Krabben aan de magie

Verhaal door René van DensenHet jeukt, elke dag opnieuw, die magie. Dat er zonnestralen door ramen binnenbarsten. Kleine bolle vogeltjes aan vetbollen kleven, met hun zenuwachtig zoevende kopjes. Eten, kijken, kijken, kijken, kijken, eten. Het jeukt, dat er mooie en lelijke stenen dwars door elkaar opgetrokken zijn. Dat er lange arceringen getrokken zijn door vers water en aangekoekt kalk.

Dat er lampen kunnen knipperen die regels stellen. Die de mensen vervolgens aan hun laarzen en banden lappen. Dat er planten de grond eten waar de dieren begraven zijn die hen weer hebben aangevreten. En maar draaien met de hele boel. Je krijgt er nog jeuk van. Dat iemand ineens je leven in kan stappen. Dat je die ook weer kwijt kan raken. Dat alles klauwt, krioelt, kronkelt, kreunt, kraait, kraant en keurt.

En dan al die afgesloten geesten, die er niet van willen weten. In drommen, in kuddes. Ergens heen of ergens onderweg van terug. Waar ze misschien weer naar omkeren, later. Om allemaal verschillende waaroms. Alles om iets, alles om niets, alles om iets tussen niets en alles. Het kriebelt, onderhuids, bovenhuids, de armharen overeind.

Zo zit Karel te krabbelen aan zijn magie. De magie kriebelt in zijn nek, op zijn kuiten en aan zijn pols. Vandaag is de magie mild. Het is geen dag om te jeuken. Dat schept wantrouwen, vindt Karel. Een dag die niet wil jeuken, voorspelt grote magie. Of daar nog tegenop te krabben valt, is vaak de vraag.

Zo kriebelt de magie van de dag over hem heen terwijl hij op een doodordinair bankje zit. Troostend strelen de zonnestralen door zijn haren. Warm waarschuwen ze hem tegen teveel zorgen. Wat komt, dat komt. Op een van de minst menige magische momenten die de dag zal tellen. Wacht maar af. Kalm drinkt hij de dag en zet zich schrap.

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *