wel niet was. En daarna gingen ze weer vrolijk zwemmen, mij alleen achterlatend.

Hij kon het niet nalaten te vragen. “El Cappo, waar jij zo’n mooi verhaal over geschreven hebt. Die ligt nu wéér in het ziekenhuis. Kun je niet iets schrijven, om een hart onder zijn riem te steken ?” Ik vroeg me meteen af wat dan. Ik bedoel… het eerste verhaal was best af. En degeen die het vroeg, snelde weer de wildwaterbaan toe zonder antwoord.

Wanneer personeel de bekers en andere afval kwamen ophalen van ons tafeltje, zei ik dat ik belegerd was door een criminele familie tafels. De keer erop dat ik belegerd was door een veroveringszuchtige clan tafelbende. Toen ze het tafeltje kwamen reinigen, zei ik dat het tafelras niet te vertrouwen was, want vroeg of laat zouden ze zich tegen hun heersers keren, zoals ze mij laf belaagd hadden met een dagenlange omsingeling en bloederige sluipschutterij. Het leverde me hooguit sympathieke schampere lachjes op, terwijl mijn pleister volbloedde.

En toen dacht ik terug aan de tijden die ik in een ziekenhuisbed doorbracht. Forse blokken dag zonder bezoek, met enkel af en toe ziekenhuispersoneel als aanspraak en verder enkel de andere patiënten als gezelschap. Ik keek om me heen. Er waren mensen met gekneusde voeten en veel dames met grote borsten die net niet uit hun badpak floepten. Verderop zag ik de kindjes van mijn lief genieten van de waterpret.

En even dacht ik toch aan El Cappo. Die weerloos in een ziekenhuisbed lag, wachtend tot men iets kon doen aan zijn pacemaker en de batterij ervan en alle ellende die hij elke dag zag. En dat hij maar moest wachten op bezoek en weerloos lag. En El Cappo genoot ongetwijfeld weeral van elke cappuccino (ja zo spel je dat) die hij kon drinken. BAM. En ik besloot me nooit meer te laten overvallen door een planatoïde legermissie van tafels die het op de wreef van mijn bevochtigde voet hadden gemunt. Ik hoopte, op dat moment exact, dat hij genoot, van waar hij was, en voelde me schuldig, dat ik ook een beetje genoot. Van mijn situatie als zwaargewond slachtoffer van zaterdagmiddag zwemgeweld in een subtropisch zwemparadijs gevuld met rondborstige vreemden – mannen én vrouwen – en overprijsde snacks. Gelukkig kwamen mijn lief en haar kinderen snel weer terug en kon ik opscheppen, hoe een heel universum aan tafels zich op mijn voet gestort had. Ik was met slechts een schaafwond weggekomen. Ik was een held.

Vlooien

Verhaal door René van DensenMijn nieuwe buurvrouw zegt dat ze vlooien heeft. Die vlooien heeft ze niet als huisdier. Ze zijn zelfs niet van haar maar van de vorige bewoner. Mijn vorige buurman, die zijn kat ietwat verwaarloosde, heeft de vlooien achtergelaten, zonder eten of drinken, gewoon aan hun lot over. Ze zijn des te blijer met de buurvrouw, die ze als warm en zeer smakelijk kenmerken. Mijn buurvrouw krabt en gooit nu dagelijks haar wasgoed in de wasmachine, daarna in mijn droger. Ze zegt dat ze zelf een droger gaat kopen.

Mijn eigen kat heeft geen vlooien. Ik heb met de kam gecontroleerd. Wel enkele teken maar ik ben geen held met die tekentangen. Ik heb er inmiddels zeven. Steeds koop ik er ambitieus een en denk ik ‘vandaag ga ik alle teken van mijn kat verwijderen’. Op goede dagen kom ik thuis en blijkt de kat geen teken te hebben. Op slechte dagen belandt de tang of klem op een stapeltje omdat ik bang ben de teek kapot te knijpen en mijn kat dodelijk te vergiftigen. Ik ken soms mijn eigen kracht niet en mijn kat is best lief. Op verjaardagen geef ik nu mensen standaard een tekentang. Dat houdt de collectie een beetje in bedwang. Ik vertel expres niemand wanneer ik zelf jarig ben uit angst een tekenklem terug te krijgen.

Er is een speciale truc om mijn kat haar vlooiendruppel te kunnen geven. Ze is nerveus en gewelddadig verdedigend aangelegd. Het beste is dus haar als ze loom of slaperig is, stiekem te druppelen in haar nek en dat dan in te masseren. Even denkt ze dan spinnend dat je haar aait. Daarna haalt ze alsnog je armen open, rent het halve huis rond en gooit alles stuk. Met deze methode is het slechts het halve huis. Ze heeft in zo’n paniekbui nog nooit een tekenklem gebroken. Het eerste dat ik steeds erna controleer.

Terwijl ik een tekentang in cadeaupapier inpak, voel ik een scherpe steek in mijn kuit. Ik vermoed al wat het is. Voorzichtig mijn broek optrekkend vang ik moeiteloos de vlo. Het is spijtig voor de vlo maar ik verdrink ‘m in de fruitvliegenval. Dan pak ik de spuitbus en spuit deze leeg, op de deurmatten, langs de buitenmuur, op planten, op de vensterbanken, op stoelen, het kan me niet schelen. Ik heb genoeg vlooienplagen in mijn leven gehad en ben er klaar mee. Beteuterd schud ik de bus en overweeg een nieuwe te gaan halen. Maar met mogelijke vlooien in mijn kleren kan ik natuurlijk de straat niet op. Ik ben ineens een wandelend gevaar voor de volksgezondheid.

Buiten schijnt een stralende zon en ik zit weg te kwijnen. Stiekem hoop ik dat een teek mij pakt.

Gefermenteerd

Verhaal door René van Densen“Ga je mee ? Wij gaan naar de supermarkt.”
“Oh, ja, nee kan niet. Ik moet naar de Albert Heijn.”
“Hoezo moet jij nou weer naar de Appie ? Loop gewoon mee man.”
“Nee, ik heb avondeten nodig.”
“Ja dat heeft de Em-Te toch ook gewoon ?”
“Nee want ik moet daar gefermenteerde sojabonen halen.”
“Gefermewattes ?”
“Ken je dat niet ? Gefermenteerde sojabonen. Is lékker jongen !”
“Okee jij moet weer moeilijk doen. Wat is er mis met gewoon een pizza ?”
“Ja, niks, maar daar heb ik vanavond zin in.”
“En die hebben ze niet bij de Em-Te ?”
“Nee, alleen bij de Appie.”
“Okee, ja mij is het best. Anders gaan wij ook naar de Appie.”
“Ja als jullie twee naar de Appie gaan, ga ik niet mee hoor.”
“Hoezo dat nou weer niet ?”
“Ja, die salades daar zijn keiduur, dan ga ik gewoon naar de Em-Te.”
“Ik zei al, mij is het om het even, maar hij moet naar de Appie voor die geëxplodeerde sojadinges.”
“Gefermenteerd.”
“Ja dat. Dus anders gaan we gewoon langs allebei ?”
“Gaan jullie naar de Em-Te ?”
“Ja daar zijn we dus nog niet over uit. De een wil naar de Em-Te maar hij moet weer specifiek geërodeerde sojabonen of zoiets.”
“Gefermenteerd. Superlekker, echt hoor.”
“Ja dat dus. Hoezo, wat moet je hebben van de Em-Te ?”
“Van die pastasoep. Weet je wel, die ik eerst ook altijd had ?”
“Ja hebben ze dat niet bij de Appie ?”

Luisterend En Stuimig - René van Densen (2014 / dichtbundel)
Luisterend En Stuimig (2017)
Dichtbundel, 110 pag, full-colour
Price(EUR): €10.00

“Nee dus, daar heb ik van de week al gekeken.”
“Oh. Maar anders kijken we voor de zekerheid even ?”
“Nee, schijnbaar hebben ze die enkel bij de Em-Te.”
“Ja, hey, anders gaan jullie naar de Em-Te, ga ik wel in mijn eentje naar de Appie.”
“Voor je gesegmenteerde bonen ?”
“Ge-fer-men-teerd.”
“Ja whatever. Ik krijg wel honger van dit gesprek.”
“Gaan jullie naar de supermarkt ?”
“Ja, daar zitten we nog over te overleggen.”
“Gaan jullie naar de Plus ?”
“Nee, we gaan of naar de Em-Te voor pastasoep, of naar de AaHaa voor de geverteerde soja-”
“Gefermenteerd !”
“Geventileerde bonen.”
“Oh. Want bij de Plus hebben ze dat lekkere brood.”
“Laat maar hoor, zoeken jullie het uit. Ik bestel wel wat.”

Ogen, overal ogen

Verhaal door René van DensenSecuur, zou ik het noemen. Zelfs letterlijk met het puntje van de tong rechts uit de mond. Het zwart maakte hij ook echt diepzwart. Toen hij een stap achteruit deed om het resultaat te bewonderen, zag ik het ook – hij had een oog geschilderd. Tevreden schudde hij nog even met zijn spuitbusje en stak die behendig terug in zijn jaszak. Vervolgens maakte hij zich haastig uit de voeten.

Mensen liepen massaal voorbij zonder één blik op het oog te werpen. Maar ik werd er nieuwsgierig van. Gehurkt inspecteerde ik de afbeelding grondig. Er was absoluut iets mee, maar geen idee wat. Ik hurkte andersom en volgde de zichtlijn van het getekend oog. Daar zag ik enkel een vertrapt frisdrankflesje. Even bleef ik zitten want misschien zag ik het fout, maar er was niets bijzonders. Het oog was op een kapot flesje gericht. Beteuterd stond ik op en liep door.

Enkele straten verder zag ik nog een oog. Op een schuingereden paaltje. Wederom bekeek het ogenschijnlijk niets bijzonders. Een hondendrol, met een uitgestreken voetafdruk erin. Straat verder, weer een oog. Blik op een platgewalst muntje op een tramrail. Een oog verderop bestudeert aandachtig een propje papier. Ik vouwde het open: boodschappenlijstje met enkel ‘brood’ en ‘fruit’ erop. Terwijl ik de boodschap probeer te ontcijferen, komt de knaap woedend aangelopen. Hij grist het papiertje uit mijn handen, frommelt het terug op, en plaatst het zorgvuldig in het zicht van het oog. Om dan de straat weer uit te struinen. Ik knipper even met mijn ogen en dan ga ik toch nieuwsgierig achter hem aanstappen.

De hoek om blijkt hij spoorloos verdwenen. Maar in alle richtingen zie ik ze. Ogen, overal ogen. Ze staren naar elke onbenulligheid die er in de straat te vinden is. Opzettelijk. Ik ga leunend tegen een muur zitten en staar naar een veertje waar een ander oog diepzinnig naar aan het staren is. Soms kun je maar het beste meedoen.

Feestjes

Verhaal door René van DensenJe hebt van die mensen die als ze een boek hebben uitgelezen, dat in een kast bewaren, als een trofee van de afgelegde route, en zo hun huis volbouwen met uitgelezen boeken die ze daarna nooit meer aanraken. Helaas voor mijn boekverkoop ken ik dergelijke mensen te weinig. Met statistische inschatting en logisch redeneren concludeer ik echter dat ik dergelijke mensen minstens in een fors aantal in mijn leven heb gekend. Ik heb veel mensen gekend en daarna ongekend, dus daar moeten mensen tussen zitten die hun boekenkasten volbouwen met leestrofeeën.

Dat schiet door mijn hoofd als een oudklasgenoot mij een uitnodiging stuurt voor een reünie. De reünie is niet enkel met haarzelf. Dat zou mijn lief vermoedelijk raar vinden, ikzelf trouwens ook. De oudklasgenoot is iemand die ik heel goed ongekend heb, beduidend beter dan dat ik die gekend heb. Ze doet leuke dingen tegenwoordig, vertellen de sociale media mij, dus dat valt dan weer mee. Altijd leuk als oudklasgenoten zich ontwikkelen tot echte mensen in het leven.

De reünie is van mijn oude school, en niet eens enkel voor de schoolgaande mensen van mijn schooltijd, maar voor alle afstudeerjaren. De oude school pakt groot uit met een all-inclusive reünie. Iedereen bijeenbrengen, is het concept. Ik ga nooit naar reünies. Ik vlucht vooruit in het leven en keer nooit heen waar ik vast om een goede reden van ben weggegaan. Wat ik me van school herinner bovendien is dat ik iedereen stom vond, statistisch tenminste. Uitzonderingen maken het je overal lastig te generaliseren. Of bijna toch.

Wat ik wel doe, is gaan naar reünies van scholen of werkgevers of verenigingen waar ik nooit deel van uitgemaakt heb. Daar struin ik het internet voor af tot ik er een vind die niet al te lastig reizen is. Ik trek een kostuum aan waarvan ik inschat dat ik goed in het gezelschap ga passen – een dierenartsreünie is toch anders dan die van een djembé-ensemble en kantenklossers kleden zich anders dan bankdirecteuren – en ga me daar voordoen als een collega of vriend of verenigingslid die zich de anderen nog levendig herinnert. Zij voelen zich dan enorm schuldig dat ze mij niet herkennen, waarop ik passief-agressief zeg dat het wel oke is. Als ze dan, zich opgelaten voelend, vragen wat ik tegenwoordig doe, breng ik het gesprek op mijn schrijversschap en zo verkoop ik nog af en toe eens een boek.

Dat is eigenlijk de enige reden dat ik wel eens op een feestje kom. Om boeken te verkopen aan mensen die mijn werk nog niet kennen en dus geen geldige reden hebben om geen boek aan te schaffen. Voor de rest heb ik op feestjes meestal bar weinig te zoeken. Daar heb ik nu zelfs een boek over geschreven, over feestjes waar ik bar weinig te zoeken heb. En ik organiseer als presentatie van dat boek een feestje, waarop een boel mensen zich zullen afvragen wat ze er te zoeken hebben. En met wat geluk verkoop ik aan die mensen een boek. Dat ze thuis in de trofeeënkast kunnen plaatsen.

Ik mail de klasgenoot dat ik nog niet weet of ik kom en loop naar mijn eigen boekenkast. Behalve stapels onverkochte boeken staat er een boek in van Joubert Pignon. Ik had er twee maar laatst ging ik naar een feestje. Ik bedacht me op het laatst dat ik geen cadeau had, en als je zonder cadeau aankomt vinden mensen het toch minder leuk, dat je aan de gasten je boeken gaat lopen verkopen.

Dingen kunnen

Verhaal door René van DensenBronstig zingen powertools enkele huizen verderop hun productieve paringsliederen terwijl ik weer eens, met een koffie in de hand en pantoffels aan de voeten, over het pleintje voor mijn huis staar. Aan de andere kant van mijn straat zingen politie- en brandweersirenes hun repliek. Het is een kakafonie van menselijk kunnen en ze kunnen er wat van.

Ik ben vandaag niet zo zeker van de dingen die ik denk te kunnen. Dat kan gebeuren. Zo ben ik veel dagen best vaardig in het uit elkaar houden van mijn extreem eenkennige poes en de hondsbrutale, speelse jonge kater van mijn buurman, die haar tegen beter weten in de ganse dag hallo komt zeggen. Rennend, paniek zaaiend bij mijn gillende kat. Vandaag trekt hij zich niets van mij aan, ben ik duidelijk niet imposant. Kunst, met al dat lawaai in de buurt kan ik er moeiteloos nog bij.

Concentreren kan ik me vandaag ook al niet. Ik sluit de deur en strek me uit op het tweepersoonsbankje in mijn woonkamer. De kat springt direct op schoot. Ze herkent wanneer ik het allemaal even iets minder aan kan. Ik spreek tegen haar: “Ik kan het heus wel hoor, poes.” Ze knikt niet maar oogt toch beamend. “Als mensen me nu iets minder lastig vielen met die onpraktisch praktische zaken en ik me gewoon kon richten op de dingen die ik kan, dan zou ik ze misschien nog beter leren kunnen.” Poes knijpt de ogen eens bijeen. Ze spint. Dat betekent dat ik gelijk heb.

Plots zwijgen de powertools en begint een man luid te schreeuwen. Het lokt de sirenes aan. Oorverdovend jagen ze door mijn straat en ik vergeet wat ik ook alweer aan het denken was. Een slok koffie dan maar. En zo weer verder. We doen wat we kunnen, immers.

Pet

Verhaal door René van DensenIk leg een pet voor mij op het trottoir en ga gehurkt zitten. Dan kraak ik mijn knokkels en begin te schrijven. De mensen lopen door, naar hun werk, druk in de weer met prikplankjes voor hun neus. Sommigen praten tegen de prikplankjes, vertikaal op hun hand. Niemand beweert dat wat ik doe geen werken is, maar hun wegkijken spreekt boekdelen.

Al dagen achtereen schrijf ik me hier suf, maar de opbrengsten vallen tegen. Een zeldzame lezer gooit soms net genoeg in mijn pet dat ik ergens een bescheiden broodje kan halen, daar houdt het mee op. Toch zit ik hier flinke werkdagen te schrijven. Sommige mensen stoppen en kijken even toe, mompelen dan dat hun zoontje van acht dit ook kan schrijven en lopen door. Ze lopen opvallend vaak een friettent twee deuren verderop binnen en komen dan met een frietje met mayonaise naar buiten. Ik vraag me af of hun zoontje van acht ook een frietje mayo kan maken.

Een heel blije man komt een euro in mijn pet gooien. Ik knik dankjewel en schrijf verder. Maar zo makkelijk kom ik er niet vanaf. Hij vraagt of ik ook verzoekjes schrijf. Iets van Kluun of zo. Of Joubert Pignon. Of Toon Hermans. Ken ik Toon, vraagt hij. Ik knik maar zeg dat ik alleen mijn eigen verhaaltjes en gedichten kan schrijven. Hij snoeft. Dan pakt hij zijn euro uit mijn pet en stampt verontwaardigd weg. Hij roept tegen voorbijgangers dat ze mij geen geld moeten geven, dat ik een charlatan ben, dat ik mijn beloften niet nakom. Dan loopt ook hij de friettent in.

Een man in stropdas kijkt toe. Hij werpt een schaduw over mijn schrijven wanneer hij mij ongevraagd advies toebromt. De man blijkt bij de NS te werken. Hij ging over de omroepen. De man zegt dat hij het woordje ‘en’ geautomatiseerd heeft. Dus als u hoort: “De trein naar Breda en Rotterdam Centraal en Den Haag Centraal,” dan was hij verantwoordelijk voor het woordje en. De man klinkt erg trots. Hij zegt dat hij de Spoorwegen minstens achtendertig miljoen euro bespaard heeft met de automatisering van het woordje en.
Hij schraapt zijn keel en kijkt me aan. Ik kijk terug. De man zucht even en zegt dat ik misschien ook aan automatiseren moet denken. Dat ik daar enorm kostenbesparend mee kan werken. Als ik bijvoorbeeld alleen het woordje en al automatiseer, zegt de man, zou ik schrikken van de hoeveelheid geld die me dat uitspaart.

Ik geef niet automatisch antwoord.

Schouderophalend loopt de man ook naar de friettent. Even later stapt hij weg met een frikadel speciaal.

De dag zit er weer op. Ik pak mijn pet op en stof hem af. Twee euro veertien cent. Voor elf uur schrijven. Ik heb slechtere dagen.

Als ik weg wil lopen, tikt iemand op mijn schouder. Een gitarist. Lang haar. Hij wil weten wat ik voor mijn pet wil. Hij biedt tien euro.

Ik twijfel. Eventjes. Dan geef ik de gitarist een en, knik hem vriendelijk aan, zet mijn pet op. De zon schijnt nog net als ik huiswaarts slenter.

Dingen doen

Verhaal door René van DensenIk moet dingen doen, zeg ik tegen het spiegelbeeld. Dat krijgt spontaan grijze haren van alle dingen die ik moet doen. Ik slurp koffie en de spiegel slurpt mee. Buiten twijfelt het weer er ook op los.

Mijn kat weet het allemaal wel. Dat ik dingen moet doen, en zij vooral niet. Het fijnst is als ik bij de dingen die ik moet doen, toevallig op de bank lig. Dan kan ik multitasken als kattenbed en Persoon Die Dingen Doet. Dat tweede stoort haar dan veel minder. Zonder zelfwarmend kattenbed bied ik haar niet de ultieme Nietsdoen ervaring. Dat laat ze dan merken. In zekere zin is ze dan, miauwend, ook Dingen Aan Het Doen. Zo houden we elkaar bezig.

Ik til mijn shirt op en controleer mijn borsthaar. Er zijn weer nieuwe grijze en witte bij. De jeugd verlaat mijn lijf. De jeugd waarin je onbezorgd Dingen Doet En Laat. Alles is belangrijk en niets is belangrijk in je jeugd. Plots ben je ouder en heb je grijze en witte borstharen en Moet Je Dingen Doen die je steeds minder belangrijk vindt. Misschien word ik een kat. Langzaam maar mogelijk.

Ik miauw tegen mijn kat. Het klinkt verrassend geloofwaardig. De kat kijkt verschrikt rond. Een andere kat, in een ruimte waar er zojuist nog geen was, dat verstoort ook al haar Nietsdoen. Ik probeer geruststellend te spinnen. Dat gaat nog niet geloofwaardig. De kat kijkt me geschrokken aan, sist, en rent de trap op.
Ik strek mijn benen uit. Dat het spinnen nog niet lukt is niet erg. Ik hoef niet inééns een kat te worden. Rustig aan. Dan hou ik nog wat te Doen over.