Sneller

Verhaal door René van DensenHaar ooghoeken zijn licht met roervocht aan het glinsteren wanneer ze mij haar collectie toont. “Deze is van zomer 2003,” herinnert ze zich nog goed. “Het was nipt, zelfs bijna niet gered, maar ik wist toch nog net vóór die man in de rij te belanden. En hij me toch een partij boos in de handvaten van zijn rollator knijpen, joh ! Ja, een mooie dag was dat.” Ze blaast er voorzichtig een dun laagje stof af. “Let alsjeblieft niet op de rotzooi hier, ik kom te weinig aan schoonmaken toe.”

De collectie is duidelijk geordend, maar volgens welke logica is wat onduidelijker. Ze ziet mijn verwarring. “Grootte,” verduidelijkt ze. “Kijk: deze plank bevat enkel momenten tussen de drie en vier minuten, die erboven van vier tot vijf, enzovoort.” Ik knik, een begrijpelijke beslissing. “Daaraan herken je ook de verzamelaar natuurlijk: alleen een amateur kent dezelfde waarde aan een moment van enkele seconden en een moment van drie minuten.” Empathisch schud ik het hoofd van onbegrip om de domheid van de amateurs.

Haar favoriet ? Daar hoeft ze niet lang over na te denken. Teder streelt ze over een moment van relevante grootte. “Zes minuut tweeënvijftig.” Nog meer roervocht in haar ogen. “Negen december tweeduizendveertien,” mijmert ze. “Ik sprong in de coupé van de eerste klasse en glipte zo binnendoor naar de tweede klasse. Direct de stopwatch gezet en het bleek echt waar, ik zat al zes minuut tweeënvijftig comfortabel in de treincoupé voor de rest van de mensen in kon stappen. De sukkels bleven gewoon buiten wachten tot iedereen uitgestapt was, onbegrijpelijk. Ik kan je zeggen, dat was een onvergetelijk moment, puur genieten. De zeven minuten ? Nee, dat is maar voor weinigen weggelegd, daar kan ik enkel van dromen.”

Ze zucht. “Zéker op mijn leeftijd. Tijd winnen is voor jongere mensen. Je moet er een bepaalde hoeveelheid schijt aan anderen aan hebben, en als je zo hulpbehoevend bent als ik tegenwoordig ben, kom je daar niet goed mee weg. Maar heel af en toe zet ik mijn schoen al op het zebrapad vóór het rode licht groen wordt.” Ze straalt, melancholisch zonnig. “Dan voel ik me weer even een jong meisje, met een wereld aan momenten te stelen. Maar dat is zeldzaam wanneer je ouder wordt. Nu kan ik enkel terugkijken. Op al die momentjes dat ik net wat sneller was dan een ander. Die tijd komt nooit meer terug.”

Ze vecht

Verhaal door René van DensenZe vecht. Niet meer zoals zojuist toen we haar uit de cat carrier probeerden te halen. Nu koppig. Koppig zoals haar baasje, als hij aan medische handen overgeleverd is. We passen, dat is helder.

De dierenarts heeft een deken over haar kooitje gehangen en helpt ondertussen de volgende klant. Het is een konijn dat niet wil eten. Vitaminetekort, ontsteking in de mond. Hij wordt in een dekentje gewikkeld en krijgt met een soort speelgoedspuit babyvoeding. Mijn kat vecht nog steeds. Ik hoor haar sissen onder de deken. Alsof ze wil zeggen: je kunt me dan wel verdoofd hebben, maar je krijgt mij er niet onder.

Maar ik weet dat ze zich klein voelt. Klein en bang. Ze vecht met immer de rug tegen de muur. Genieten, dat is rusten zonder angst. Ze kruipt graag onder mijn deken. Tegen me aan. Dan zijn we samen klein en bang. Klaar. Klaar om te vechten.

Langzaam zakt ze door haar pootjes. Maar niet volledig. Nooit volledig. Ze is niet van plan het op te geven, wat ze ook in haar spuiten. Woedend blaast ze, kwaad op de verdoving in haar aderen. Op de tintels in haar benen en het verlies van controle. Ik aai haar zachtjes en probeer haar in te fluisteren dat ze niet hoeft te vechten. Ze sist. Maar niet naar mij. Maar luisteren, dat gaat ze ook niet doen. Ze vecht.

Klei

Verhaal door René van DensenMijn ogen proberen het wel, om de boeken te lezen van schrijvers met belangrijkere namen dan de mijne, die in hoge stapels op mijn toilet liggen, maar de woorden kunnen me volstrekt niet bekoren en zeker Campert vind ik een lul. Die sla ik dus rap over in de verzamelbundel, maar ook andere schrijvers willen er niet in. Dat kan aan mijn vermoeide ogen liggen, of aan het gerommel in mijn maag, dat klatsen boetseerklei oplevert die speels in het water onder mijn billen de eeuwigheid tegemoet plonzen.

Mijn kat legt ook onvaste plakken, constateerde ik bij thuiskomst. Ze hebben een ongezonde kleur en ook aan haar achterste kleeft een vochtige groene substantie. Mijn kat moet naar de dierenarts want ik heb geen dierengeneeskundige opleiding genoten en kan haar dus niet helpen. Ik kan wel de dierenarts aan een flinke zwik geld helpen zodat hij of zij mijn kat kan helpen. Van de kat krijg ik een kopje. Zelf kan ik alleen krakkemikkige korte verhaaltjes schrijven die andere mensen ongetwijfeld vol walging wegklikken omdat de woorden hen volstrekt niet kunnen bekoren en ze me een lul vinden.

Mijn kat is echter niet zielig, mijn kat is stoer en lief. Ze heeft geen pijn. Een. Ik ook niet. Twee. De plonzende klei ruikt en voelt anders dan de plakken die de kat legt. Dat is mooi, dan hoef ik zelf niet naar de dierenarts. Drie. Ik tel mijn zegeningen. Het ene na het andere boek leg ik ondertussen vol walging terug op de stapel: wat zijn er toch een hoop bomen zinloos gesneuveld. Ik neem veel toiletpapier.

Geiten

Verhaal door René van DensenHet is feest in Prozacstad en dat mag gevierd worden vinden de mensen. Ze staan in een dikke drom voor het doorkniplint de burgemeester aan te gapen. De burgemeester praat lang en vooral onverstaanbaar. De reusachtige dure speakers aan zijn weerszijden galmen dwars door elkaar heen. De mensen trappelen stilletjes en hopen dat hij snel de ceremoniële schaar zal pakken. Zodra het lint officiëel twee linten is gemaakt, stroomt de drom mensen toe. Ze moeten de winkel binnen.

In de reusachtige winkel verkoopt men vlees, in alle soorten en maten die je in de andere grotere steden ook vindt. Eindelijk, nu ook thuis verkrijgbaar, verzucht de drom. Een oudere man met droevig gelaat staat achterin de drom maar houdt zijn mond. Hij heeft geleerd enkel in stilte nog aan zijn winkeltje te denken dat tegen de vlakte moest. Hij verkocht ambachtelijke lariekoek. De laatste lariekoekbakker van het land. Maar de tijden zijn veranderd en de mensen kopen geen lariekoek meer. Zijn droom is verkruimeld en overwalst.

Blij verandert de drom in een rij voor de balie waar de welbekende worst verkocht wordt. Deze exclusieve worst wordt steeds, stuk voor stuk, uit één gehele geit vervaardigd. In elke worst zit vlees dat maar uit één geit tegelijk komt. Er wordt uit veilig- en gezondheidsoverwegingen geen vlees gemengd. Niet een beetje van die of een beetje van die. Het mag wat kosten. Maar dan heb je worst waar je het tenminste écht van weet.

En er wordt niets verspild: het beenmerg, de hoeven, de hoorns, alles wordt er op heerlijk smakelijke wijze doorheen gemalen. Lekker groffe portie zout en kruiden erbij en een strak worstenhuidje erom. Op de seconde nauwkeurig afgebakken in hypermoderne geautomatiseerde massaproductie. Zodat hij hetzelfde smaakt als in alle andere steden. Elke keer weer.

Speciaal voor de opening wordt een heel festival georganiseerd. Worsten overal. Broodje worst, worst uit het vuistje, worstentaartjes, worstensoep, worstensmoothies. De mensen in Prozacstad laten het zich allemaal goed smaken. Het oude mannetje ook. Na enkele happen al geeft hij toe, dit was wat de stad nodig had. Meer eengeitsworst.

In een ver land klinkt jammerlijk mekkerend geitengeschrei. Maar dat kun je in Prozacstad gelukkig boven het feestgewoel niet horen.

Badkuip

Verhaal door René van DensenAl sinds ik acht ben wil ik elke ochtend niet ontwaken. Ik wil dood. Ik moet door een kluwen van realiteit heen om mezelf uit bed te trekken. Daarna doorsta ik de dag op wilskracht. Weinig mensen weten dit. Als er uiteindelijk bedtijd aanbreekt wil ik niet slapen omdat er weer een worsteling om te leven op me wacht. Ik wil door op de kracht die ik heb en dan slapen en niet meer ontwaken. Dit is al mijn hele leven mijn strijd en ik word veertig dit jaar. Ongeveer maandelijks is er een week dat het extreem zwaar is. Mensen die geloven in de maan hebbben me ware dingen verteld over de flow van dingen en het merendeel van de tijd kan ik mijn leven daar inmiddels op inrichten.

Ik moet in een week dat ik verlof heb en bijna elke dag amper mijn bed uit kan komen naar een optreden van een vriend in een stad die ik haat. Ik zit in de trein erheen. De vriendin van een andere vriend zit mee in de trein. Ze praat opbeurend maar snapt de worsteling. Het is allemaal akkoord. Ik red dit. Ik kan dit. Ik weet dit omdat ik de hele week al mezelf zeg dat ik niks kan en waardeloos ben en er toch nog ben. Ik drink zo kalm ik kan een pintje uit blik. Ik probeer niet teveel te denken aan alles waar ik volstrekt waardeloos in ben. Want ik ben waardeloos in schrijven, waardeloos in mijn vriendschappen en relaties, ik zorg extreem slecht voor mijn kat waar anders niemand anders voor zorgt en laten we nooit spreken over hoe ik voor mezelf zorg.

Ik adem. Ik ben ergens heen onderweg. Ik ben aan het slagen daarheen te gaan. De trein doet het meeste werk maar ik ga toch maar mooi weer. Ik doe het toch maar mooi weer wel. Dat is mijn mantra als het niet gaat. Ik doe het toch maar mooi weer wel. Ik ben in mijn leven allang de tel kwijt hoevaak ik dat stilletjes in mezelf heb gezegd. Ik doe het toch maar mooi weer wel.

Mijn lief heeft mij nodig. Er zijn vrienden in beide steden waar ik verblijf die me nodig hebben. Mijn kat heeft zo’n verlatingsangst dat steeds als ik mijn jas aantrek. ze paniekerig op mij springt en springend en miauwend smeekt dat ik niet ga, zelfs al ga ik maar naar de supermarkt. Ik lig al de hele week minstens driekwart van de dag op bed, mezelf verwijtend dat ik er onvoldoende voor iedereen ben. Ik kan elke dag wel janken, maar na het janken trek ik me uit bed, zet koffie, en probeer nog iets van het laatste kwart van de dag te maken.

Ik zit in een stad die ik haat op een literaire avond. Ik haat dit soort avonden en het is zo karig bezocht dat als ik vertrek, ik een fors percentage van de opkomst uitmaak. Ik vertrek stilletjes naar het toilet. Er is een badkuip. Ik overweeg even om het bad te vullen en vanaf daar, kalmpjes tussen het badschuim, te luisteren naar het literaire interview. Maar ik weet dat elke schuimbubbel die popt me doet erkennen hoe weinig ik er toe doe. Als de bubbel zelf. Ik kijk in de spiegel bij het handenwassen. Til mijn shirt op. Ik word dik. Ik ben waardeloos en dik en zonde van alles wat er in mij geïnvesteerd is. Ik ben gewoon dik en stom. Boeie. Wie zou me missen.

Na de literaire avond die vooral draaide om een paar vrienden van me ga ik met hen naar een café. Het café heeft een draaitrap omlaag naar het toilet. Ik fantaseer alleen maar om eraf te storten. Maar dan denk ik aan alle shit die mijn vrienden zouden hebben als ze mij daar onderaan zouden vinden. Braaf doe ik mijn ding. Ik veeg mijn billen, was mijn handen, werk me de wenteltrap terug op.

Was het leven maar een badkuip. Of had ik het lef om daar in te liggen in mijn eigen vocht. Maar meestal lig ik er in in bubbels. Ik heb zelf een badkuip. De laatste keer dat ik er in lag, morste ik mijn koffie in het water en moest ik er uit. Dat was deze week. Ik ging er niet meteen uit. Vermoedelijk is er koffie in mijn huid getrokken. Ik ben nu vast veel zuiders dan ik was. In mijn huid. Niet moeilijk want ik ben een TL-albino. Witter kan ik toch niet meer worden. Mooi, dat white privilige.

Ik drink wat na met mijn vrienden. Ergens wil ik niet eens dat ze gaan. Maar na enige tijd ben ik thuis. Ik zie van verschillende mensen nare berichten. En spam over jobs en penisverlengingen. Even rook ik een sigaret. Roken, dat is het laffe zelfmoord plegen. Ik check. Ik heb een heel groot pak sigaretten gekocht. Over de sigarettenrook zeg ik het stilletjes. Ik doe het toch maar mooi weer wel.

Hoi lieverd

Verhaal door René van DensenIn een benauwde treincoupé bedenk ik me ineens dat ik mijn verzonden berichten nog niet opgeschoond had. Ik heb een nieuwe tweedehands GSM. De nummers en ontvangen sms’jes heb ik al netjes gewist. Mensen vergeten hun eerstehands berichten altijd te wissen wanneer de telefoon tweedehands gemaakt wordt. En jawel, er staat een flinke boel berichten in naar nummers die ik niet ken. Vrijwel allemaal naar hetzelfde nummer. Ene Guus. Guus, ik tel 127 lege stoelen. Guus, ik tel 87 lege stoelen. Guus, ik tel 104 lege stoelen. Iets over een lijnmanager. Ik lees de sms’jes niet maar je ziet wel steeds het begin in de lijst. 105 stoelen, 84 stoelen, 122 stoelen. Geen idee of het veel of weinig lege stoelen zijn. Was dit van een conducteur die doorgaf hoeveel ruimte er nog in een bepaald deel van de trein was ?

Ik wis me door de lijst heen. Heel af en toe andere berichten. We zitten in ‘Doebai’, groetjes Willem. Of het eten al klaar is. Dat het dak er mooi bijla. Steeds kleine stukjes. Afgekapt. Van hoe weinig woorden Willem als man ook is, ik krijg nergens een volledig bericht in beeld. Of toch. ‘Oke.’ Dat hij er nog een punt achter zet, ontroert me.

Dan veranderen de berichten. 121 stops 57 pct gr W. Ruud 58 st Willem 126 s. Centr 127 st 94 pct. De berichten blinken uit in raadselachtigheid. De stops, tja. Het zal wel een buschauffeur zijn. Treinen maken niet bijzonder veel afwijkende stops. Dat percentage zal wel zijn hoe vol de bus was. Zou hij dat met een rekenapparaat hebben berekend ? Op zijn dashboard ? Of zouden die mooie moderne in- en uitchecksystemen dat gewoon melden ? Misschien de stops ook wel. En dan nog per sms moeten doorgeven hoe de eindstand is. Van jou en de andere chauffeurs. Van Ruud. En Akiv. En van jezelf. Willem.

Langzaam wis ik Willem. En Ruud. Delete delete delete. Stops en percentages. Steeds andere nummers. Kalme dagen, drukke dagen. Een verdwaalde ‘Ben geveld door griep’ ertussen. De dag erop duidelijk weer dapper achter het stuur. Bravo Willem. Aan je werkethiek ligt het niet. Stops en percentages, stops en percentages. Dan iets over een nieuw abonnement. Dat hij de vraag van de baas niet snapt. Dat hij vanavond later thuis komt. ‘Slecht nieuws’.

En dan wis ik bijna ‘Hoi lieverd <3'. Ik staar verbaasd naar het bericht. Dit was het eind van Willem's verhaal en hier begint dat van haar en mij.

Alleen met elkaar, of: waarom ik bundels van vriendjes koop

Verhaal door René van DensenHoe meer ik erover nadenk, hoe vreemder het me schijnt. Mijn huis ligt volgezaaid. Met die van hen, en die van mezelf. Overal. Overal bundels. Van dat ene opkomende talent dat niet meer onbetaald optreedt en dus nooit bij mij op een podium zal staan want geen budget. Van die geniale ene die maar niet wil doorbreken. Die ene bundel die een beetje middelmatig was maar de daaropvolgende was gewoon zo briljant dat ik hem maar als een opstapje zie. Overal liggen ze. Naast stapels van de mijne.

Het is niet zo dat als je een bundel koopt van een vriend, die ook meteen maar een bundel van jou wil. Soms komt dat voor. Bundelruil gebeurt ook. Mijn bundels zijn zacht geprijsd dus meestal valt zo’n ruil financieel in mijn voordeel uit. Zeker omdat ik het boek van de ander waarschijnlijk ook dolgraag tegen volle prijs had aangeschaft. Dus wil ik nog wel eens het verschil daarna bijtrakteren aan pinten. En overschiet ik dat meestal nog ruim ook. Ach. Geld. Zo rol ik. Brood eten is overschat. En ik begrijp iedereen die de mijne niet koopt. Hoeft natuurlijk ook niet. Dus zo’n ruil is vaak ook supersympathiek. Dat geeft nog een beetje aan: laten we elkaar beter leren kennen. Laten we elkaars werk checken en het er misschien later eens over hebben. En als we het er niet over hebben, dat is ook goed. Dan was er minstens de geste. We hebben geruild, elkaar iets van onszelf gegeven.

Overal in huis kom ik ze tegen. Mijn vriendjes. Er liggen ook wel auteurs tussen natuurlijk die ik nooit zal kennen. Die zijn bijvoorbeeld dood. Kunnen ze zelf ook weinig aan doen. Of ze zijn superberoemd. Wie weet zouden ze het wel enorm jammer vinden, ooit een keer achteraf, dat ze mij dan niet kenden. Of wie weet niet. Maar voornamelijk liggen er boeken van vrienden in huis. En kennissen. De kennissen worden soms via hun boeken vrienden. Soms gaan ook hun boeken door naar een ander. Dan paste de bundel toch net beter bij die persoon dan bij mij. Ruimte maken. Voor andere vrienden in de kast. De gesigneerde vrienden blijven sowieso.

Ik loop door huis, genietend van de stilte. Mijn kat slaapt. Ik pak een vriend van een plank en kruip met hem of haar even op de bank. Tijd voor een goed verdiepend gesprek. Alleen met elkaar. In mijn eigen tempo. Soms heb ik het te druk met mijn eigen dingen. Geen tijd. Voor mijn vrienden. Dan passeer ik wel eens een plank, geef ze een kort knikje. Ik fluister: sorry. En probeer mijn eigen werk snel af te hebben. Want vrienden, daar maak je tijd voor. Zeker als ze er zelf niet bij zijn. Maar een beetje vreemd is het natuurlijk ook wel. Als ik er over nadenk.

Halspuist

Verhaal door René van DensenHet is zo’n dag dat alles wat je doet op stroef schuurpapier gaat. Als ik een kater had, kon ik daar de schuld aan geven, maar het is de dag zelf. Ik ben volledig nuchter en heb zelfs goed geslapen. Dat is vrij uniek. Misschien ligt het daar dan aan. Mijn gemoed zakt in, de koffie werkt niet mee, alles wat ik doe wordt door nukkige systemen tegengewerkt. Met de tanden opeen werk ik me zo productief mogelijk de dag door.

Ik heb een halspuist. Hij zat onder mijn baard. Mijn baard laat ik groeien uit luiheid. En als ik moet optreden, doe ik dat niet zonder baard. Ik wil mijn gevoelige teksten niet naakt vertellen. Er hoort haar tussen mij en het publiek in te zitten. Maar mijn luie baarden gaan na verloop kriebelen en de huid gaat ervan irriteren. En soms krijg ik eens een puist. Vanochtend bij het opstaan merkte ik de puist al. Ik heb dit weekeinde opgetreden, en doe dat voorlopig niet meer. Dus de baard kon eraf.

De douche stroomde bijna over terwijl de baard zich verzamelde op het putje. Soms doe ik de baard in een potje en zet dat buiten. Vogels halen de haren wel eens op voor in hun nest. Ik doe hetzelfde met de pluis uit de wasdroger. Ik ben een dierenvriend. En anders heb ik al dat eten voor niets gegeten en heb ik voor niets geleefd en die baard laten groeien. Soms overweeg ik om een kussen te vullen met mijn baard. En met mijn hoofdhaar. En al die andere ellende die mijn lichaam maar blijft produceren. Je maakt wat aan, in zo’n leven.

Iemand verwijt me iets vergeten te zijn maar ik weet vrij zeker dat het een miscommunicatie was. Mijn maag knort, ik ben al uren aan het werk, nonstop. Ik overweeg snel even de supermarkt in te lopen, maar mijn kat miauwt dat ik niet weg mag. Ze gaat resoluut op mijn schoot liggen. Ik denk aan het optreden afgelopen weekend, en een moedeloos gevoel van zinloosheid wast over me heen. Ik produceer vanalles en volgens mij zit er niemand op te wachten. Buiten in de tuin komt er ook geen enkel vogeltje op het baardhaar af. Het is allemaal voor niets, zeg ik tegen de halspuist.

De halspuist zit in een soort vouwplooi. Hij wil niet weg. Ik werk en de kat snurkt en ik wacht tot de halspuist rijp is. Mijn hals maakt nog een hoek, misschien moet ik daar blij mee zijn. Al heeft een onderkin ook wel iets. Qua halspuistverwijdergemak dan toch. De wind waait buiten wat van mijn baardhaar weg. Misschien wel op avontuur, naar vreemde streken. Maar waarschijnlijk gewoon ergens in een putje of in de modder. En niet ver weg.

De meeste avonturen zijn ook maar overschat, besluit ik. Ze lijken verdomd veel op elkaar. Soms kun je beter dichtbij blijven. In de modder. Of in de put. Ik rek me uit en voel de halspuist knappen.

Veil

Verhaal door René van DensenAls het nu nog was om een openstaande drankrekening, maar het ging om zoiets stoms als mijn internetverbinding. Dat nekte me. Nu zit ik hier en men zegt te zwijgen. Had ik maar meer cijfers van de ene inlog naar de andere kunnen verschuiven. Dan waren mijn woorden gewoon vanouds de mijne gebleven. Nu kan het niet anders meer. Of de mensen rijzen tegen me op. Ik moet alles veilen.

Een voor een lopen mensen met beter gevulde portemonnees binnen en bekijken mijn letters, betasten mijn leestekens, strelen mijn woorden. Laagje stof hier en daar dat kritisch bestudeerd wordt en dan weggeblazen. Ik weet het beschaamd. Sommige woorden zijn wat oud en minder gebezigd. Stil kuch ik het stof mee weg.

Toch voelt het ontkrachtigd. Zoals al die vreemde vingers zomaar aan mijn letters mogen voelen. Ineens niet meer van mij. Ook niet van hen. Maar kan nu net zo goed wel zijn. Van me los. Frummel tast frut aai. Ontheemd. Waar zijn mijn heemde woorden ?

Aldoor houd ik mij kalm. Deze maatschappij vraagt het van mij. Beschaafd ondergaan. Ik wil schreeuwen dat de woorden van mij zijn maar het mag niet. Had ik maar geen schuld moeten maken. Er is geen woord meer in de zaal van mij. Ik ben woordeloos. En tot gulle bieders mij verlossen van de woorden tegen voldoende prijs blijf ik schuldrijk en woordarm.

Iemand inspecteert een neologisme van mijn hand. Nostalgische steek in borstkas. Ik nostalsteek. Stil kuch ik en verstop het woord nostalsteek onder mijn bips. Niemand hoeft het te weten. Nieuw neologisme. Het was een accidentje. Ik wou niks maken. Het gaat hier om de woorden die ik gemaakt héb, niet om de nieuwe woorden, houd ik mezelf voor. Maar dan kruisen nieuwsgierige ogen de mijne en de mijne kunnen niet liegen. Schuldig staar ik terug. De pupillen worden groot en de vrouw roept: “Hij heeft een vers woord gelegd !” In drommen komen de bezoekers op mij af. duwen me terzijde, plukken het woord onder mijn bipspartij uit. Het woord gilt het uit in alle prilheid maar niets kan het meer redden. Hongerige tengels grijptasten de nostalsteek. Het prilsterft bijna onmiddellijk. Schierkreetjes. Niks kon het meer reddelen. Alles hier is veil.

Rol

Verhaal door René van DensenOp een gemiddelde werkdag, en ze zijn vrijwel nooit gemiddeld, komen veel collega’s met vragen naar me toe over hoe ze hun werk moeten doen. Ik vertel ze dan hoe ze hun werk moeten doen. Al het uitleggen hoe mensen hun werk moeten doen kost me makkelijk driekwart van mijn eigen werkdag.

Om tussen alle vragen door af en toe even mijn hoofd te legen, surf ik gekke dingetjes op Wikipedia. Zo heb ik inmiddels op een gemiddelde werkdag ontdekt wat een Tom Swifty is. Ik weet nu ook wat de Fermiparadox inhoudt, dat er ooit een lachepidemie was in Tanganyika, weet ik dat Mike de kip zonder kop achttien maanden doorleefde, weet ik wat Charles Martinet voor de kost doet, las ik met rode oortjes over de Mbielu-mbielu-mbielu, ontdekte ik het bestaan van de Dickin Medal en weet ik dat er botox-schandalen zijn bij beauty contests voor kamelen. Gemiddeld is het daarna tijd om vruchteloos huiswaarts te keren en me af te vragen wat mijn werk ook alweer inhield.

Er wordt een mail naar alle medewerkers gestuurd om de opleidingswensen, dus de behoefte om cursussen te volgen, in kaart te brengen. Ik loop de wc in. Aan de wand hangt een toiletrolhouder. Het simpelste model: een afdakje en een dun staafje waar je de rol om schuift. De rol is leeg. Op de grond ligt een nieuwe toiletrol waar al velletjes van afgescheurd zijn.

In de trein naar huis drink ik meestal een frisse halve liter bier.