Plaag

Verhaal door René van DensenZwetend slenter ik door Prozacstad. Er moet weer bier uit mijn bloedvaten. Overal om me heen gebeuren dingen. Maar nu even niet, vind ik. Ik koester de bescheiden en door een kater ingegeven mening dat ik voldoende opgeschreven heb van de gebeurtenissen in Prozacstad. Dat iemand anders ze maar even opschrijft.

Er roept iemand heel luid. Meerdere keren. Ik kijk niet op of om. In deze wijk kent vrijwel niemand me, en dat heeft zijn voordelen. Zo weet je dat ze altijd naar elkáár roepen, en niet naar mij. Enkel de kinderen wellicht. Onzinscheldwoorden. Ze kunnen me niet plaatsen, krijgen geen houvast, dus ben ik vanalles wat hen maar te binnen schiet. Een lopende, levende, vrije associatie. Ik stimuleer graag de prille kindergeesten. Misschien komt het goed met ze. Ze gooien me dingen na. Misschien komt het ook niet goed met ze.

Over het gras zie ik wat aan komen hoppen. Ik kijk. Ja hoor, ik vreesde het al. Een idee. Ik versnel mijn pas. Het idee hopt mee. En waar er één idee is, volgen er al snel meer. Een plaag aan ideeën komt aangehopt. Ik begin te snelwandelen. Zweet nog harder. Nu niet, laat me met rust !

Een singer-songwriter jogt me voorbij. Hij zwaait. Hij is gekleed op loopactiviteit. Ik draag mijn kleren van gisteren – ondergoed incluis – en een jas die me voorbereidt op noodweer. Ongeschikt, dus, voor de ongenadige zondagzon. Zo’n singersongwriter heeft het ook maar makkelijk, denk ik. Handjevol teksten schrijven, muziekje eronder – en laten we eerlijk wezen, bij de meeste singersongwriters stelt dat niet heel veel voor, een handvol akkoorden, klaar – en dan de teksten uit je kop leren.

De ideeën volgen de singersongwriter niet. Ik koesterde even ijdele hoop, maar ze moeten echt mij hebben. Zwetend strompel ik zo hard als mijn been toelaat. Ik ken de singersongwriter uit de kroeg. Sterker, ik zag hem gisteren nog. De singersongwriter drinkt meer dan ik. Daar heb ik dan wel respect voor. En dan nu alweer joggen. Ik loop gewoon naar de bouwmarkt vlakbij, en weer terug, om een stom lampje. Er is een lampje kapot in huis. Dat wordt het enige dat ik vandaag wil doen.

Met een wilde omdraaizwaai jaag ik de ideeën weg. Even fladderen ze verschrikt op en kijken me na. Maar al snel volgen ze weer. Ik haat ze, ze vormen de grootste plaag in mijn werkelijkheid. Dan plots word ik omhelsd door een dreigende schaduw. Ik kijk omhoog en herken direct het silhouet van mijn roman. Hoe langer ik niet aan mijn roman werk, hoe groter en enger hij wordt. Hij is reusachtig momenteel. Ik ben verloren. Met scherpe klauwen vliegt hij mijn kop aan, terwijl de ideeën kwekkend rond mijn voeten krioelen. Ik zwaai wild en paniekerig om me heen.

Enkele mensen zitten op een bankje in de zon. Ze zien me wild zwaaiend, hoppend en struikelend passeren. “Daar gaat er weer een,” spreken ze afkeurend. “Zo’n schrijver.”

Share Button

2 thoughts on “Plaag

  1. Ik ontloop liever tegenwoordig alles. Maar je antwoord vroeg om reacie. Dus geef ik een lege reactie. Nee wachr. Had ik al verteld van hoe ik zwetend n vloekend het lampje binnenshuis vervangen heb terwijl de spanningszoekerschroevendraaier geen definitief uitsluitsel gaf van of er spanning op de draad stond ? En dat de draad daarna telkens niet wilde passen – uiteraard dé draad waarop stroom stond ? Was leuk. Dat lampje. Ook al.

  2. Maar helemaal naar de bouwmarkt gaan voor een zielig lampje kan meteen het buitenwereldse avontuur van je dag worden! Hey eindelijk een echte rede om even naar buiten te gaan, neem er eentje heel ver weg en ga een stuk fietsen! Dat ia wat ik dan doe, alleen voor mij is het vaak werk ontwijkend gedrag.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *