Nog tien jaar aan vast

Verhaal door René van DensenEven twijfelde of ik het wel moest doen, maar je doet het uiteindelijk toch wel. Dus dat werd vroeg opstaan en door de kou naar het stadhuis. Want ik moest mijn identiteit verlengen. Blauwbekkend liep ik het overheidsgebouw binnen, waar de verwarming lustig erop los brandde. Een prikkerdeprik later had ik een briefje met een lettertje en een nummertje en moest ik wachten.

Je kunt me bij zoiets beter niet te lang laten wachten. Ik twijfel dan nog wel eens. En jawel hoor, daar ging ik. Als ik mijn identiteit nu eens niet verlengde, kon ik dan zomaar ineens iemand anders zijn ? Kon ik mijn identiteit inwisselen voor iets heel anders ? Eigenlijk kon ik best een nieuw kettingslot gebruiken. Of een paar nieuwe schoenen. Veel meer verwacht ik niet voor mijn identiteit te krijgen.

Ik staar naar de identiteit die ik in mijn handen heb. Het is maar een identiteit van niks. Een laagje reflecterend materiaal en wat papieren. Met een bruinig kaftje. Stempeltje erop. Wat krassen. De identiteit gaat al een tijdje mee. Enkele reisstempels, maar niks imposants. Mijn identiteit is een tikje honkvast en niet bijster avontuurlijk aangelegd. Veel onbeschreven bladzijden ook. Knisperende onschuld.

Aan zo’n nieuwe identiteit zit je nog langer vast, had ik gehoord. Ineens tien jaar. Tién ! Ik vraag me elke dag al af of ik deze identiteit nog wel wil volhouden, maar zo’n overheid pint je er gewoon een decennium op vast. Zonder pardon. Hoppakee. Dit bent u, de komende tien jaar. Weten wij dat, weet u dat, veel plezier ermee. Volgende. Hoe meer ik naar mijn identiteit staarde, hoe meer ik wou wegvluchten.

Mijn nummer en mijn letter verschenen echter op het scherm. Verdomme. Toch maar naar het loket. Snel geholpen. Volgende week kunt u uw identiteit afhalen, bla bla. Dat was vorige week. Nu zet ik weer mijn fiets in hetzelfde rek. Opvallend: weer is het het enige vrije rek. Ik loop dezelfde trap op, en dezelfde verwarming staat er weer op los te stoken. Zo’n overheid verandert ook niet veel.

Omdat ik een tikje dwars wil zijn, heb ik mijn uiterlijk gesnoeid. Mijn wilde lokken zijn op een kappersvloer beland en mijn baard in een doucheputje. Ik zie eruit als een lid van een jaren ’60 jongensband. Een stropdas ontbreekt. Mijn identiteit echter ziet eruit als een zwaarbehaard holemens. Ik sta voor het loket waar ik mijn holemens moet ophalen.

De loketdame twijfelt. Ze kijkt. Naar mij. Naar mijn identiteit. Dan naar mij. Dan naar mijn identiteit. Ik snap het wel. Het is een verschil van één week, maar ik zie eruit alsof ik een lid van een sleeper cell ben die bevel tot actie heeft gekregen. Ze twijfelt nog wat langer. En ze zit niet eens in de wachtkamer.

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *