Tot ziens, hè

Verhaal door René van DensenIk draal, meer kan ik er niet van maken. Er zijn een boel mensen aanwezig die zich nuttig maken en ik wil niet in de weg lopen. Mijn koffiekopje is leeg, maar daar ik ga ook niet om een refill vragen. Mijn oma ligt ziek op haar bed met professionele verzorgers om haar heen, mijn dorst is van nul belang.

Iedereen danst en schuifelt onwennig door het appartement. De dokter was op tijd, maar toch. Heel lang gaat het ook na vandaag niet meer duren, en nu moet ze ook eerst uit haar shock komen. Ze babbelt al wat. Ik ga ook maar even kijken. Onderweg naar haar slaapkamer loop ik kalm en voorspelbaar, om de chaos zijn weg te gunnen.

Mijn oma zegt dat iedereen zo goed voor haar is, met een zachte snik van ontroering in haar stem. Ze zegt dat ze een mooi leven heeft gehad. En dat ze haar best heeft gedaan. Zo heeft ze meer zinnetjes, die ze blijft herhalen, in willekeurige volgorde. Duidelijk mikt ze erop dat één van die zinnen haar laatste wordt. Het is een mooie selectie. Elk van de zinnen is prachtig als allerlaatste zin. Dat iedereen zo goed voor haar is, staat met stip op plek één. In de paar uur dat ik er uiteindelijk ben, herhaalt ze die zeker achttien keer.

In niets herken je nog de kranige, goedlachse en zorgzame vrouw die ze was. Of toch het kranige even, wanneer ze probeert rechtop te gaan zitten. Ze wil per se met de rollator bij de rest van de familie aan gaan schuiven. Het gaat niet meer. De poging stokt op de rand van het bed. Zwartblauwe benen bungelen over de rand en ze weet: dit bed kom ik niet meer uit. Ze leunt en knijpt in de handvaten van de rollator.

Op de derde plek van de herhaalzinnen staat haar uitspraak dat ze hoopt dat men haar morgen vindt. Ze bedoelt: dood. Ze is er klaar mee. Dit is geen leven meer. Ze is op. En de hele familie, tot zelfs de achterkleinkinderen, is nog langsgeweest de afgelopen dagen. Iedereen heeft ze gezien.

Ze vraagt de verzorger om haar vriendinnen in de aangrenzende appartementen op de hoogte te brengen van hoe het met haar is. Ook als ze haar morgenvroeg zouden vinden. De verpleger springt hier warm maar verrassend routineus mee om. Geen bijzonder verzoek onder dit dak. Mijn oma wil weer liggen. Haar blauwzwarte voeten worden met een paar hulpzame handen terug op bed gelegd.

Ze mijmert wie er allemaal niet meer zijn. Vooral wijlen haar man, uiteraard. Veel te vroeg gegaan. En die en die. Veel te vroeg gegaan. Zij gaat niet te vroeg. Die gedachte komt niet eens in haar op. Ze vraagt of ze alsjeblieft de dokter niet meer willen bellen. Er hoeft niks meer gedaan te worden, zegt ze. Niemand wil ze nog tot last zijn. Achter mij rammelen zenuwachtig afgewaste koffiekopjes in de keuken. Ze zegt dat ze hoopt dat men haar morgen vindt.

Ze zegt enorm blij te zijn mij te zien. Ik moet niet alleen blijven, zegt ze. Dat is het verschrikkelijkste dat ik kan doen. Ze zegt dat ik zo goed voor haar ben. En dat ze een mooi leven heeft gehad. Dat ze hoopt dat ze haar morgen vinden. Ik knik en flap er ook enkele half inhoudsloze dooddoeners uit. We hebben elkaar nu even niets écht meer te zeggen. De Dood luistert mee.

Als ik met de jas in de hand wat later afscheid neem, zegt ze net tegen de verplegers dat ze zo goed voor haar zijn. Dan kijkt ze mij aan en zegt precies wat ik denk. Ze zegt dat ze hoopt dat ze me nog terug zal zien. Ze bedoelt niet in dit leven, is echter te horen in haar stem. Ik knik en zeg dat ik dat ook hoop. Dan zegt ze: Tot ziens, hè.

Ik verlaat het appartement, blij dat dit haar laatste woorden naar mij zijn. Ik haast me, voor ik kan opvangen hoe goed iedereen voor haar is.

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *