Sven


Sommige schrijversvrinden doen serieuze moeite om verhaaltjes te verzinnen om te schrijven. Bij het ontwaken ligt een verse dode muis aan mijn voeteneind. Ik zeg tegen de poes dat ze die goed gevangen heeft en loop dan blootvoets mijn huis uit. Ik woon achter een poort, en wanneer ik die naar straat open vallen er twee mensen binnen. Letterlijk. Blijkbaar stonden ze te leunen.

Ze zeggen hola. Ik zeg goedemorgen, met een dode muis in mijn ene hand en de klink in de andere. Ze zeggen dat ze voor Sven komen, dat ze hier eerder zijn geweest bij een feestje, dat het voor hierboven is. Ik zeg dat er geen Sven woont. Een van de mannen blijft half in de deuropening hangen. Na een paar minuten kermt hij, iemand, help mij overeind. Ik help de man overeind. Hij grijnst wat en zegt, prothese.

De andere man heeft volgens mij geen prothese maar die staat een stuk wankeler. Hij blijft praten over Sven. Ik wil dat de mannen weggaan, ten eerste woont hier geen Sven, ten tweede wil ik niet dat mijn kat ontsnapt. Het is te laat. MIjn kat glipt tussen de protheseman zijn benen door en rent de straat op. Getoeter. Piepende banden.

Binnen enkele minuten komt ze terug, triomfantelijk een vrachtwagen aan mijn voeten leggend. Er stapt een woedende chauffeur uit de cabine. Ik vraag de man vriendelijk of hij Sven heet. En anders of hij een muis wil.

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *