Zeven

Verhaal door René van DensenAls ik een kater heb, ga ik ervaringen zeven. Mij amuseert dat wel, maar de lijn is ver te zoeken. Ik proef de wijn nog. De extreem galante gastheer bood mij een uitmuntende wijn aan, die zelfs lekker rook, wat wijn zelden doet. Ik wou per se de vieze. Dat ik een kater zou hebben de volgende dag, stond immers al vast, en daar wil ik geen goede wijn aan verspillen. Dan liever met een vieze nasmaak de afgrond in.

Daar loop je dan, vent. Iets rustiger dan de rest, en beduidend onbekommerder. Onbekommerder ? Ik laat het schieten. Je staat op een roltrap en drie kindjes voor je gillen enthousiast want de roltrap is spannend. Achter mij staat hun moeder en ze zegt: “Tschüß !” Vertwijfeld herhalen de kindjes: “Tschüß”. Het gespeelde vaarwel ontoert me stilletjes.

Bovenaan de roltrap zit ik ineens tegenover twee mensen. Ik zeg sorry. De mensen zijn onhollands gekleed en praten zacht Engels tegen elkaar. Door de stroop in mijn hoofd twijfel ik even of een Engels sprekend mens wel ‘sorry’ verstaat. Ik zeg het nog eens, harder: “Sorry !” Ze lachen en knikken.

Als ik uit het raam kijk, sta ik daar met iemand te zoenen. Ik proef het op mijn lippen. Sterker, ik sta in innige omhelzing. Haar lijf voelt fijn tegen het mijne. Als ik mijn ogen open zit ik echter aan de waterkant, in de zon. Ik vraag me af hoe laat mijn trein rijdt.

Er vliegt een meeuw laag over en hij verliest een veer. De veer landt zacht op het water, lichte rimpelingen, en laat zich dan door water en wind vervoeren. Hij is los uit de meute en hoeft niet meer terug. De reis heeft een onbekende bestemming. Ik dobber met hem mee, trappel wat met mijn flippers en kwaak. Dan schep ik wat water en schud het van mijn snavel.

Vanaf een wolk zie ik wat ik allemaal doe. Van hier af is het grappig om mezelf te zien strompelen tussen de meutes op het perron. Iedereen heeft een koers, ik heb ontwijking. Een mooi meisje loopt me voorbij, zij weet waar ze moet zijn. Als ze de trein instapt, sta ik bij de wc te wachten tot we gaan rijden, zodat ik kan kakken. Ze geeft mij een verwonderde blik. Ik hoop niet dat ze zich gaat afvragen wat ik op het toilet ga doen. Zo goed kennen we elkaar nog niet, om nu al die ideeën bij me te krijgen. Ik vind haar erg onbeschoft.

Ik stap een trein uit en een andere in. Ik kom allicht ergens. En als je een serie kijkt die opgenomen is in een stad die je goed kent, kloppen de locaties ook niet. Dus wat geeft het. Gewoon lekker doorzeven, jongen, hoor ik mijn moeder zeggen.

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *