Altijd te kort rood

Verhaal door René van DensenStoplichten, dat vond Karel ook zoiets. Ze stonden altijd te kort op rood. Met een dwingende gevaarkleur dwingen ze je gejaagde pas te stoppen en te wachten. Je weet nooit hoe lang. Ja, in sommige van die nieuwerwetserige steden hebben ze van die luxe krengen die op allerlei moderne manieren aangeven hoe lang het nog duurt. Daar moest Karel al helemaal niks van hebben.

Rustig staat hij voor zo’n licht te landen. De rust zakt in zijn hoofd en in zijn ledematen. Meestal sprong zo’n onding op groen voordat hij echt gekalmeerd was. En dan begon de Haastige Tred weer. Jakkeren naar de overkant, want zodra je aan het oversteken begint, wil je het afmaken. Voor dat geknipper van dat groene mannetje. En die begint altijd te vroeg met knipperen. Laatste twee meter nóg haastiger in tred. Nee, stoplichten, die stonden welbeschouwd niet ten dienste van de mensheid.

Vandaag leek hij geluk te hebben. Langer rood dan normaal. En hij stond er in gezelschap. Dan kon hij zijn ooghoeken laten dwalen. Allemaal mensen met allemaal verhalen naast hem. Mannen, meisjes en kinderen. Zielen die het te goed weten en zielen die het allemaal nog moeten afleren. Hij kon ervan genieten. Al die haast, in stilstand op een kluitje. Wachten op groene mannetjes. Ze leken NASA wel.

Één van de roodlichtburen verspreidde een sterke cannabisgeur. Nieuwsgierig spiekte Karel rond, maar hij zag zo snel niet wie het was. Een nader onderzoek vereiste opvallend zoekgedrag en hij voelde zich meer thuis in het onopvallende. De geur was vers. Daar kon hij enkel respect voor opbrengen. Het was verdomd vroeg op de dag. Nu al zo’n stevige wietlucht. Hij had ook wel eens een kegel op dit tijdstip, maar die rook schraal en er was een, desnoods korte, nacht slaap overheen gegaan. ’s Ochtends dronk Karel nooit. Op deze plek, op dit tijdstip, had een van zijn buren nu al een stevige dosis softdrugs achter de longen getrokken. Karel wachtte in stil ontzag.

Er was ook een prachtige vrouw, want die is er op een of andere manier ook altijd bij. Hoge hakken, donkere panty’s, strenge bril. Enkele lokken van haar kapsel ontsprongen aan de zorgvuldige bijeenbinding in een knot en wapperden in de ochtendlucht, lonkend. Als de klanken van sirenen, om eenieder ervan te overtuigen dat deze vrouw geen rots was, dat we naderbij moesten komen, dat er veel prachtigs viel te ontdekken. Zoals ontsnapte lokken wel vaker groetend wuiven. Ze blonken in de ochtendzon.

Het licht liet hen bovengemiddeld lang wachten. Maar het zou zo wel weer groen worden. Altijd te kort rood.

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *