Geiten

Verhaal door René van DensenHet is feest in Prozacstad en dat mag gevierd worden vinden de mensen. Ze staan in een dikke drom voor het doorkniplint de burgemeester aan te gapen. De burgemeester praat lang en vooral onverstaanbaar. De reusachtige dure speakers aan zijn weerszijden galmen dwars door elkaar heen. De mensen trappelen stilletjes en hopen dat hij snel de ceremoniële schaar zal pakken. Zodra het lint officiëel twee linten is gemaakt, stroomt de drom mensen toe. Ze moeten de winkel binnen.

In de reusachtige winkel verkoopt men vlees, in alle soorten en maten die je in de andere grotere steden ook vindt. Eindelijk, nu ook thuis verkrijgbaar, verzucht de drom. Een oudere man met droevig gelaat staat achterin de drom maar houdt zijn mond. Hij heeft geleerd enkel in stilte nog aan zijn winkeltje te denken dat tegen de vlakte moest. Hij verkocht ambachtelijke lariekoek. De laatste lariekoekbakker van het land. Maar de tijden zijn veranderd en de mensen kopen geen lariekoek meer. Zijn droom is verkruimeld en overwalst.

Blij verandert de drom in een rij voor de balie waar de welbekende worst verkocht wordt. Deze exclusieve worst wordt steeds, stuk voor stuk, uit één gehele geit vervaardigd. In elke worst zit vlees dat maar uit één geit tegelijk komt. Er wordt uit veilig- en gezondheidsoverwegingen geen vlees gemengd. Niet een beetje van die of een beetje van die. Het mag wat kosten. Maar dan heb je worst waar je het tenminste écht van weet.

En er wordt niets verspild: het beenmerg, de hoeven, de hoorns, alles wordt er op heerlijk smakelijke wijze doorheen gemalen. Lekker groffe portie zout en kruiden erbij en een strak worstenhuidje erom. Op de seconde nauwkeurig afgebakken in hypermoderne geautomatiseerde massaproductie. Zodat hij hetzelfde smaakt als in alle andere steden. Elke keer weer.

Speciaal voor de opening wordt een heel festival georganiseerd. Worsten overal. Broodje worst, worst uit het vuistje, worstentaartjes, worstensoep, worstensmoothies. De mensen in Prozacstad laten het zich allemaal goed smaken. Het oude mannetje ook. Na enkele happen al geeft hij toe, dit was wat de stad nodig had. Meer eengeitsworst.

In een ver land klinkt jammerlijk mekkerend geitengeschrei. Maar dat kun je in Prozacstad gelukkig boven het feestgewoel niet horen.

Badkuip

Verhaal door René van DensenAl sinds ik acht ben wil ik elke ochtend niet ontwaken. Ik wil dood. Ik moet door een kluwen van realiteit heen om mezelf uit bed te trekken. Daarna doorsta ik de dag op wilskracht. Weinig mensen weten dit. Als er uiteindelijk bedtijd aanbreekt wil ik niet slapen omdat er weer een worsteling om te leven op me wacht. Ik wil door op de kracht die ik heb en dan slapen en niet meer ontwaken. Dit is al mijn hele leven mijn strijd en ik word veertig dit jaar. Ongeveer maandelijks is er een week dat het extreem zwaar is. Mensen die geloven in de maan hebbben me ware dingen verteld over de flow van dingen en het merendeel van de tijd kan ik mijn leven daar inmiddels op inrichten.

Ik moet in een week dat ik verlof heb en bijna elke dag amper mijn bed uit kan komen naar een optreden van een vriend in een stad die ik haat. Ik zit in de trein erheen. De vriendin van een andere vriend zit mee in de trein. Ze praat opbeurend maar snapt de worsteling. Het is allemaal akkoord. Ik red dit. Ik kan dit. Ik weet dit omdat ik de hele week al mezelf zeg dat ik niks kan en waardeloos ben en er toch nog ben. Ik drink zo kalm ik kan een pintje uit blik. Ik probeer niet teveel te denken aan alles waar ik volstrekt waardeloos in ben. Want ik ben waardeloos in schrijven, waardeloos in mijn vriendschappen en relaties, ik zorg extreem slecht voor mijn kat waar anders niemand anders voor zorgt en laten we nooit spreken over hoe ik voor mezelf zorg.

Ik adem. Ik ben ergens heen onderweg. Ik ben aan het slagen daarheen te gaan. De trein doet het meeste werk maar ik ga toch maar mooi weer. Ik doe het toch maar mooi weer wel. Dat is mijn mantra als het niet gaat. Ik doe het toch maar mooi weer wel. Ik ben in mijn leven allang de tel kwijt hoevaak ik dat stilletjes in mezelf heb gezegd. Ik doe het toch maar mooi weer wel.

Mijn lief heeft mij nodig. Er zijn vrienden in beide steden waar ik verblijf die me nodig hebben. Mijn kat heeft zo’n verlatingsangst dat steeds als ik mijn jas aantrek. ze paniekerig op mij springt en springend en miauwend smeekt dat ik niet ga, zelfs al ga ik maar naar de supermarkt. Ik lig al de hele week minstens driekwart van de dag op bed, mezelf verwijtend dat ik er onvoldoende voor iedereen ben. Ik kan elke dag wel janken, maar na het janken trek ik me uit bed, zet koffie, en probeer nog iets van het laatste kwart van de dag te maken.

Ik zit in een stad die ik haat op een literaire avond. Ik haat dit soort avonden en het is zo karig bezocht dat als ik vertrek, ik een fors percentage van de opkomst uitmaak. Ik vertrek stilletjes naar het toilet. Er is een badkuip. Ik overweeg even om het bad te vullen en vanaf daar, kalmpjes tussen het badschuim, te luisteren naar het literaire interview. Maar ik weet dat elke schuimbubbel die popt me doet erkennen hoe weinig ik er toe doe. Als de bubbel zelf. Ik kijk in de spiegel bij het handenwassen. Til mijn shirt op. Ik word dik. Ik ben waardeloos en dik en zonde van alles wat er in mij geïnvesteerd is. Ik ben gewoon dik en stom. Boeie. Wie zou me missen.

Na de literaire avond die vooral draaide om een paar vrienden van me ga ik met hen naar een café. Het café heeft een draaitrap omlaag naar het toilet. Ik fantaseer alleen maar om eraf te storten. Maar dan denk ik aan alle shit die mijn vrienden zouden hebben als ze mij daar onderaan zouden vinden. Braaf doe ik mijn ding. Ik veeg mijn billen, was mijn handen, werk me de wenteltrap terug op.

Was het leven maar een badkuip. Of had ik het lef om daar in te liggen in mijn eigen vocht. Maar meestal lig ik er in in bubbels. Ik heb zelf een badkuip. De laatste keer dat ik er in lag, morste ik mijn koffie in het water en moest ik er uit. Dat was deze week. Ik ging er niet meteen uit. Vermoedelijk is er koffie in mijn huid getrokken. Ik ben nu vast veel zuiders dan ik was. In mijn huid. Niet moeilijk want ik ben een TL-albino. Witter kan ik toch niet meer worden. Mooi, dat white privilige.

Ik drink wat na met mijn vrienden. Ergens wil ik niet eens dat ze gaan. Maar na enige tijd ben ik thuis. Ik zie van verschillende mensen nare berichten. En spam over jobs en penisverlengingen. Even rook ik een sigaret. Roken, dat is het laffe zelfmoord plegen. Ik check. Ik heb een heel groot pak sigaretten gekocht. Over de sigarettenrook zeg ik het stilletjes. Ik doe het toch maar mooi weer wel.

Hoi lieverd

Verhaal door René van DensenIn een benauwde treincoupé bedenk ik me ineens dat ik mijn verzonden berichten nog niet opgeschoond had. Ik heb een nieuwe tweedehands GSM. De nummers en ontvangen sms’jes heb ik al netjes gewist. Mensen vergeten hun eerstehands berichten altijd te wissen wanneer de telefoon tweedehands gemaakt wordt. En jawel, er staat een flinke boel berichten in naar nummers die ik niet ken. Vrijwel allemaal naar hetzelfde nummer. Ene Guus. Guus, ik tel 127 lege stoelen. Guus, ik tel 87 lege stoelen. Guus, ik tel 104 lege stoelen. Iets over een lijnmanager. Ik lees de sms’jes niet maar je ziet wel steeds het begin in de lijst. 105 stoelen, 84 stoelen, 122 stoelen. Geen idee of het veel of weinig lege stoelen zijn. Was dit van een conducteur die doorgaf hoeveel ruimte er nog in een bepaald deel van de trein was ?

Ik wis me door de lijst heen. Heel af en toe andere berichten. We zitten in ‘Doebai’, groetjes Willem. Of het eten al klaar is. Dat het dak er mooi bijla. Steeds kleine stukjes. Afgekapt. Van hoe weinig woorden Willem als man ook is, ik krijg nergens een volledig bericht in beeld. Of toch. ‘Oke.’ Dat hij er nog een punt achter zet, ontroert me.

Dan veranderen de berichten. 121 stops 57 pct gr W. Ruud 58 st Willem 126 s. Centr 127 st 94 pct. De berichten blinken uit in raadselachtigheid. De stops, tja. Het zal wel een buschauffeur zijn. Treinen maken niet bijzonder veel afwijkende stops. Dat percentage zal wel zijn hoe vol de bus was. Zou hij dat met een rekenapparaat hebben berekend ? Op zijn dashboard ? Of zouden die mooie moderne in- en uitchecksystemen dat gewoon melden ? Misschien de stops ook wel. En dan nog per sms moeten doorgeven hoe de eindstand is. Van jou en de andere chauffeurs. Van Ruud. En Akiv. En van jezelf. Willem.

Langzaam wis ik Willem. En Ruud. Delete delete delete. Stops en percentages. Steeds andere nummers. Kalme dagen, drukke dagen. Een verdwaalde ‘Ben geveld door griep’ ertussen. De dag erop duidelijk weer dapper achter het stuur. Bravo Willem. Aan je werkethiek ligt het niet. Stops en percentages, stops en percentages. Dan iets over een nieuw abonnement. Dat hij de vraag van de baas niet snapt. Dat hij vanavond later thuis komt. ‘Slecht nieuws’.

En dan wis ik bijna ‘Hoi lieverd <3'. Ik staar verbaasd naar het bericht. Dit was het eind van Willem's verhaal en hier begint dat van haar en mij.

Alleen met elkaar, of: waarom ik bundels van vriendjes koop

Verhaal door René van DensenHoe meer ik erover nadenk, hoe vreemder het me schijnt. Mijn huis ligt volgezaaid. Met die van hen, en die van mezelf. Overal. Overal bundels. Van dat ene opkomende talent dat niet meer onbetaald optreedt en dus nooit bij mij op een podium zal staan want geen budget. Van die geniale ene die maar niet wil doorbreken. Die ene bundel die een beetje middelmatig was maar de daaropvolgende was gewoon zo briljant dat ik hem maar als een opstapje zie. Overal liggen ze. Naast stapels van de mijne.

Het is niet zo dat als je een bundel koopt van een vriend, die ook meteen maar een bundel van jou wil. Soms komt dat voor. Bundelruil gebeurt ook. Mijn bundels zijn zacht geprijsd dus meestal valt zo’n ruil financieel in mijn voordeel uit. Zeker omdat ik het boek van de ander waarschijnlijk ook dolgraag tegen volle prijs had aangeschaft. Dus wil ik nog wel eens het verschil daarna bijtrakteren aan pinten. En overschiet ik dat meestal nog ruim ook. Ach. Geld. Zo rol ik. Brood eten is overschat. En ik begrijp iedereen die de mijne niet koopt. Hoeft natuurlijk ook niet. Dus zo’n ruil is vaak ook supersympathiek. Dat geeft nog een beetje aan: laten we elkaar beter leren kennen. Laten we elkaars werk checken en het er misschien later eens over hebben. En als we het er niet over hebben, dat is ook goed. Dan was er minstens de geste. We hebben geruild, elkaar iets van onszelf gegeven.

Overal in huis kom ik ze tegen. Mijn vriendjes. Er liggen ook wel auteurs tussen natuurlijk die ik nooit zal kennen. Die zijn bijvoorbeeld dood. Kunnen ze zelf ook weinig aan doen. Of ze zijn superberoemd. Wie weet zouden ze het wel enorm jammer vinden, ooit een keer achteraf, dat ze mij dan niet kenden. Of wie weet niet. Maar voornamelijk liggen er boeken van vrienden in huis. En kennissen. De kennissen worden soms via hun boeken vrienden. Soms gaan ook hun boeken door naar een ander. Dan paste de bundel toch net beter bij die persoon dan bij mij. Ruimte maken. Voor andere vrienden in de kast. De gesigneerde vrienden blijven sowieso.

Ik loop door huis, genietend van de stilte. Mijn kat slaapt. Ik pak een vriend van een plank en kruip met hem of haar even op de bank. Tijd voor een goed verdiepend gesprek. Alleen met elkaar. In mijn eigen tempo. Soms heb ik het te druk met mijn eigen dingen. Geen tijd. Voor mijn vrienden. Dan passeer ik wel eens een plank, geef ze een kort knikje. Ik fluister: sorry. En probeer mijn eigen werk snel af te hebben. Want vrienden, daar maak je tijd voor. Zeker als ze er zelf niet bij zijn. Maar een beetje vreemd is het natuurlijk ook wel. Als ik er over nadenk.

Halspuist

Verhaal door René van DensenHet is zo’n dag dat alles wat je doet op stroef schuurpapier gaat. Als ik een kater had, kon ik daar de schuld aan geven, maar het is de dag zelf. Ik ben volledig nuchter en heb zelfs goed geslapen. Dat is vrij uniek. Misschien ligt het daar dan aan. Mijn gemoed zakt in, de koffie werkt niet mee, alles wat ik doe wordt door nukkige systemen tegengewerkt. Met de tanden opeen werk ik me zo productief mogelijk de dag door.

Ik heb een halspuist. Hij zat onder mijn baard. Mijn baard laat ik groeien uit luiheid. En als ik moet optreden, doe ik dat niet zonder baard. Ik wil mijn gevoelige teksten niet naakt vertellen. Er hoort haar tussen mij en het publiek in te zitten. Maar mijn luie baarden gaan na verloop kriebelen en de huid gaat ervan irriteren. En soms krijg ik eens een puist. Vanochtend bij het opstaan merkte ik de puist al. Ik heb dit weekeinde opgetreden, en doe dat voorlopig niet meer. Dus de baard kon eraf.

De douche stroomde bijna over terwijl de baard zich verzamelde op het putje. Soms doe ik de baard in een potje en zet dat buiten. Vogels halen de haren wel eens op voor in hun nest. Ik doe hetzelfde met de pluis uit de wasdroger. Ik ben een dierenvriend. En anders heb ik al dat eten voor niets gegeten en heb ik voor niets geleefd en die baard laten groeien. Soms overweeg ik om een kussen te vullen met mijn baard. En met mijn hoofdhaar. En al die andere ellende die mijn lichaam maar blijft produceren. Je maakt wat aan, in zo’n leven.

Iemand verwijt me iets vergeten te zijn maar ik weet vrij zeker dat het een miscommunicatie was. Mijn maag knort, ik ben al uren aan het werk, nonstop. Ik overweeg snel even de supermarkt in te lopen, maar mijn kat miauwt dat ik niet weg mag. Ze gaat resoluut op mijn schoot liggen. Ik denk aan het optreden afgelopen weekend, en een moedeloos gevoel van zinloosheid wast over me heen. Ik produceer vanalles en volgens mij zit er niemand op te wachten. Buiten in de tuin komt er ook geen enkel vogeltje op het baardhaar af. Het is allemaal voor niets, zeg ik tegen de halspuist.

De halspuist zit in een soort vouwplooi. Hij wil niet weg. Ik werk en de kat snurkt en ik wacht tot de halspuist rijp is. Mijn hals maakt nog een hoek, misschien moet ik daar blij mee zijn. Al heeft een onderkin ook wel iets. Qua halspuistverwijdergemak dan toch. De wind waait buiten wat van mijn baardhaar weg. Misschien wel op avontuur, naar vreemde streken. Maar waarschijnlijk gewoon ergens in een putje of in de modder. En niet ver weg.

De meeste avonturen zijn ook maar overschat, besluit ik. Ze lijken verdomd veel op elkaar. Soms kun je beter dichtbij blijven. In de modder. Of in de put. Ik rek me uit en voel de halspuist knappen.

Veil

Verhaal door René van DensenAls het nu nog was om een openstaande drankrekening, maar het ging om zoiets stoms als mijn internetverbinding. Dat nekte me. Nu zit ik hier en men zegt te zwijgen. Had ik maar meer cijfers van de ene inlog naar de andere kunnen verschuiven. Dan waren mijn woorden gewoon vanouds de mijne gebleven. Nu kan het niet anders meer. Of de mensen rijzen tegen me op. Ik moet alles veilen.

Een voor een lopen mensen met beter gevulde portemonnees binnen en bekijken mijn letters, betasten mijn leestekens, strelen mijn woorden. Laagje stof hier en daar dat kritisch bestudeerd wordt en dan weggeblazen. Ik weet het beschaamd. Sommige woorden zijn wat oud en minder gebezigd. Stil kuch ik het stof mee weg.

Toch voelt het ontkrachtigd. Zoals al die vreemde vingers zomaar aan mijn letters mogen voelen. Ineens niet meer van mij. Ook niet van hen. Maar kan nu net zo goed wel zijn. Van me los. Frummel tast frut aai. Ontheemd. Waar zijn mijn heemde woorden ?

Aldoor houd ik mij kalm. Deze maatschappij vraagt het van mij. Beschaafd ondergaan. Ik wil schreeuwen dat de woorden van mij zijn maar het mag niet. Had ik maar geen schuld moeten maken. Er is geen woord meer in de zaal van mij. Ik ben woordeloos. En tot gulle bieders mij verlossen van de woorden tegen voldoende prijs blijf ik schuldrijk en woordarm.

Iemand inspecteert een neologisme van mijn hand. Nostalgische steek in borstkas. Ik nostalsteek. Stil kuch ik en verstop het woord nostalsteek onder mijn bips. Niemand hoeft het te weten. Nieuw neologisme. Het was een accidentje. Ik wou niks maken. Het gaat hier om de woorden die ik gemaakt héb, niet om de nieuwe woorden, houd ik mezelf voor. Maar dan kruisen nieuwsgierige ogen de mijne en de mijne kunnen niet liegen. Schuldig staar ik terug. De pupillen worden groot en de vrouw roept: “Hij heeft een vers woord gelegd !” In drommen komen de bezoekers op mij af. duwen me terzijde, plukken het woord onder mijn bipspartij uit. Het woord gilt het uit in alle prilheid maar niets kan het meer redden. Hongerige tengels grijptasten de nostalsteek. Het prilsterft bijna onmiddellijk. Schierkreetjes. Niks kon het meer reddelen. Alles hier is veil.

Rol

Verhaal door René van DensenOp een gemiddelde werkdag, en ze zijn vrijwel nooit gemiddeld, komen veel collega’s met vragen naar me toe over hoe ze hun werk moeten doen. Ik vertel ze dan hoe ze hun werk moeten doen. Al het uitleggen hoe mensen hun werk moeten doen kost me makkelijk driekwart van mijn eigen werkdag.

Om tussen alle vragen door af en toe even mijn hoofd te legen, surf ik gekke dingetjes op Wikipedia. Zo heb ik inmiddels op een gemiddelde werkdag ontdekt wat een Tom Swifty is. Ik weet nu ook wat de Fermiparadox inhoudt, dat er ooit een lachepidemie was in Tanganyika, weet ik dat Mike de kip zonder kop achttien maanden doorleefde, weet ik wat Charles Martinet voor de kost doet, las ik met rode oortjes over de Mbielu-mbielu-mbielu, ontdekte ik het bestaan van de Dickin Medal en weet ik dat er botox-schandalen zijn bij beauty contests voor kamelen. Gemiddeld is het daarna tijd om vruchteloos huiswaarts te keren en me af te vragen wat mijn werk ook alweer inhield.

Er wordt een mail naar alle medewerkers gestuurd om de opleidingswensen, dus de behoefte om cursussen te volgen, in kaart te brengen. Ik loop de wc in. Aan de wand hangt een toiletrolhouder. Het simpelste model: een afdakje en een dun staafje waar je de rol om schuift. De rol is leeg. Op de grond ligt een nieuwe toiletrol waar al velletjes van afgescheurd zijn.

In de trein naar huis drink ik meestal een frisse halve liter bier.

Beet

Verhaal door René van DensenZe kijkt me verbaasd aan als ik de keuken inloop. “Kon je niet meer slapen ?” Ik schudde nee: “Het werd zó slecht, lieverd.”
Zij, verbaasd: “Wat werd zo slecht ?”
“Hij werd dan dus eigenaar van die aasfabriek-”
Ze lacht: “Oh djiez, je hebt het over dat filmverhaal dat je aan het dromen was ?”
“Ja, dat ging nog even door, en het werd zo’n hollywoodcliché, vreselijk.”
“Oké vertel op.” Ze smeerde ondertussen boterhammen en schudde met de honingfles.
“Nou die ene kerel dus, zo’n echt Jason Bateman type-”
“Die uit Ozark, dat zei je ja.”
“Ja precies die. Dat is dus de eigenaar van een klein viswinkeltje. Typisch zo’n net drijvend blijvend zaakje, geen echte toekomst, en op een dag merkt hij verbaasd dat het aas dat enkele van zijn vaste klanten het fijnst vinden, niet binnengekomen is.”
“Ja, de doos was leeg, geen aas, hij vraagt zijn medewerker hoe en wat. Dit vertelde je net halfwakker toen ik opstond.”
“Die medewerker, echt zo’n laconiek Jeffrey Wright-figuur-”
“Wie is dat ?”
“Uit Broken Flowers.”
“Heb ik niet gezien.”
“Niet ?? Oh, die moeten we echt een keer samen kijken.”
“Maar vertel verder. Viswinkel, en dan ?”
“Ja, dus die vraagt zijn medewerker hoe dat allemaal kan. Die medewerker zegt ‘heb je het niet gehoord ? Die fabriek is failliet’ waarop onze Jason zoiets heeft van waaaat failliet hoe dan. Zegt die medewerker heel droog dat het aandeel stabiel was. Dus Jason verbaasd: maar is dat dan niet een goed ding, stabiel investeren ? En onze Jeffrey: ‘Niet in deze economie, iedereen wil actie in zijn investering, hoger rendement bla bla.’ Dus Jason even verbaasd, en dan ineens: ‘Kunnen we dat bedrijf kopen ?’ En zijn medewerker al even verbaasd: ‘Bij de huidige stand van de aandelen ? Waarschijnlijk kun je je net inkopen, ja.’-”
“En hij denkt natuurlijk: euj, dat gaan we doen, lekker mijn eigen bedrijf, visaas maken.”
“Ja, dat dus. Hij denkt vooral, superleuk, romantisch visaas maken met je handen of zo. Maar dat blijkt natuurlijk allemaal machinaal. Toch vindt hij het leuker dan de viswinkel en omdat hij feeling heeft met de klandizie, duikt hij er enthousiast in. Maar ondertussen is er ook een golddigger-”
Ze kreunt mopperend: “Sorry, ga door.”
“Geen golddigger ?”
“Nee, ik krijg de honing er niet uit. Die is gekristalliseerd.”
Ik probeer in de fles te knijpen maar het lukt inderdaad niet. “Laat mij maar even.”
“Maar vertel door, de golddigger ?”
“Ja die golddigger dus, zo’n Katherine Heigl karakter, met dure zonnebril en dure drankjes op zonovergoten terrasjes en zo-”
“Help me even.”
“Ja, dat probeer ik, maar ik krijg die honing er niet uit.”
“Nee, ik bedoel, Katherine wie ?”
“Heigl. Knocked Up.”
“Oh ja, die. Ga door.”
Ik pak een groot glas en zet de honingfles erin. “Die komt dan via alimentatie, nee, het was via een erfenis, de oude eigenaar van de fabriek is doodgegaan door de stress over het aandeel en zo, enfin, zij wordt mede-eigenaar van die visaasfabriek.”
“Oeeeeeeeeh…”
“Ja, je voelt hem al he ? En hij kan haar natuurlijk eerst helemaal niet uitstaan, en zij vindt die fabriek verschrikkelijk, maar ze moeten er allebei zijn, bladiebla. Oh en de titel was helemaal verschrikkelijk, ik noemde het ‘Bait’.”
“Beet ?”
“Ja, maar dan in het Engels. Dat het ook ‘aas’ heet. Super clever natuurlijk.”
“Wat ben je aan het doen ?”
“Nou, als ik dit warm water erover laat lopen, dan gaat die honing… kijk, daar zakt hij al.”
“Oh. Handig !”
“Maar goed, het hele verhaal klinkt kortom als iets wat we even luchtig zouden wegkijken zo van, nou, hebben we die ook weer gezien, next.”
“Ja oke maar zo slécht is het toch ook dan niet ?”
“Ja maar ik ga het echt niet opschrijven lieverd.”
Ze kust me. “Hoezo niet ?”
“Ik heb die roman al twee jaar stil liggen lieve schat. Die wordt ooit, ooit, echt serieus goed.”
“Waarom schrijf je die niet verder dan ?”
“Ja ik zit muurvast op het plot omdat alles niet meer klopt.”
“Dan schrijf je het toch gewoon kloppend ? Had je niet ook hulp van die ene schrijver ?”
“Dat klopt, maar die leest alleen maar na wat ik schrijf en geeft dan comments. En na twee jaar radiostilte kan ik nu alleen aankomen met een roman die af is.”
“Nou schrijven dan.”
Ik sputter: “Ik heb nog niet eens een eerste koffie op.”
Ze kust mijn voorhoofd: “En nú al een prima verkoopbaar cliché-hollywoodscript geschreven in je droom. Dus hop.”

Tien minuten later staar ik naar een laptopscherm. De knipperende cursor begroet me met een zacht giecheltje en vraagt waar ik al die tijd gebleven ben.

Vaatwasser

Verhaal door René van DensenMijn baas staat aan mijn bureau en zegt dat ik al mijn werkzaamheden moet staken want er is een dringende kwestie. Hij zegt dat ik een handleiding moet schrijven. Sinds hij weet dat ik op internet verhaaltjes en gedichten schrijf komt elk regeltje tekst dat bij mijn werk geschreven moet worden, uit mijn toetsenbord. Mijn baas zegt dat ik mee moet komen. Hij neemt me de bedrijfskantine in en wijst naar het aanrecht. Boven de vaatwasser staat een berg vieze kopjes en bordjes. Plastic lepeltjes, broodmessen, longdrinkglazen met onbestemde substanties langs de randen. Ik kijk mijn baas aan. Hij opent de vaatwasser en wijst. Ik kijk. De vaatwasser bevat drie borden en één koffiekopje. Zichtbaar vies. Ik kijk opnieuw naar mijn baas. Hij zegt dat het personeel niet met de vaatwasser om kan gaan. Omdat hij altijd als laatste naar huis gaat moet hij steeds de vaatwasser inruimen. Hij wil dat ik een handleiding maak zodat iedereen weet dat de vuile vaat niet boven, maar in de vaatwasser moet.

Ik ga terug naar mijn bureau en schrijf dat de vuile vaat niet op, maar in de vaatwasser moet gezet worden. Ik schrijf meteen maar hoe het zeepvakje gevuld moet worden en hoe je de vaatwasser start: aanzetten en deur sluiten. Ik loop met een fotocamera naar de vaatwasser en maak illustrerende foto’s die ik in de handleiding plaats. Omdat ik wel eens wat boekjes maak, kan ik dus ook een afbeelding in een tekstdocument toevoegen. Ik loop over van veelzijdigheid. Zorgvuldig stuur ik het document naar alle collega’s. Ik print het bovendien uit en leg het bovenop de vaatwasser terwijl mijn baas mopperend het apparaat vult met vuile vaat.

Aan het eind van de volgende dag roept mijn baas me weer bij de vaatwasser. De berg vuile vaat is nog groter. Hij zegt dat dit zo niet kan. Hij zegt dat het niet aan mijn handleiding ligt. Dat hij een telefoontje heeft gepleegd en dat morgen iedereen verplicht een workshop vaatwasser vullen krijgt. Ik knik. Een verstandig besluit, zeg ik, en ik plaats mijn lege kopje koffie in de vaatwasser. De baas klopt me op de rug. Het komt goed, verzekert hij me. Het komt echt uiteindelijk wel goed. De mensen moeten het gewoon even zien.

De volgende dag zit iedere medewerker van het bedrijf bij de workshop. Een druk pratende en gebarende man in een kleurig pak praat over het belang van hygiëne in kantooromgevingen. Dat deze omgevingen doorgaans minder vaak schoongemaakt worden dan thuisomgevingen, ook wel woningen genoemd. De mensen lachen. Dat dat viezigheid en gevaar voor de volksgezondheid oplevert. De mensen knikken ernstig. De man toont de vaatwasser en trekt de korven naar voren. Hij wijst op welke plekken er allemaal koffiekopjes geplaatst kunnen worden en verzekert de mensen dat er echt genoeg plaats is. Ze knikken. Hij toont in het onderste rek hoe een bord in het rek kan. Ook het bestekmandje demonstreert hij. De mensen steken vingers op. Moet dat allemaal per se op die plaatsen, vraagt iemand. Nee, zegt de workshopmeneer, je mag als er genoeg ruimte is ook gerust koffiekopjes beneden stallen.

Hij demonstreert het vullen van het zeepbakje. De mensen kijken aandachtig toe. Hij toont het aanschakelen en geeft uitvoerige uitleg over de wasprogramma’s. Geknik en uhhuh. Hij verzekert ze dat het standaardprogramma genoeg is, dus aanzetten en – klik – de deur sluiten, dat is genoeg. Mensen knikken bewonderend elkaar aan wanneer ze het apparaat horen spoelen. Ze maken toch maar bijzondere dingen tegenwoordig he. De techniek staat voor niks. Ah, maar let op, zegt de workshopmeneer en wijst op de vloer. Er gaat zelfs een lampje op de grond schijnen, toont hij, als de vaatwasser aan staat. Dat is slim, zeggen de mensen. De workshopmeneer heeft een oefenvaatwasser meegenomen. Iedereen mag een kopje in het apparaat zetten en krijgt dan te horen dat ze het goed hebben gedaan. De mensen kirren van plezier om deze erkenning. Als afsluiter wordt er gedemonstreerd hoe de echte vaatwasser, die inmiddels zijn programma af heeft, geleegd moet worden.

Na afloop kletsen ze nog even met de workshopmeneer. Ze zeggen dat hij het heel, heel goed heeft uitgelegd. Hij schudt iedereen de hand en neemt dan afscheid. Langzaam gaat de ene na de andere persoon naar huis. Iedereen zet zijn vuile kopje op het aanrecht boven de geleegde vaatwasser.

Gelezen en akkoord bevonden

Verhaal door René van DensenHet boek is een welkome afwisseling van alle formulieren die ik heb moeten ondertekenen de afgelopen dagen. Ik zit al snel diep erin verzonken terwijl ik wacht. De nummers op het bord zijn nog niet in de buurt van het nummer op mijn papiertje dus ik kan, schat ik, toch wel een aantal korte verhalen lezen. Maar dan gaat het ineens hard. Halverwege een kortverhaal word mijn nummer al geroepen. Grommig steek ik het boek in de tas en neem plaats aan de balie.

Vanzelfsprekend kijk ik wéér formulieren voorgelegd. De teksten erop zijn hilarisch. De patiënt erkent te begrijpen dat de medische wetenschap geen exacte wetenschap is en dat er zich dus onvoorziene situaties voor kunnen doen, of De dokter heeft de patiënt gewezen op de gevolgen voor de gezondheid wanneer de behandeling verricht wordt, of wanneer deze niet gepleegd wordt. Ook is de patiënt gewezen op alternatieve geneeswijzen. Ik heb de dokter geen woord horen reppen over kruidenthee die mijn scheve neus weer recht en ongebroken tovert, maar zet toch mijn handtekening.

Er is iets met de kamer. Ik zeg dat ik niet wil overnachten want ik wil gewoon na de ingreep terug naar mijn kat. Lekker op de bank liggen met de poes op schoot, uitduffen met een boekje of filmpje erbij. Fok die ziekenbedden. De loopafstand is nog geen kilometer. Zet die neus recht en laat me gaan verdorie. Ja maar meneer, zeggen ze, u moet ook nog bijkomen van de narcose he, en daar moet u voor in een bed zitten, dus een kamer hebben. Ah ja oke, antwoord ik. Maar ik wil wel naar huis daarna. Ja meneer, u heeft geen overnachting aangegeven staan inderdaad. Maar we gaan even nog de kamer regelen, zet u maar daar, dan roepen we u sebiet wel he, ja meneer tot sebiet.

Ik lees door in mijn boek. Kan met het kortverhaal in feite helemaal opnieuw beginnen. Gelukkig had ik erop gerekend: het zijn allemaal ZKV’s, Zeer Korte Verhalen. Geschreven door iemand die ik tot een half jaar geleden nog als een vriend beschouwde. Ik kom in enkele verhalen als karakter voor. Dat was bij zijn eerdere boeken ook. Twee regels verder dan de eerste onderbreking word ik weer naar het loket geroepen. Ik lees morrig snel het verhaal uit en kom dan. Sorry meneer voor het storen in uw boek he, is het een goed boek ? Ik lieg van wel omdat ik me nu al aan de onderbrekingen erger.

Overal hetzelfde: gebruikt u medicatie, bent u allergisch, gaat u akkoord met dat wij dit of dat doen. En nog formulieren. De doktoren knijpen hem nogal dat ik dood zou gaan zonder mijn toestemming. Ik onderga het aanvankelijk laconiek en lacherig. Tussendoor probeer ik wat te lezen, maar al snel word ik naar de OK weggerold. Het boek wordt hunkerend wachtend achtergelaten terwijl ze me een lift in rijden en dan weer ergens anders twintig minuten aan mezelf overlaten. Ik mis mijn boek en neurie maar wat. Naast het gordijn links snurkt iemand. Aan de andere kant kakt iemand zijn bed onder. Iemand verderop geeft aan de verpleger toe dat hij na middernacht nog een glas water heeft gedronken. Grote paniek. Bellen naar de dokter. Streng toespreken naar de patiënt. Dan het verlossende akkoord van de arts: het is in orde, één glas kan nog, zolang het echt enkel maar water was.

Nog twee mensen komen vragen of ik niks gegeten of gedronken heb sinds middernacht, of ik allergisch ben ergens voor, of ik akkoord ga met alles wat ze gaan doen. Ik denk terug aan de vorige keer dat ik onder narcose ging – het was lang geleden, middelbare school. Toen moest ik nog tellen van 1 tot 8. Ik kwam bij en telde door: 7, 8. Ergens na nummer 6 heeft een team van medici vloekend, zwetend, tierend en snijdend aan mijn lijf gesleuteld en heel dat half uur is voorgoed verdwenen. Ik was er toen kwaad om. We hebben een beperkte tijd hier op aarde, ik voelde me bestolen.

Dit keer tellen ze niet eens af. Ik word vastgebonden met aan de ene kant een infuus en de andere kant een bloeddrukmeter. Een zuurstofmasker boven mijn gezicht en dat ik zo wel zal voelen dat ik in slaap zal vallen. En dan wordt mijn linkerarm koud. Ik word wel wederom wakker voor ze me op de herstelparkeerplaats stallen. Zo lig ik daar zeker drie kwartier terwijl ik me eigenlijk al voel alsof ik wel kan gaan. Het is maar een gebroken neus, denk ik nog. Geef me een houtje om op te bijten en zet dat kreng recht, dan kan ik weg.

Ze rollen me terug naar mijn kamer. Ik lees verveeld mijn boek, kijk zelfs wat TV. Ik kijk nooit TV. Er is ook niet veel op dus ik lees de rest van het boek uit. Ik verveel me kapot en heb honger, dorst. Laat op de middag krijg ik een flesje water, dat in enkele slokken weg is. Daarna enkele boterhammen en koffie – een godenmaal. Vervolgens wordt er nog een boel over en weer gebeld en gediscussieerd wat ze met me moeten. Uiteindelijk jagen ze me het bed en de kamer uit en zit ik nog een tijd in de wachtkamer van de polikliniek op mijn arts te wachten. Nog een goed uur later sta ik eindelijk, eindelijk buiten. Ik wil door mensen en gebouwen heen kunnen rennen, naar mijn kat. Naar mijn bank. Naar mijn plek. Stevig doorlopend overweeg ik het boek aan een willekeurige tegenligger cadeau te doen.